Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0624

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
264357 / HA ZA 09-693
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring van recht gevorderd dat de koop van de woning van moeder aan één van haar dochters en diens partner een schenking van 2x EUR 65.000,- inhoudt afgewezenn nu eiseres / een andere dochter van moeder niet als onmiddelijk betrokkene bij de schenking als bedoeld in art. 3:302 BW kan worden aangemerkt en tijdens het leven van moeder geen belang aan de zijde van de eisende dochter bestaat als bedoeld.

Ook reduceren van bewijsrisico's is geen rechtens te respecteren belang.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 302
Burgerlijk Wetboek Boek 3 303
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/228
KWEP 2010/9

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

264357 / HA ZA 09-6936 januari 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 264357 / HA ZA 09-693

Vonnis van 6 januari 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. P.J. Polderman,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

allen wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat: mr. R.V.C.F. Dingemans.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eiseres], [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk als [gedaagden] worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 27 mei 2009;

• het proces-verbaal van comparitie van 6 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 1] is de moeder van [eiseres] en van [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 3] is de levenspartner van [gedaagde sub 2].

2.2. Bij koopovereenkomst van 5 juni 2008 heeft [gedaagde sub 1] haar woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning) aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verkocht tegen een koopprijs van EUR 260.000,--. De woning heeft [gedaagde sub 1] op 12 juni 2008 aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geleverd. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning geworden.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, een verklaring van recht dat de overdracht van de woning een schenking inhoudt van EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 2] en EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 3], althans dat sprake is geweest van een schenking die de rechtbank meer redelijk acht.

3.2. [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde sub 1] de woning voor EUR 260.000,-- aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] heeft verkocht, terwijl de woning ten tijde van de levering een waarde had van EUR 390.000,--. Het verschil tussen voormelde bedragen moet als een schenking worden aangemerkt, en wel als een schenking van EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 2] en een schenking van EUR 65.000,-- aan [gedaagde sub 3]. Met het oog op de bepaling van haar legitieme portie waarop zij ná het overlijden van [gedaagde sub 1] recht heeft, wenst [eiseres] reeds thans in rechte vastgesteld te zien dat door de verkoop van de woning bedragen aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn geschonken. Tevens wenst zij haar bewijsrisico's ter zake van de stelling dat de woning ten tijde van de overdracht een waarde had van EUR 390.000,--, te reduceren door thans een verklaring van recht te vorderen en niet te wachten tot ná het overlijden van [gedaagde sub 1]. Een en ander levert volgens [eiseres] een procesbelang in de zin van artikel 3:303 BW op.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat de gevorderde verklaring van recht ziet op een gestelde rechtsverhouding die [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn aangegaan, te weten een schenking, waarbij [eiseres] geen partij is. Zij kan derhalve niet als een onmiddellijk bij deze rechtsverhouding betrokken persoon als bedoeld in de zin van artikel 3:302 BW worden aangemerkt.

4.3. Ook het belang als bedoeld in artikel 3:303 BW ontbreekt aan de zijde van [eiseres]. Immers, [eiseres] zal ter zake van haar legitieme portie eerst een vorderingsrecht jegens de erfgenamen van [gedaagde sub 1] verkrijgen, nadat [gedaagde sub 1] is overleden. Hoewel aangenomen kan worden dat [gedaagde sub 1] op enig moment zal overlijden, is niet zeker dat [gedaagde sub 1] eerder overlijdt dan [eiseres]. In het geval [eiseres] vóór [gedaagde sub 1] overlijdt, zal [eiseres] nimmer een vorderingsrecht jegens de erfgenamen verkrijgen. Er is dus geen sprake van een (zekere) toekomstige vordering op de erfgenamen van [gedaagde sub 1] Zolang de denkbeeldige situatie waarin [gedaagde sub 1] vóór [eiseres] overlijdt nog geen werkelijkheid is geworden, heeft [eiseres] geen reëel belang bij de gevorderde verklaring van recht. Daarbij is van belang dat een ná het overlijden van [gedaagde sub 1] ontstaan vorderingsrecht jegens de erfgenamen van [gedaagde sub 1] onder algemene titel overgaat op de erfgenamen c.q. de afstammelingen van [eiseres] in het geval dat [eiseres] vóór [gedaagde sub 1] komt te overlijden, levert geen belang aan de zijde van [eiseres] op maar aan de zijde van haar afstammelingen die in deze procedure geen partij zijn.

4.4. Het belang om de bewijsrisico's ter zake van de stelling dat de woning ten tijde van de overdracht een waarde had van EUR 390.000,--, te reduceren door thans de onderhavige verklaring van recht te vorderen, is een van de ingestelde vordering afgeleid belang en deelt om die reden hetzelfde lot.

4.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering moet worden afgewezen.

4.6. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2010.