Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0681

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
FA RK 09-9511 - 352593
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BL8848, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoeringszaak; beroep op art. 13 lid 1 sub b HKOV: ernstig risico dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevraar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Ontvoering vanuit Guatemala.

De rechtbank overweegt dat, mede in het licht van de restrictieve uitleg die gelet op het doel en de strekking van het Haagse Verdrag aan de in dit verdrag opgenomen weigeringsgrond(en) moet worden gegeven, de algemene situatie in een land in beginsel niet tot het oordeel zal leiden dat een kind door terugkeer naar dat land zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Steeds zal dan ook op basis van naar voren gebrachte individuele feiten en omstandigheden moeten worden onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag zich voordoet. Slechts in uitzonderlijke situaties van bijvoorbeeld oorlog of wetteloosheid zou van een prima facie blootstelling van het kind aan gevaar kunnen worden gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is blijkens het verhandelde ter terechtzitting en het dossier de algemene situatie in Guatemala niet dusdanig onveilig dat terugkeer van de minderjarige reeds hierom niet kan worden gevergd. Vervolgens zal nagegaan moeten worden of de naar voren gebrachte individuele feiten en omstandigheden tot de conclusie leiden dat sprake is van voornoemde weigeringsgrond. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit in casu niet het geval is. Verzoek tot teruggeleiding wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/63
JPF 2011/82

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 09-9511

Zaaknummer: 352593

Datum beschikking: 7 januari 2010

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 16 november 2009 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de vader]

wonende te [woonplaats], Guatemala.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder]

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te 's-Hertogenbosch.

Procedure

Van de zijde van de vader is op 6 juli 2009 bij de Centrale Autoriteit een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] Guatemala, naar Guatemala. Op 16 november 2009 heeft de Centrale Autoriteit onderhavig verzoekschrift bij de rechtbank Utrecht ingediend.

Bij beschikking d.d. 17 november 2009 heeft de rechtbank Utrecht zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brieven d.d. 25 november 2009, 15 en 16 december 2009, met bijlage(n), van de zijde van de Centrale Autoriteit;

- de brieven d.d. 4, 9, 10 en 16 december 2009, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 26 november 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. M.M. Maljaars-Hendrikse en mr. J.A. Krab, de vader, vergezeld van mevrouw J.H. Reule, tolk in de Spaanse taal, de advocaat van de vader, mr. R. de Falco, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. N.A. Boelhouwer. Het betrof hier een regiezitting in het kader van de Pilot crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J.M.J. Keltjens.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van mediation tot een minnelijke schikking te komen. Op 1 december 2009 heeft het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, de rechtbank medegedeeld dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en dat de mediation derhalve niet is geslaagd. Partijen hebben wel een Memorandum of Understanding ondertekend, waarin partijen een omgangsregeling hebben getroffen tussen de minderjarige en de vader, zolang de minderjarige bij haar moeder in Nederland woont. Deze omgangsregeling zal tevens gelden voor de moeder, voor het geval de minderjarige wordt teruggeleid naar Guatemala en aldaar zal wonen.

Op genoemde regiezitting heeft de rechtbank de Centrale Autoriteit verzocht uiterlijk op na te melden behandeling ter terechtzitting een verklaring als bedoeld in artikel 15 van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Haagse Verdrag) over te leggen.

Genoemde minderjarige heeft op 15 december 2009 in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Op 17 december 2009 is de behandeling ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. C.L. Wehrung, de vader, vergezeld van mevrouw F. Timmer, tolk in de Italiaanse taal, de advocaat van de vader, mr. R. de Falco, de moeder bijgestaan door haar advocaat, mr. N.A. Boelhouwer, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van mevrouw J.J. de Kok.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst 'zoals dat thans luidt' of 'thans nog'.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans (naar de rechtbank leest:) de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Guatemala, dan wel, indien zij nalaat de minderjarige terug te brengen, de datum te bepalen waarop de moeder de minderjarige aan de vader dient af te geven, zodat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Guatemala.

De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt van het volgende uitgegaan.

Partijen zijn gehuwd op 30 juli 2000 te [plaats], Italië. Tijdens dit huwelijk is genoemd thans nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige] op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] Guatemala;

Op 17 december 2009, de dag van de voortgezette mondelinge behandeling, waren partijen nog steeds gehuwd.

De vader heeft de Italiaanse nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de minderjarige heeft de Nederlandse, Italiaanse, en de Guatemalteekse nationaliteit.

