Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0033

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
268109 / HA ZA 09-1258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke ontbinding overeenkomst: evenredige vermindering wederzijdse prestatie. De rechtbank stelt zelfstandig schattenderwijs de verminderingsmaatstaf vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

268109 / HA ZA 09-125813 januari 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 268109 / HA ZA 09-1258

Vonnis van 13 januari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HESTA STANDBOUW B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. D.L.A. van Voskuilen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.A. van Ommen Kloeke.

Partijen zullen hierna Hesta Standbouw B.V. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 2 september 2009

• het proces-verbaal van comparitie van 1 december 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Hesta Standbouw B.V. en [gedaagde] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten voor het opbouwen van de Mohawkstand op de beurs Domotex 2009 te Hannover. Dit betrof een wereldwijde beurs voor de vloerbedekkingsbranche. Partijen zijn voor het opbouwen van de stand een bedrag van EUR 79.782,05 (excl. BTW) overeengekomen (EUR 93.861,25 incl. BTW). Van het bedrag werd 50% bij het sluiten van de overeenkomst betaald. De resterende 50% zou worden voldaan bij de oplevering van de stand.

2.2. Onderdeel van de door Hesta Standbouw B.V. te verrichten werkzaamheden bestond uit het te leggen tapijt op rol (kamer breed). Het betrof een speciaal ontworpen en geprint, zogenoemd tailor-made tapijt, dat ondanks het patroon naadloos kon worden gelegd.

2.3. [gedaagde] was ontevreden over de wijze waarop Hesta Standbouw B.V. de werkzaamheden uitvoerde. De heer [A] van [gedaagde] heeft hierover geklaagd bij de heer [B] van Hesta Standbouw B.V.

2.4. [gedaagde] heeft geweigerd het openstaande bedrag van 50% van de contractsom bij oplevering van de stand te betalen. Hesta Standbouw B.V. heeft [gedaagde] bij brief van 2 februari 2009 ingebrekegesteld. Bij brief van 10 februari 2009 heeft [gedaagde] haar klachten schriftelijk uiteengezet en haar betalingsverplichting opgeschort, teneinde een financiële compensatie van Hesta Standbouw B.V. te verkrijgen. Hesta Standbouw B.V. was hiertoe niet bereid en heeft haar vordering uit handen gegeven aan haar incasso-gemachtigde.

3. Het geschil

3.1. Hesta Standbouw B.V. vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 49.807,87, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Hesta Standbouw B.V. heeft betaling gevorderd van de onbetaald gebleven factuur. Zij heeft haar vordering gebaseerd op de tussen partijen gesloten overeenkomst tot opdracht tot het opbouwen van de Mohawkstand. Volgens Hesta Standbouw B.V. zijn er weliswaar een aantal schoonheidsfoutjes gemaakt, maar de stand is opgebouwd. De rechtbank begrijpt de stelling van Hesta Standbouw B.V. aldus dat haar tekortkoming van geringe betekenis is en dat die daarom geen ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Zelfs als er wordt ontbonden, moet er volgens haar een waardevergoeding volgen ter hoogte van de openstaande factuur.

