Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BL0028

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
255489 / HA ZA 08-1974.
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heroverweging beslissing in tussenvonnis. zie LJN BI4692

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 255489 / HA ZA 08-1974

Vonnis van 20 januari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. C.D.R. Schoonderbeek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. K. Both.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2009;

- het tussenvonnis van 24 juni 2009, houdende een afwijzing van het verzoek van [gedaagde] om alsnog hoger beroep open te staan tegen het tussenvonnis van 20 mei 2009;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 juni 2009;

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 9 september 2009;

- de conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde] van 14 oktober 2009;

- de conclusie na enquête aan de zijde van [eiser] van 11 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Heroverweging beslissing uit tussenvonnis van 20 mei 2009

2.1. In het tussenvonnis van 20 mei 2009 heeft de rechtbank overwogen dat zij er van uitging dat [gedaagde] in verband met zijn toetreding tot het garagebedrijf van [eiser], AB Auto’s, eind 2005 met [eiser] heeft afgesproken dat hij [eiser] EUR 40.000,- zou betalen. Ook nam de rechtbank als vaststaand aan dat [gedaagde] op 29 december 2005 de kredietovereenkomst heeft ondertekend, op grond waarvan het bedrag van EUR 40.000,-- op 1 januari 2007 aan [eiser] betaald moest zijn. De rechtbank heeft [gedaagde] vervolgens in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij in het kader van de kredietovereenkomst in de periode van eind 2005 tot 1 januari 2007 betalingen aan [eiser] heeft verricht tot een totaal van EUR 40.000,--. Hierna heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden.

2.2. De rechtbank stelt vast dat zij haar beslissing in het tussenvonnis van 20 mei 2009, inhoudende dat [gedaagde] diende te bewijzen dat partijen eind 2005 zijn overeengekomen dat [gedaagde] uiterlijk op 1 januari 2007 EUR 40.000,-- aan [eiser] zou betalen in het kader van de kredietovereenkomst, moet heroverwegen om te voorkomen dat einduitspraak wordt gedaan op basis van een voor haar oordeel cruciaal doch inmiddels achterhaald uitgangspunt. Uit de conclusies na enquête blijkt immers dat partijen het uiteindelijk erover eens zijn dat zij ruim na 29 december 2005 zijn overeengekomen dat [eiser] zich uit het bedrijf AB Auto’s zou terugtrekken en dat [gedaagde] [eiser] in verband daarmee (en niet in verband met de toetreding van [gedaagde] tot het bedrijf) in 2007 (en niet uiterlijk op 1 januari 2007) EUR 40.000,-- zou betalen. Volgens [eiser] heeft deze betaling nooit plaatsgevonden en hij vordert thans nakoming van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling.

2.3. [gedaagde] betoogt dat zijn vader namens hem het bedrag van EUR 40.000,-- na de zomervakantie van 2007 aan [eiser] heeft betaald. Nu [gedaagde] het verweer voert dat hij heeft betaald, met als gevolg dat de verbintenis waarvan nakoming wordt gevorderd is tenietgegaan, is dat een bevrijdend verweer waarvoor hij op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering de bewijslast draagt . Met de wetenschap die de rechtbank nu heeft had de bewijsopdracht aan [gedaagde] moeten luiden dat hij in 2007 EUR 40.000,-- aan [eiser] heeft betaald. Aangezien de verhoren van de getuigen zich ook hierop hebben toegespitst, is nadere bewijslevering echter niet noodzakelijk.

Waardering van het bewijs

2.4. In het kader van het getuigenverhoor zijn gehoord [A] (de vader van [gedaagde]), [B] en [C]. Hun verklaringen luiden samengevat als volgt.

2.5. De vader van [gedaagde] heeft verklaard dat hij in 2007 EUR 13.000,-- op een spaarrekening had staan, dat hij EUR 20.000,-- heeft geleend van [B] en dat hij van de drie met name genoemde personen in totaal een bedrag van EUR 7.000,-- heeft geleend. Toen hij EUR 40.000,-- bij elkaar had heeft hij dit bedrag contant aan [eiser] gegeven. Dit vond plaats in een kamer boven in het garagebedrijf. Bij de overhandiging van het geld waren geen anderen aanwezig. Vervolgens is hij met [eiser] naar beneden gegaan. Daar waren toen ook aanwezig de twee zoons van [eiser], [D] en [E], de broer van [eiser], [F], en [C]. De vader van [gedaagde] zei toen tegen [eiser] dat hij de betaling op papier wilde zetten, waarop [eiser] antwoordde dat hij dat niet wilde omdat de sociale dienst hem dan zou pakken en het garagebedrijf al op naam van [gedaagde] stond. De vader van [gedaagde] heeft toen tegen de zoons van [eiser] gezegd dat hij hun vader EUR 40.000,-- had gegeven.

