Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0870

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
268534 / HA ZA 09-1332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ongelimiteerde reikwijdte van het boetebeding, zoals eiser dit toepast, is onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 aanhef en sub a BW. Daarom wordt het boetebeding vernietigd. Dit oordeel steunt op de inhoud van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter zake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

268534 / HA ZA 09-133227 januari 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 268534 / HA ZA 09-1332

Vonnis in verzet van 27 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERNATIONAL CARD SERVICES B.V.,

voorheen genaamd VSB Intenational B.V.

h.o.d.n. Visa Card Services

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. J.D. van Vlastuin,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. D.I.A. Schröder.

Partijen zullen hierna ICS en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 17 juni 2009

• het proces-verbaal van comparitie van 12 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Door ICS is in het kader van een zogenaamde credit-card overeenkomst een tweetal opnamekaarten aan [gedaagde] ter beschikking gesteld, te weten een ANWB Gold Card (verder: “de Gold Card”) met referentienummer [nummer] en een ANWB Visa Card (verder: “de Visa Card”) met referentienummer [nummer].

2.2. In artikel 12.3 sub c. van de door ICS gehanteerde “algemene voorwaarden ANWB Visa Card” (verder: “de algemene voorwaarden”) is een boetebeding opgenomen, dat luidt als volgt:

“ 12.3. De gevolgen van niet-nakoming door de Card-houder zijn: (…)

c. de Card-houder is verplicht op eerste verzoek daartoe de ANWB Visa Card in vier gedeelten geknipt retour te zenden aan International Card Services. Bij gebreke hiervan is de Card-houder een boete verschuldigd van EUR 23,00 voor iedere dag dat de Card-houder de ANWB Visa Card niet heeft teruggezonden;”

2.3. Op 28 december 2007 heeft ICS aan [gedaagde] een brief geschreven met - voor zover van belang - de navolgende inhoud:

“U heeft niet gereageerd op onze verzoeken uw betalingsverplichting na te komen. Uw betalingsachterstand is nu zo hoog opgelopen dat wij de relatie met u beëindigen.

Uw ANWB Visa Card hebben wij inmiddels definitief geblokkeerd. Elke transactie na dagtekening van deze brief beschouwen wij als misbruik.

(…)

Wilt u er tevens voor zorgen dat uw ANWB Visa Card, in vieren geknipt, binnen de gestelde termijn in ons bezit is. Als u dit nalaat, brengen wij u EUR 23,- boete per dag in rekening, overeenkomstig onze Algemene Voorwaarden.”

2.4. [gedaagde] heeft de Visa Card niet aan ICS geretourneerd.

2.5. De vordering van ICS uit hoofde van het gebruik van de Gold Card en de Visa Card door [gedaagde] bedraagt respectievelijk EUR 4.694,83 en EUR 4.500,45. Per 28 april 2008 komt dit neer op een totale vordering van EUR 9.587,45, inclusief de contractueel verschuldigde rente van 13,54% per jaar tot deze datum.

3. Het geschil

3.1. ICS heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van EUR 15.838,10, te vermeerderen met de overeengekomen vertragingsrente van 13,54% per jaar, althans de wettelijke rente, over EUR 9.587,45 vanaf 8 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening alsmede om aan ICS af te geven de door haar aan [gedaagde] verstrekte opnamekaart (de Visa Card) met kaartnummer [nummer], op straffe van de overeengekomen boete van EUR 23,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis met die afgifte in gebreke blijft alsmede in de kosten van het geding.

3.2. In het verstekvonnis zijn de vorderingen van ICS integraal toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde boete van EUR 23,00 slechts verschuldigd is totdat de geldigheidsduur van de Visa Card is verstreken dan wel de Visa Card door een gecontracteerde onderneming is ingenomen. Daarnaast is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van ICS tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal EUR 892,44.

3.3. [gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van ICS alsnog worden afgewezen met veroordeling van ICS in de proceskosten.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. [gedaagde] erkent het gevorderde bedrag van EUR 9.587,45, te vermeerderen met de contractuele rente van 13,54% per jaar vanaf 29 april 2008 tot de dag van algehele voldoening, aan ICS verschuldigd te zijn. Dit deel van de vordering kan daarom worden toegewezen.

4.3. [gedaagde] betwist - kort gezegd - de gevorderde boete van EUR 23,00 per dag, vanwege het niet (kunnen) inleveren van de Visa Card, aan ICS te moeten betalen. Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan:

a. nadat de kaart was geblokkeerd heeft een medewerker van ICS telefonisch aan [gedaagde] meegedeeld dat hij de kaart moest doorknippen en daarna kon weggooien, hetgeen [gedaagde] vervolgens heeft gedaan;

b. het boetebeding is onredelijk bezwarend.