4.2. [gedaagde] heeft zich daartegen verweerd, stellende dat Hesta Standbouw B.V. zodanige fouten heeft gemaakt, dat een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht dient te volgen. Eén van de klachten was dat er in voornoemd tapijt oneffenheden (bobbels) zichtbaar waren. Ook waren de vloerdelen niet naar haar zin gelegd. Voorts waren er twee verschillende kleuren down-lights gebruikt. Er ontbraken lampen die [gedaagde] bij Hesta Standbouw B.V. had opgeslagen en de tapijttegel-tafels werden daags voor de opening van de beurs aangeleverd. De wanden van de stand vertoonden dwarsnaden en de achterpanelen van de boekenkasten ontbraken, terwijl de boekenkasten op een andere plaats stonden dan [gedaagde] had gewenst. In de nacht van vrijdag 16 januari op zaterdag 17 januari 2009 (de nacht voor de opening van de beurs) zijn de tapijtleggers bezig geweest de bobbels in het tapijt te verhelpen. Als gevolg daarvan was het patroon van het tapijt niet meer doorlopend.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat tussen partijen niet langer in geschil is dat Hesta Standbouw B.V. tekortgeschoten is in haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Het geschil heeft zich inmiddels toegespitst op de vraag of de tekortkoming in dit geval de door [gedaagde] ingeroepen gedeeltelijke ontbinding van die overeenkomst rechtvaardigt.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van de ene partij de andere partij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. Dat is alleen anders wanneer de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Wanneer sprake is van een tekortkoming van geringe betekenis of bijzondere aard dient een afweging plaats te vinden, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de ontbinding. Die afweging hoeft niet steeds te leiden tot het al dan niet toestaan van een gehele ontbinding. Ze kan ook leiden tot het oordeel dat een gehele ontbinding niet, maar een gedeeltelijke ontbinding wel toelaatbaar is.

4.5. Waar partijen in dat licht verdeeld zijn over de betekenis van de tekortkoming van Hesta Standbouw B.V. zal de rechtbank, alvorens daarover haar oordeel te geven, eerst overgaan tot een bespreking van de navolgende door [gedaagde] aangedragen onderwerpen waaruit die tekortkoming volgens haar bestaat:

a) het tapijt en de vloeren

b) de verlichting

c) de tapijttegel-tafels

d) de wanden

e) de achterpanelen boekenkasten

Het tapijt en de vloeren

4.6. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij voor het leggen van tapijt met Hesta Standbouw B.V. een bedrag van EUR 4.600,- (excl. BTW) is overeengekomen en een bedrag van EUR 5.885,- (excl. BTW) voor de vloer. Zij heeft gesteld dat zij deze royale bedragen met Hesta Standbouw B.V. is overeenkomen met het oog op een topprestatie. Dit heeft Hesta Standbouw B.V. niet weersproken, zodat dit vaststaat. Daarbij komt dat het voor Hesta Standbouw B.V. achtereenvolgens de elfde keer was dat zij de stand van [gedaagde] opbouwde. Deze omstandigheden gevoegd bij het feit dat het speciaal ontworpen tapijt het paradepaardje van de Mohawkstand, op een kennelijk toonaangevende beurs in de vloerbedekkingbranche, vormde, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het leggen van de vloeren en het tapijt een kernverplichting van Hesta Standbouw B.V. jegens [gedaagde] vormt. Daarbij mocht laatstgenoemde absoluut goed werk verwachten.

4.7. Hesta Standbouw B.V. heeft zich op het standpunt gesteld dat de bobbels in het tapijt waren verholpen en dat zij verder niets meer heeft gehoord. Hiermee gaat Hesta Standbouw B.V. echter voorbij aan onder andere de brief van [gedaagde] van 10 februari 2009. In deze brief (overgelegd als productie 8 bij dagvaarding) heeft zij vermeld dat zij bezwaar maakt tegen de wijze waarop Hesta Standbouw B.V. de werkzaamheden heeft uitgevoerd en de wijze waarop is omgegaan met de klachten van [gedaagde] Voorts deelt [gedaagde] in de brief mee dat de taptijtleggers weliswaar hebben geprobeerd om de klachten te verhelpen, maar dat op de ochtend van de opening van de beurs bleek dat zij het tapijt helemaal hadden versneden met als gevolg dat het patroon niet meer doorliep. Daarmee was het unieke van het speciaal ontworpen tapijt verloren gegaan. Daarnaast waren losse stukken tapijt slecht weggesneden en waren er in de vloerdelen naden zichtbaar. Ook waren de vloerdelen tegendraads gelegd. De wijze waarop het tapijt uiteindelijk door Hesta Standbouw B.V. was gelegd, betekende een blamage voor [gedaagde] op de beurs. In haar brief van 10 februari 2009 heeft [gedaagde] haar betalingsverplichting jegens Hesta Standbouw B.V. daarom opgeschort tot er een passende financiële compensatie voor de -in haar ogen- door Hesta Standbouw B.V. geleverde ondeugdelijke prestatie zou zijn. Op 24 februari 2009 heeft [gedaagde] haar klachten herhaald.