De vader en de moeder leven al enige jaren gescheiden van elkaar. In 2005 heeft ten aanzien van het uiteengaan van partijen een procedure gediend voor de familierechtbank te Guatemala City, Guatemala. In deze procedure zijn partijen onder meer overeengekomen (blijkens de in de Nederlandse taal vertaalde beslissing van de familierechtbank te Guatemala City, Guatemala) dat de minderjarige onder het gezag van de moeder zal vallen, dat de moeder zich verplicht om met de minderjarige in Guatemala te blijven wonen en dat, telkens wanneer de minderjarige gaat reizen, de ene ouder hiervoor de toestemming dient te vragen en te verkrijgen van de andere ouder. Zij zijn voorts een omgangsregeling ten behoeve van de vader overeengekomen. Genoemde familierechtbank heeft de overeenstemming tussen de vader en de moeder op 7 november 2005 bekrachtigd.

De moeder is rond april 2009 met de minderjarige naar Nederland vertrokken. De minderjarige verblijft thans bij de moeder op het [adres]

De minderjarige heeft tot de overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats gehad in Guatemala.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag. Zowel Nederland als Guatemala zijn partij bij het Haagse Verdrag.

Het Haagse Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofd niet doen terugkeren in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Als er uit de overgelegde buitenlandse bewijsstukken tegenstrijdigheden blijken over de persoonsgegevens, dan kan zulks hieronder ipv met "De persoonsgegevens...vermeld." overwogen worden met bijv: "Blijkens..., doch blijkens..."

Ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

De Centrale Autoriteit heeft bij genoemde brief van 15 december 2009 een in de Spaanse taal gestelde verklaring als bedoeld in artikel 15 van het Haagse Verdrag overgelegd. Bij genoemde brief van 16 december 2009 heeft de Centrale Autoriteit hiervan een vertaling in de Nederlandse taal overgelegd. De verklaring is afkomstig van het Algemeen Procureurskantoor van de Natie (Procuraduría General de la Nación), de Guatemalteekse Centrale Autoriteit. In de verklaring wordt - kort samengevat en voor zover thans van belang - vastgesteld dat het ouderlijk gezag door beide ouders wordt uitgeoefend en dat de moeder van de vader geen toestemming had om met de minderjarige Guatemala uit te reizen.

Ter terechtzitting heeft de moeder niet langer betwist dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over de minderjarige naar Guatemalteeks recht en dat er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag.

De rechtbank gaat, mede gelet op de artikelen 252 tot en met 277 van het Guatemalteekse Burgerlijk Wetboek, waarvan de tekst door de Centrale Autoriteit in fotokopie is overgelegd, en de door de familierechtbank te Guatemala City, Guatemala, bekrachtigde overeenkomst tussen partijen, uit van de juistheid van de door de Centrale Autoriteit overgelegde verklaring als bedoeld in artikel 15 van het Haagse Verdrag. De overbrenging van de minderjarige naar Nederland dient derhalve aangemerkt te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Haagse Verdrag. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarige naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Haagse Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. De aangezochte rechter mag de door deze bepaling gestelde voorwaarden niet reeds vervuld achten, louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst van het kind minder goed is gediend dan in het land van de aangezochte rechter.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de hierboven genoemde weigeringsgrond. Volgens de moeder is er in Guatemala sprake van een volstrekt onveilige situatie: er is sprake van een corrupt rechtssysteem, er woedt een drugsoorlog en er zijn ontzettend veel actieve jeugdbendes in het land. Zij heeft, onder verwijzing naar het reisadvies van Buitenlandse Zaken en artikelen in de pers, naar voren gebracht dat in Guatemala 6000 moorden per jaar plaatsvinden en dat het onveilig is om alleen over straat te lopen, te fietsen of te rijden in een auto. De moeder heeft een groot aantal producties in het geding gebracht, waarin (voormalige) inwoners van Guatemala verklaren over de criminaliteit in Guatemala. De moeder heeft gesteld dat de directe aanleiding voor haar vertrek naar Nederland is gelegen in een gewelddadige overval begin december 2008, waarbij zowel zij als de minderjarige met een pistool zijn bedreigd. Zij heeft voorts gesteld dat ook voor de vader de situatie in Guatemala niet veilig is. Zo is volgens de moeder de broer van de vader bij het bedrijf van hen beiden beschoten en gewond geraakt, hetgeen ook de vader kan overkomen.

Volgens de moeder heeft de minderjarige inmiddels een stabiel leven in Nederland. In Nederland is de minderjarige veilig en heeft zij bewegingsvrijheid. De moeder heeft aangegeven dat zijzelf in ieder geval niet terug zal keren naar Guatemala.

De vader heeft betwist dat er sprake is van genoemde weigeringsgrond. Hij heeft gesteld dat partijen zich ruim tien jaar geleden reeds in Guatemala hebben gevestigd en dat de minderjarige daar haar hele leven heeft gewoond, immer zonder problemen. De vader heeft gesteld dat partijen altijd in een beveiligd gebied hebben gewoond en dat de minderjarige gewoon naar school ging en met vriendinnen speelde. De vader heeft voorts gesteld dat hij nog steeds woont in een beveiligd gebied met ongeveer 250 woningen waar gewoon over straat gelopen kan worden. Hij heeft aangeven dat hij met het oog op de terugkomst van de minderjarige zijn kantoor in Guatemala City zal vestigen, zodat hij bij de minderjarige kan zijn als zij uit school komt.