Doorknippen/terugsturen Visa Card (4.3. onder a.)

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de door ICS gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat [gedaagde] de brief van 28 december 2007 (zie 2.3.) van ICS heeft ontvangen. Deze omstandigheden brengen mee (1) dat [gedaagde] in zijn contractuele relatie met ICS de verplichting had om op eerste verzoek van ICS de Visa Card, in vier gedeelten geknipt, te retourneren en (2) dat dit verzoek in de brief van 28 december 2007 aan [gedaagde] is gedaan. In het licht hiervan is het aan [gedaagde] om gemotiveerd te stellen, en zonodig te bewijzen, dat - in afwijking van artikel 12.3. sub c. van de algemene voorwaarden en in weerwil van het in de brief van 28 december 2007 gedane verzoek - tussen hem en ICS is overeengekomen dat hij de Visa Card niet hoefde te retourneren, maar in de plaats daarvan mocht weggooien. Aan deze stelplicht heeft [gedaagde] niet voldaan. Zo heeft [gedaagde] niet (nader) toegelicht waarom hij met een medewerker van ICS telefonisch contact heeft gehad, wie degene was met wie hij heeft gesproken (man of vrouw) en wanneer het gestelde telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om wel een nadere toelichting op deze punten te geven, temeer omdat ICS gemotiveerd heeft betwist dat het door [gedaagde] gestelde telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Het voorgaande brengt mee dat aan de besproken stelling van [gedaagde] voorbij wordt gegaan.

Boetebeding onredelijk bezwarend (4.3. onder b.)

4.5. ICS stelt zich op het standpunt dat het boetebeding niet onredelijk bezwarend is. Daartoe voert zij het volgende aan. ICS blijft een financieel risico lopen zolang zij de Visa Card niet van [gedaagde] heeft terugontvangen. De Visa Card kan namelijk, ondanks dat deze is geblokkeerd, nog worden gebruikt bij betalingen die plaatsvinden met behulp van een zogenaamd doordruksysteem. Bij dat systeem wordt niet gecontroleerd of de Visa Card nog geldig is. De overeengekomen boete heeft als doel om dit risico te dekken en daarnaast om als aansporing te dienen de Visa Card daadwerkelijk aan ICS terug te sturen.

4.6. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het boetebeding onredelijk bezwarend is heeft [gedaagde] gewezen op een uitspraak van rechtbank Amsterdam van 10 september 2008 (LJN: BH2370). In dat vonnis is onder meer overwogen dat bij de beoordeling van het (al dat niet oneerlijke) karakter van een boetebeding rekening moet worden gehouden met de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter zake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder: “de Richtlijn”). Deze rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en overweegt dienaangaande verder - gelijk rechtbank Amsterdam heeft gedaan - dat de Richtlijn is geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek (“BW”), onder meer in de artikel 6:233, 6:236 en 6:237 en dat het boetebeding als zodanig niet voorkomt op de in laatstgenoemde artikelen opgenomen zwarte of grijze lijst. Dit betekent dat toetsing van het boetebeding dient plaats te vinden via de open norm van artikel 6: 233 sub a BW. In dit artikel is bepaald dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

4.7. Bij deze toetsing zijn de volgende omstandigheden van belang. Door ICS is niet weersproken dat de overeenkomst tussen haar en [gedaagde] een consumentenovereenkomst betreft, zodat van de juistheid van die stelling verder wordt uitgegaan. Daarnaast is ter comparitie komen vast te staan dat de boete wordt gevorderd vanaf 3 januari 2008 en dat de expiratiedatum van de Visa Card 31 januari 2012 is. Bij niet inlevering van de Visa Card kan de boete voor [gedaagde] dus oplopen tot een bedrag van EUR 34.247,00 (1489 dagen x EUR 23,00). Het bedrag dat [gedaagde] met gebruikmaking van de Visa Card heeft uitgegeven en nog niet door hem is terugbetaald is EUR 4.500,45 (zie 2.5). Deze omstandigheden leiden ertoe dat - door de niet inlevering van de Visa Card - de (uiteindelijk) verschuldigde boete veel hoger is dan de gevorderde hoofdsom, voor zover die hoofdsom voortvloeit uit het gebruik van de Visa Card. De vraag of dit verschil gerechtvaardigd is, dient te worden bezien binnen het kader van de bepalingen in de Richtlijn en de doelstelling die daaraan ten grondslag ligt.

