Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL1066

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
280959 / KG ZA 09-886 en 280955 / FA RK 10-398
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Tijdelijk Huisverbod. Beroep van verzoeker ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector civiel recht, team familie

nummer: 280959 / KG ZA 09-886 en 280955 / FA RK 10-398

proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2010 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens eiser, hierna te noemen verzoeker,

gemachtigde: mr. V.P.J. Tuma,

tegen

de burgemeester van de gemeente [woonplaats],

gevestigd te [woonplaats],

hierna te noemen ‘verweerder’.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het door de burgemeester van [woonplaats] bij besluit van 18 januari 2010 aan verzoeker opgelegde tijdelijk huisverbod, dat geldt van 18 januari 2010, 14.52 uur, tot 28 januari 2010, 14.52 uur.

1.2 Het op 19 januari 2010 te 19.57 uur ingediende verzoek is op 22 januari 2010 ter zitting behandeld, waar verzoeker niet is verschenen, maar wel zijn gemachtigde mr. V.P.J. Tuma, advocaat te [woonplaats]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [X] en mevrouw [Y], beiden werkzaam bij de gemeente [woonplaats].

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Ten aanzien van het beroep (nr. 280955 / FA RK 10-398):

2.3. Ingevolge artikel 2 lid 1 van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

2.4. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de stukken en verhandelde ter zitting voldoende is gebleken dat verzoeker, hoewel hij niet in de GBA staat ingeschreven als bewoner van de woning, anders dan incidenteel verblijft in de woning, waar zijn ex-vrien[A] (hierna: [A]), en hun twee minderjarige kinderen wonen.

2.5. Uit feiten en omstandigheden is voorts gebleken dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de medebewoners, [A] en hun twee minderjarige kinderen van 4 en 6 jaar oud. De door verweerder genoemde risico-factoren rechtvaardigen deze conclusie. Daarbij is met name van belang het proces-verbaal van aangifte van 18 januari 2010 waaruit blijkt dat [A] tegen verzoeker aangifte heeft gedaan van zware mishandeling, poging tot doodslag, wederrechtelijke vrijheidsbeneming en bedreiging met de dood op 16 januari 2010. Verder zijn er blijkens het verslag van het casus-overleg ook in de periode februari 2007 tot augustus 2008 al door [A] meldingen gedaan van huiselijk geweld door verzoeker. Uit de uitdraaien uit de politiesystemen blijkt dat [A] zich ook in 2009 meermalen tot de politie heeft gewend in verband met ongewenste bezoeken aan c.q. binnendringen in de woning en vernieling door verzoeker en BJZ in verband met deze meldingen betrokkenheid met het gezin heeft gekregen, hetgeen heeft geleid tot een ondertoezichtstelling van de kinderen per 22 december 2008.

Ten slotte is van belang het formulier Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld dat onder meer op voornoemde stukken is gebaseerd.

Gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter gevaar voor herhaling.

2.6. Het vorenoverwogene in aanmerking nemende heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om een huisverbod op te leggen alsmede in redelijkheid kunnen besluiten om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om het huisverbod in te trekken.

2.7. De stelling van verweerder in beroep dat er naast de verklaringen van de vriendin van verzoeker geen aanwijzingen c.q. bronnen zijn waaruit volgt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld kan, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Onder deze omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening (nr. 280959 / KG ZA 09-886):

2.8. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, en in het openbaar

uitgesproken op 22 januari 2010 in aanwezigheid van mr. J. Crompvoets, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. J. Crompvoets mr. R.C. Stijnen

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.