De vader betreurt het dat de moeder en de minderjarige een overval hebben meegemaakt, doch dit ene voorval rechtvaardigt volgens hem de ongeoorloofde overbrenging niet. De vader heeft de beschieting van zijn broer betwist. Hij heeft gesteld dat dit verhaal is verzonnen, omdat er tegen de broer op 9 mei 2005 aangifte is gedaan wegens diefstal.

De minderjarige heeft in raadkamer - kort samengevat - verklaard dat zij terug wil naar Guatemala, dat zij haar vader vertrouwt en dat zij zich veilig bij hem voelt.

De rechtbank overweegt dat, mede in het licht van voornoemde restrictieve uitleg die gelet op het doel en de strekking van het Haagse Verdrag aan de in dit verdrag opgenomen weigeringsgrond(en) moet worden gegeven, de algemene situatie in een land in beginsel niet tot het oordeel zal leiden dat een kind door terugkeer naar dat land zal worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Steeds zal dan ook op basis van naar voren gebrachte individuele feiten en omstandigheden moeten worden onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag zich voordoet. Slechts in uitzonderlijke situaties van bijvoorbeeld oorlog of wetteloosheid zou van een prima facie blootstelling van het kind aan gevaar kunnen worden gesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is blijkens het verhandelde ter terechtzitting en het dossier de algemene situatie in Guatemala niet dusdanig onveilig dat terugkeer van de minderjarige reeds hierom niet kan worden gevergd. Uit de door de moeder overgelegde stukken, waaronder reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en verklaringen van -voormalige- inwoners van Guatemala blijkt weliswaar dat er beduidend meer geweldsmisdrijven worden gepleegd dan hier te lande, maar hieruit volgt niet dat de minderjarige zal worden blootgesteld aan gevaar zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag.

Vervolgens zal moeten worden nagegaan of de naar voren gebrachte individuele feiten en omstandigheden tot de conclusie leiden dat sprake is van voornoemde weigeringsgrond. De moeder heeft hiertoe aangevoerd dat zij en de minderjarige slachtoffer zijn geweest van een gewapende overval en dat de minderjarige zeer wordt beperkt in haar bewegingsvrijheid door alle voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen die moeten worden getroffen.

De rechtbank stelt vast dat partijen ruim tien jaar in Guatemala wonen en de minderjarige daar is geboren en haar hele leven heeft gewoond. Partijen hebben steeds in een beveiligde omgeving gewoond en zorggedragen voor voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen, hetgeen bij terugkeer van de minderjarige ook weer gerealiseerd kan worden. Dat de minderjarige en de moeder desondanks al dan niet onder bedreiging van een vuurwapen één keer zijn beroofd is betreurenswaardig en kan traumatiserende gevolgen hebben, maar leidt niet tot de conclusie dat voor de minderjarige sprake is van een (structureel) onveilige situatie. Dat niet valt uit te sluiten dat zij in Guatemala (wederom) slachtoffer wordt van een misdrijf leidt niet tot het oordeel dat de minderjarige aan gevaar zal worden blootgesteld en overigens geldt dat evenmin kan worden uitgesloten dat zij in Nederland slachtoffer van een misdrijf wordt. De rechtbank overweegt in dit verband tot slot dat uit de uitlatingen van de minderjarige geenszins valt op te maken dat zij thans nog wordt belast door de overval dan wel dat zij zich in Guatemala in haar bewegingsvrijheid beperkt heeft gevoeld.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder niet heeft aangetoond dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarige door haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Haagse Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Haagse Verdrag genoemde weigeringsgronden - de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan -, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12, lid 1, van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

De rechtbank acht het, gelet op de beschikkingen van het Gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 16 juli 2008, LJN: BG6755, en d.d. 13 augustus 2008, LJN: BE9360, wenselijk dat de minderjarige een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten. De rechtbank zal daarom de terugkeer gelasten op 22 februari 2010 en, indien de moeder niet zelf met de minderjarige terugkeert, de afgifte van de minderjarige aan de vader bevelen, opdat de vader de minderjarige mee terug kan nemen naar Guatemala. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet in geschil is dat de vader een goede verzorger is voor de minderjarige.

Op grond van artikel 13, lid 5, van de Uitvoeringswet Verdragen inzake internationale ontvoering van kinderen is de onderhavige beslissing van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

[minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] Guatemala, naar Guatemala op 22 februari 2010 en beveelt, indien de moeder niet zelf met de minderjarige terugkeert, tevens de afgifte van de minderjarige aan de vader op 22 februari 2010, opdat de vader de minderjarige mee terug kan nemen naar Guatemala.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Kramer, M. Dam en M. van Loenhoud, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2010.