Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL1475

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
660348 AE VERZ 09-867 SL
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontbinding van de arbeidsovereenkomst; werknemersverzoek; toepassing beschikking HR d.d. 11 december 2009; ontbindingsverzoek afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/134
AR-Updates.nl 2010-0109

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 660348 AE VERZ 09-867 SL

beschikking d.d. 27 januari 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.W. Menkveld,

toev. nr. 4HT4360

tegen:

de besloten vennootschap

Inproba B.V.,

gevestigd te Baarn,

verder ook te noemen Inproba,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J. Verhoeven.

Verloop van de procedure

[verzoeker] heeft op 22 oktober 2009 een verzoekschrift ingediend.

Inproba heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 4 december 2009 en 5 januari 2010 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

Motivering

1.

[verzoeker], geboren op [1981] en 28 jaar oud, is op 1 maart 2005 in dienst van (de rechtsvoorganger van) Inproba getreden, eerst voor bepaalde tijd en vanaf 1 maart 2006 voor onbepaalde tijd. Vanaf 1 december 2003 is hij bij Inproba als uitzendkracht werkzaam geweest.

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 1.850,- per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag.

De werkgever heeft op 8 september 2009 een verzoek ingediend bij UWVWerkbedrijf (UVWW) om toestemming te krijgen, teneinde de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Bij brief van 28 september 2009 is op verzoek van UWVW aanvullende informatie door de werkgever verstrekt. Op 16 oktober 2009 heeft [verzoeker] verweer gevoerd tegen het verzoek van de werkgever tot het verlenen van toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

Op 26 oktober 2009 heeft Improba weer gereageerd.

Bij brief van 28 oktober 2009 heeft UWVW aan UVW afdeling A. G. gevraagd om advies te geven over de aannemelijkheid dat de werknemer (die regelmatig wegens ziekteverzuim afwezig zou zijn) binnen 26 weken niet normaal inzetbaar zal zijn en dat herplaatsing indien mogelijk door scholing niet mogelijk is. Verzocht wordt om het advies uiterlijk 9 december 2009 te geven, maar op de dag van de tweede mondelinge behandeling in de ontbindingszaak (5 januari 2010) was het beide partijen niet bekend of het advies gegeven was.

2.

Verzocht wordt door [verzoeker] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen die spoedig tot een einde van de arbeidsovereenkomst zouden moeten leiden. Aan het verzoek wordt ten grondslag gelegd dat aan [verzoeker] ten onrechte verwijten worden gemaakt en jegens hem zelfs onjuiste argumenten worden gebezigd, teneinde tot een beëindiging van het dienstverband te komen. Bovendien, zo wordt in aanvulling op het verzoekschrift opgemerkt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, is een verandering in de omstandigheden dat de werkgever de wens heeft geuit om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Improba veranderde van een werkgever die met de werknemer door wilde (en hem welwillend tegemoet trad) in een werkgever die van [verzoeker] af wilde.

[verzoeker] voegt daar zelf aan toe (pleitnotitie 14 en 15) dat het feit dat de werkgever daadwerkelijk stappen ging ondernemen om een einde aan het dienstverband te maken en dat zij een ontslagvergunning heeft ingediend bij UWVW, op zich geen verandering in omstandigheden met zich bracht, maar slechts een mogelijk gevolg van de veranderde omstandigheden opleverde, omdat de werkgever er ook voor had kunnen kiezen om geen stappen te ondernemen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Een werkgever kan er immers ook voor kiezen om de werknemer alleen maar te laten weten dat hij de werknemer liever kwijt dan rijk is, in de hoop dat de betreffende werknemer de situatie die door een dergelijke mededeling ontstaat dermate vervelend vindt dat de werknemer zelf ontslag neemt.

3.

Inproba voert verweer waarop de kantonrechter indien nodig hieronder terugkomt.

4.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

4.1.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat er geen sprake is van een opzegverbod. Aannemelijk is geworden dat [verzoeker] ten tijde van de mondelinge behandeling van dit verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet arbeidsongeschikt was wegens ziekte, maar (weer) aan het werk was bij Improba.

4.2.

De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen.

Een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen kan weliswaar te allen tijde worden ingediend, maar moet ook betrekking hebben op veranderingen in de omstandigheden, die billijkheidshalve spoedig of op korte termijn tot een einde van de arbeidsovereenkomst moeten leiden. Als veranderingen in de omstandigheden zijn door [verzoeker] genoemd de ten onrechte aan hem gemaakte verwijten in de procedure die de werkgever gestart is bij UWV Werkbedrijf (door de in het kader van het BBA benodigde toestemming te vragen) alsmede de omstandigheid dat de werkgever van een werkgever die met de werknemer door wil gaan veranderd is in een werkgever die van haar werknemer af wil.

4.3.

Beide argumenten zijn naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende dragend om als veranderingen in de omstandigheden te kunnen worden aangemerkt die billijkheidshalve spoedig of op korte termijn tot een einde van de arbeidsovereenkomst moeten leiden.

De naar de mening van [verzoeker] onterechte verwijten zijn immers door de werkgever in de procedure ex artikel 6 BBA gemaakt en dienen nog door UWV Werkbedrijf te worden beoordeeld. Derhalve is de kwalificatie ”onterechte verwijten” op de eerste plaats nog niet vaststaand, nu immers UWV Werkbedrijf de toestemming nog kan weigeren. Bovendien hebben deze onterechte verwijten sterk het karakter van de in artikel 7: 681 lid 2 onder a genoemde valse of voorgewende, vermeende redenen.

De tweede grond, te weten dat de werkgever van de werknemer af wil, is ook onvoldoende dragend. De omstandigheid dat de werkgever te kennen geeft de arbeidsrelatie te willen beëindigen vormt op zich en zonder meer niet een zodanige verandering in de omstandigheden dat daardoor billijkheidshalve de arbeidsovereenkomst spoedig of op korte termijn dient te eindigen. Integendeel, juist ingeval de werkgever te kennen geeft de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, is het van groot belang dat de werknemer in staat wordt gesteld zich daartegen te verdedigen en daarvoor ook de nodige tijd krijgt toebedeeld, waartoe (ook) de procedure in het kader van artikel 6 BBA en de inhoudelijke normen uit het Ontslagbesluit voldoende ruimte bieden.

Onderbouwd dient dan vervolgens door de werknemer te worden waarom een spoedig einde of een einde op korte termijn van de arbeidsovereenkomst noodzakelijk is. Dat is in casu niet althans onvoldoende gebeurd.

4.3.

Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen. De kantonrechter ziet termen om de proceskosten geheel te compenseren, in die zin dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek af.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.