Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0532

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
280945 / KG ZA 10-44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vakbondactie in verband met kabinetsplannen tot verhoging van de AOW-leeftijd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de actie onder de reikwijdte van artikel 6 lid 4 ESH (herzien).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2010/46
JIN 2010/112
AR-Updates.nl 2010-0076
PJ 2010, 56
RAR 2010, 60
NJF 2010, 143
JAR 2010/46

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 280945 / KG ZA 10-44

Vonnis in kort geding van 19 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EW CLEANING OPERATIONS BV,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat: mr. B.A. Roosenboom,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

vrijwillig verschenen,

advocaat: mr. R. van der Stege.

Partijen zullen hierna EW en FNV genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de conceptdagvaarding met producties;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 19 januari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 19 januari 2010 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. EW is een facilitaire dienstverlener. Zij verricht onder meer schoonmaakwerkzaamheden op de luchthaven Schiphol.

2.2. FNV heeft haar leden opgeroepen actie te voeren, in alle mogelijke vormen, tegen de plannen van het kabinet om de AOW-leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar, te beginnen op de dag van de hoorzitting van de Tweede Kamer op 20 januari 2010.

2.3. Bij brief van 15 januari 2010 heeft FNV in verband met de acties tegen de voorgenomen verhoging van de AOW-leeftijd bij EW een werkonderbreking aangekondigd van 19 januari 2010 te 22.30 uur tot 20 januari 2010 te 23.00 uur.

3. Het geschil

3.1. EW vordert – samengevat – dat de FNV op straffe van een dwangsom (i) wordt bevolen de aangekondigde collectieve actie op de luchthaven Schiphol af te gelasten en (ii) voor onbepaalde tijd wordt verboden nieuwe acties op de luchthaven te organiseren, met veroordeling van FNV in de kosten van dit geding.

3.2. EW baseert haar vordering – kort weergegeven – op de stelling dat de aangekondigde werkonderbreking niet onder de reikwijdte van artikel 6 lid 4 ESH valt en dat daarom aan de leden van FNV geen stakingsrecht toekomt. De afgekondigde werkonderbreking is bovendien prematuur en disproportioneel. Door het oproepen of aanzetten tot deze actie handelt FNV, aldus EW, onrechtmatig jegens haar.

3.3. Het verweer van FNV zal, voor zoveel nodig, in het navolgende aan de orde komen.

4. De beoordeling

4.1. Het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op het voeren van acties, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het ESH (Europees Sociaal Handvest), dat in Nederland in zijn oorspronkelijke vorm sinds 1980 van kracht is en in de herziene vorm sinds 1 juli 2006. In artikel 6 aanhef en onder lid 4 van het ESH (herzien) wordt het recht van werknemers of hun vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH (herzien), dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met die actie beoogde en op de koop toe genomen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ("spelregels") zijn veronachtzaamd dan wel indien de actie een zodanige inbreuk maakt op de in artikel G ESH (herzien) aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn.

4.2. Allereerst is de vraag aan de orde of de onderhavige actie wel valt onder de reikwijdte van artikel 6 lid 4 ESH (herzien). Voorshands dient deze vraag bevestigend beantwoord te worden. Weliswaar richt de actie zich niet tegen EW als werkgever maar tegen de overheid in verband met het kabinetsbesluit om de AOW-leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar maar dit enkele feit brengt niet mee dat de actie niet wordt gedekt door het in artikel 6 lid 4 ESH (herzien) erkende recht.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie komt aan artikel 6 lid 4 ESH (herzien) een ruim toepassingsgebied toe. Met betrekking tot stakingen gericht tegen overheidsbeleid overwoog de Hoge Raad in haar arrest van 30 mei 1986, NJ 1986/688 (NS-arrest): “richten dergelijke acties zich tegen overheidsbeleid op het stuk van arbeidsvoorwaarden die het onderwerp plegen of behoren te zijn van collectief onderhandelingen, dan vallen zij (nog) onder artikel 6 lid 4 ESH (herzien); keren zij zich tegen andersoortig overheidsbeleid, dan vallen zij daarbuiten en is in die zin sprake van een zuiver politieke actie”. Dit oordeel is herhaald in HR 7 november 1986, NJ 1987/226 (Hoogovens-arrest). Op 11 november 1994 ging de Hoge Raad in het Rotterdamse haven-arrest (NJ 1995/152) nog een stapje door te oordelen dat ‘s Hofs oordeel – vrij vertaald – “dat degenen die actie voeren tegen overheidsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met eerder in collectieve onderhandelingen overeengekomen arbeidsvoorwaarden de in artikel 6 lid 4 ESH (herzien) bedoelde waarborg kunnen inroepen indien genoegzaam aannemelijk is dat bij nieuwe onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden een achterstand aan werknemerszijde zal ontstaan die moeilijk in te halen is” niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