De verlichting

4.8. Volgens [gedaagde] was overeengekomen dat de verlichting, net als voorgaande jaren, in één kleur zou worden uitgevoerd. Ter comparitie van partijen heeft Hesta Standbouw B.V. toegelicht dat er niet genoeg witte en zwarte lampen waren en dat zij er om die reden voor heeft gekozen om bij de grote en de kleine stands verschillende kleuren lampen te monteren. Hesta Standbouw B.V. heeft niet betwist dat zij daarmee zonder instemming van [gedaagde] is afgeweken van de afspraak. Evenmin heeft zij betwist dat zij verantwoordelijk was voor het aanleveren en monteren van de lampen-set van [gedaagde] Nu een deel van die lampen zijn zoekgeraakt, is Hesta Standbouw B.V. ook hiermee tekortgeschoten.

De tapijttegel-tafels

4.9. Voorts heeft [gedaagde] geklaagd dat haar tapijttegel-tafels in strijd met de afspraak niet direct met de standbouwers waren meegekomen. Daarom heeft [gedaagde] eigen medewerkers ingeschakeld om nieuwe tafels te maken. Volgens [gedaagde] heeft dit een dag werk gekost, waardoor zij EUR 1.200,-- aan extra kosten voor personeel en materialen heeft moeten maken. Hesta Standbouw B.V. heeft niet betwist dat de tafels direct met de standbouwers aangeleverd diende te worden. Nu zij de tafels eerst daags voor de opening van de beurs heeft aangeleverd en dus pas nadat [gedaagde] al nieuwe tafels had laten maken, is Hesta Standbouw B.V. ook op dit punt tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst.

De wanden

4.10. [gedaagde] heeft voorts geklaagd over de optische kwaliteit van de wanden. Er zouden dwarsnaden zichtbaar zijn, wat niet de bedoeling was. Dit werd volgens haar veroorzaakt door het te strak op elkaar plaatsen van het triplex waardoor de wanden bol zijn gaan staan. Hesta Standbouw B.V. heeft daartegenover gesteld dat zij deze wanden al 13 jaar aan [gedaagde] levert en dat de kwaliteit ervan boven iedere twijfel verheven is. Daarmee heeft Hesta Standbouw B.V. echter niet weersproken dat de wanden ondeugdelijk zijn gemonteerd. De dwarsnaden zijn te zien op de als productie 11 en 12 in het geding gebrachte foto's. Gelet hierop en op wijze waarop [gedaagde] haar stellingen heeft geconcretiseerd, had het op de weg van Hesta Standbouw B.V. gelegen om aan te geven waarom haar prestatie toch beantwoordde aan wat [gedaagde] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Nu Hesta Standbouw B.V. dat heeft nagelaten, moet ervan worden uitgegaan dat Hesta Standbouw B.V. op grond van de overeenkomst wanden zou bouwen zonder zichtbare dwarsnaden. Vast staat dat Hesta Standbouw B.V. dit niet heeft gedaan.

De achterpanelen van de boekenkasten

4.11. Hesta Standbouw B.V. heeft niet betwist dat de achterpanelen van de boekenkasten ontbraken, terwijl zij die wel had dienen te plaatsen. Daarmee staat vast dat zij ook op dit punt is tekortgeschoten.

Rechtvaardigt de tekortkoming een gedeeltelijke ontbinding?

4.12. Uit hetgeen onder 4.7 is overwogen volgt dat [gedaagde] -anders dan Hesta Standbouw B.V. lijkt te betogen- haar klachten tijdig en ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt aan Hesta Standbouw B.V. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat het zwaartepunt van de tekortkoming van Hesta Standbouw B.V. ligt op het ondeugdelijk leggen van het tapijt en de vloeren. Gelet op hetgeen onder 4.6 is overwogen, is die onder 4.7 nader besproken tekortkoming van Hesta Standbouw B.V. er geen van geringe betekenis. Dit opgeteld bij de tekortkomingen zoals besproken onder 4.8 tot en met 4.11 en in het licht van genoemde omstandigheden, ligt een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, in dier voege dat de contractsom wordt gecorrigeerd, het meest voor de hand. Bij een dergelijke gedeeltelijke ontbinding worden de specifieke gevolgen van de tekortkoming ongedaan gemaakt, zonder dat de nadelige gevolgen van een volledige ontbinding van de overeenkomst zich doen gevoelen.

Evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties

4.13. Met de gedeeltelijke ontbinding strookt de evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties. In dat kader heeft [gedaagde] een schatting gemaakt van de waarde van de door Hesta Standbouw B.V. geleverde diensten. Zij heeft deze begroot op de helft van de contractsom. Echter, bij gebreke van een nadere motivering is niet begrijpelijk op welke grond de betalingsverplichting van [gedaagde] zou moeten worden teruggebracht tot de helft van het overeengekomen bedrag. Ook overigens bieden de stellingen van [gedaagde] geen aanwijzingen hoe de door Hesta Standbouw B.V. verrichte werkzaamheden moeten worden gewaardeerd. Nu [gedaagde] op deze kwestie geen toegesneden bewijsaanbod heeft gedaan en nu voorts de overige stellingen van [gedaagde] onvoldoende aanknopingspunten bieden om de verminderingsmaatstaf exact te bepalen, zal de rechtbank, rekening houdend met het door partijen over en weer gestelde, daarom zelfstandig schattenderwijs de maatstaf, waarmee de factuur van Hesta Standbouw B.V. wegens gedeeltelijke ontbinding dient te worden verminderd, bepalen op 25%. Dit betekent in dit geval dat de totale vordering van Hesta Standbouw B.V. ten bedrage van EUR 94.940,64 (incl. BTW) wordt verminderd met EUR 23.735,16. [gedaagde] heeft reeds betaald een bedrag van EUR 47.470,32 en dient dus nog EUR 23.735,16 (incl. BTW) te betalen.

4.14. Hieruit volgt dat Hesta Standbouw B.V. niet meer heeft verricht dan waartoe zij na de gedeeltelijke ontbinding is gehouden. Voor een waardevergoeding op grond van artikel 6:272 BW, zoals Hesta Standbouw B.V. ter comparitie van partijen heeft betoogd, bestaat daarom geen grond.

4.15. Nu [gedaagde] zich met succes heeft beroepen op de gedeeltelijke ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst, is de vordering van Hesta Standbouw B.V. overeenkomstig de hetgeen onder 4.13 is overwogen toewijsbaar tot een bedrag van EUR 23.735,16 (incl. BTW).

Wettelijke handelsrente

4.16. Hesta Standbouw B.V. heeft de wettelijke handelsrente over de hoofdsom gevorderd. Voor de vaststelling van het moment waarop de wettelijke handelsrente is verschuldigd wordt in artikel 6:119a lid 1 aangeknoopt bij de dag die volgt op uiterste dag van betaling die partijen zijn overeengekomen. Zoals reeds vastgesteld onder 2.1 waren partijen overeengekomen dat het resterende deel van de vordering door [gedaagde] zou worden voldaan op de dag waarop de stand werd opgeleverd, zijnde 17 januari 2009. Daarom is de door Hesta Standbouw B.V. gevorderde wettelijke handelsrente over EUR 23.735,16 toewijsbaar vanaf 18 januari 2009.

Buitengerechtelijke (incasso-)kosten

4.17. Hesta Standbouw B.V. heeft een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Hesta Standbouw B.V. heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten moet daarom worden afgewezen.

4.18. De vorderingen van Hesta Standbouw B.V. zijn slechts gedeeltelijk toegewezen. Om die reden zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Hesta Standbouw B.V. te betalen een bedrag van EUR 23.735,16 (drieëntwintigduizendzevenhonderdvijfendertig euro en zestien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 18 januari 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Verhoef en in het openbaar uitgesproken op

13 januari 2010.

CK