4.8. In artikel 3 van de Richtlijn is geregeld dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk wordt beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voorvloeiende rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk ten nadele van de consument verstoort. Verder staat in dit artikel dat een beding niet het voorwerp van een afzonderlijke onderhandeling is geweest wanneer het beding van tevoren is opgesteld en de consument als gevolg daarvan geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben. Het boetebeding in kwestie is opgenomen in de algemene voorwaarden van ICS en deze algemene voorwaarden stonden volgens [gedaagde] (in kleine letters) afgedrukt op de achterzijde van het formulier waarmee de Visa Card aan hem is toegezonden. Deze stelling is niet door ICS betwist. Dit een en ander betekent dat het boetebeding is te beschouwen als een beding waarover partijen niet afzonderlijk hebben onderhandeld in de hiervoor vermelde zin.

4.9. De volgende vraag die moet worden beantwoord is of het genoemde verschil tussen de (uiteindelijk) verschuldigde boete en de gevorderde hoofdsom de toets van de Richtlijn kan doorstaan. In dit kader is van belang dat in de bijlage van de Richtlijn onder e) is bepaald dat een beding als onredelijk moet worden aangemerkt als dat beding de consument, die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredige schadevergoeding oplegt. Daarvan is in het onderhavige geval sprake. De boete per 31 januari 2012 van EUR 34.247,00 staat namelijk in geen verhouding tot het bedrag van EUR 4.500,45, dat [gedaagde] aan hoofdsom nog aan ICS is verschuldigd in verband met het gebruik van de Visa Card. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] de Visa Card - zoals ter comparitie is komen vast te staan - na het moment dat de Visa Card door ICS is geblokkeerd niet meer heeft gebruikt en dus ook niet heeft misbruikt.

4.10. Hetgeen hiervoor is overwogen heeft tot gevolg dat de reikwijdte van het boetebeding, zoals ICS dit toepast, onredelijk bezwarend voor [gedaagde] is in de zin van artikel 6: 233 aanhef en sub a BW. Het feit dat ICS een belang heeft bij handhaving van het boetebeding, omdat een boete als aansporing tot nakoming kan dienen (teruggave van de kaart), brengt hierin geen verandering. Dit belang staat namelijk niet in evenwicht met de vergaande verplichtingen die voor [gedaagde] uit het boetebeding voortvloeien. Met andere woorden en samenvattend: het boetebeding en het boetebedrag van EUR 23,00 zijn op zichzelf niet te beschouwen als elementen die oneerlijk zijn, maar de vergaande (limietloze) toepassing - die door ICS ter comparitie desgevraagd uitdrukkelijk is gehandhaafd - kan de toets van de Richtlijn niet doorstaan. Deze conclusie luidt niet anders indien rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat [gedaagde] nog misbruik van zijn geblokkeerde Visa Card zou kunnen maken als hij een betaling doet met behulp van een zogenaamd doordruksysteem (dus niet elektronisch). Hiervoor geldt ten eerste dat ICS niet heeft aangetoond dat dit misbruik (nog) voorkomt. Ten tweede is hiervoor redengevend dat - in geval dat misbruik zich toch mocht verwezenlijken - ICS de als gevolg daarvan ontstane schade afzonderlijk kan vorderen. In het licht van het vorenstaande wordt het boetebeding vernietigd. De gevorderde boete zal daarom worden afgewezen.

Teruggave Visa Card

4.11. De vordering tot teruggave van de Visa Card zal worden toegewezen. Tegen deze vordering is namelijk geen verweer gevoerd. De gevorderde boete van EUR 23,00 per dag, voor iedere dag dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis met de afgifte van de Visa Card in gebreke blijft, wordt afgewezen. Die vordering is immers - net als de reeds vervallen boetes - op het vernietigde boetebeding gegrond.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.12. ICS heeft ter comparitie haar eis verminderd, in die zin dat zij thans nog een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten vordert gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. ICS heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.13. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. Het toewijsbare deel van de vorderingen van ICS zal als volgt (onder 5.) worden toegewezen.

4.14. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. De kosten van de verstekprocedure worden begroot op de in het verstekvonnis begrote kosten. De kosten van de verzetprocedure worden aan de zijde van ICS begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 452,00 (1,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het door deze rechtbank op 15 oktober 2008 onder zaaknummer / rolnummer 254965 / HA ZA 08-1898 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan ICS te betalen een bedrag van EUR 9.587,45, vermeerderd met de contractuele rente van 13,54% per jaar over dit bedrag vanaf 29 april 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan ICS van de door haar aan [gedaagde] verstrekte Visa Card met kaartnummer [nummer],

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van ICS tot op heden begroot op EUR 892,44, en in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van ICS tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.

HvW