4.4. Het bestaakte kabinetsbesluit om de AOW-leeftijd te verhogen is op zich geen onderwerp van collectieve onderhandelingen, maar vormt wel het uitgangspunt voor diverse regelingen waarover collectief wordt onderhandeld. FNV heeft onweersproken gesteld dat de ingangsdatum van de AOW op veel vlakken directe gevolgen zal hebben voor arbeidsvoorwaardenonderhandelingen (bijvoorbeeld op de onderhandelingen over aanvullende pensioenen, vroegpensioen of over aanvullingen tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid). Aldus dreigen de resultaten van collectieve onderhandelingen uit het verleden ongedaan te worden gemaakt en zullen de werknemers zich gedwongen zien om te trachten om in nieuwe collectieve onderhandelingen deze ongedaanmaking weer zo goed mogelijk te herstellen. Daarmee is genoegzaam aannemelijk geworden dat, indien de kabinetsplannen worden doorgevoerd, aan de zijde van de werknemers een achterstand bij nieuwe onderhandelingen zal ontstaan die moeilijk in te lopen is.

4.5. Op grond van het bovenstaande valt aan te nemen dat de onderhavige actie nog valt onder de strekking en het bereik van artikel 6 lid 4 ESH (herzien) en dat EW dientengevolge voor de toepassing van artikel G ESH (herzien) als derde moet worden beschouwd, wier rechten naar gelang van de omstandigheden een beperking van het in artikel 6 lid 4 ESH (herzien) bedoelde recht op collectief optreden kunnen rechtvaardigen.

4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat EW voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, op grond van afweging van de omstandigheden van het geval, FNV in redelijkheid niet van haar recht op staking gebruik mag maken. Het enkele feit dat EW als gevolg van de stakingsactie schade dreigt te leiden, is hiervoor onvoldoende. Het ontstaan van schade is immers inherent aan het uitoefenen van het stakingsrecht. Dat de te verwachten schade een zodanige omvang zal bereiken dat de actie, gelet op het te dienen doel, disproportioneel zou zijn, is niet gebleken.

4.7. EW heeft nog aangevoerd dat FNV zich niet aan de ‘spelregels’ voor het recht op staking gehouden. FNV heeft haar bij brief van 15 januari 2010 niet juist, althans onvolledig, geïnformeerd over het doel van de stakingsactie. De vakbond van schoonmakers van FNV heeft in een pamflet haar leden niet alleen opgeroepen om te staken tegen de verhoging van de AOW-leeftijd maar ook voor een betere nieuwe cao, loonsverhoging, vakopleidingen etc. In de brief aan WE heeft FNV echter alleen de verhoging van de AOW-leeftijd als reden voor de staking genoemd.

4.8. FNV heeft ter zitting erkend dat het door EW overgelegde pamflet geen juiste weergave geeft van de gronden voor de staking. De voorzieningenrechter ziet hierin echter, in het licht van de communicatie met de werkgever en de landelijke manifestatiedag van FNV op 20 januari 2010 te Den Haag tegen de verhoging van de AOW-leeftijd, geen reden om aan FNV het recht op staken, dat als een fundamenteel grondrecht moet worden beschouwd, te ontzeggen.

4.9. Al het vorengaande leidt tot het oordeel dat de vordering van EW in alle onderdelen dient te worden afgewezen.

4.10. EW zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van FNV worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.078,00

De beslissing

De voorzieningenrechter

a) wijst de vorderingen af;

b) veroordeelt EW in de proceskosten, aan de zijde van FNV tot op heden begroot op € 1.078,--;

c) verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op

19 januari 2010.

JdK