2.6. [B] heeft op 30 juni 2009 verklaard dat de vader van [gedaagde] haar twee jaar geleden heeft gevraagd om hem EUR 20.000,-- te lenen om een garagebedrijf voor [gedaagde] te openen. Op 4 juli 2007 heeft zij van haar bankrekening EUR 20.000,-- opgenomen en dit contant aan de vader van [gedaagde] gegeven. Later heeft de vader van [gedaagde] tegen haar gezegd dat hij die EUR 20.000,-- aan [eiser] had gegeven.

2.7. [C] heeft verklaard dat hij op een dag in 2007, na de zomervakantie, bij AB Auto’s was. Behalve [gedaagde] en [eiser] waren daar toen ook aanwezig de vader van [gedaagde] en de broer van [eiser]. Op een gegeven moment gingen de vader van [gedaagde] en [eiser] naar een kamertje boven in het bedrijf. Toen zij later weer naar beneden kwamen zeiden zij dat ze hadden afgerekend. De vader van [gedaagde] zei toen dat zij afscheid moesten nemen en dat hij [eiser] EUR 40.000,-- had betaald.

2.8. In het kader van het tegenverhoor zijn gehoord [eiser], zijn broer [F] en zijn zoon [D]. Hun verklaringen komen samengevat op het volgende neer.

2.9. [eiser] heeft verklaard dat [gedaagde] en diens vader in de loop van 2007 tegen hem hadden gezegd dat hij zijn geld zou krijgen. Later zeiden ze tegen hem dat hij zijn geld niet kreeg. Toen [eiser] zei dat hij dan wel naar een advocaat zou gaan zeiden ze dat als hij dat zou doen, ze aan de sociale dienst zouden melden dat hij veel bezittingen in Turkije heeft. Begin juli 2007 is [eiser] naar AB Auto’s gegaan met zijn zoons en zijn broer. [gedaagde] en diens vader waren toen in het bedrijf aanwezig, [C] was er niet. Alle aanwezigen zaten in de showroom aan een tafel en [gedaagde] en diens vader zeiden toen tegen [eiser] dat hij zijn geld na zijn vakantie zou krijgen. [eiser] is die dag niet met de vader van [gedaagde] in een kamertje boven de garage geweest. Na het verkrijgen van de toezegging van betaling zijn [eiser] en zijn genoemde weggegaan. Na zijn vakantie is [eiser] nog één keer alleen naar het garagebedrijf gegaan. Toen was [gedaagde] daar aanwezig. [gedaagde] zei toen tegen [eiser] dat hij en zijn vader hem niet gingen betalen en dat hij niet meer terug moest komen.

2.10. De broer van [eiser], [F], heeft verklaard dat hij begin juli 2007 met [eiser] en diens zoons naar het bedrijf AB Auto’s is gegaan. Daar waren [gedaagde] en diens vader. [C] was er die dag niet. Zij zaten aan een tafel in de showroom van het bedrijf en [gedaagde] en diens vader beloofden [eiser] toen dat ze hem na zijn vakantie zouden betalen. [eiser] ging daarmee akkoord. Nadat [eiser] had gezegd dat hij het goed vond dat ze hem na zijn vakantie zouden betalen, zijn zij weer weggegaan. [eiser] is die dag niet met de vader van [gedaagde] naar boven gegaan. Na de vakantie van [eiser] heeft hij hem gevraagd of hij zijn geld inmiddels had gekregen. [eiser] vertelde hem toen dat hij alleen naar de zaak was geweest, dat ze zeiden dat hij zijn geld niet zou krijgen, dat ze bedreigende woorden hebben gebruikt en dat ze hem hebben weggestuurd.

2.11. [D] heeft verklaard dat hij begin juli 2007 met zijn vader ([eiser]), diens broer [F] en zijn broer [E] naar het bedrijf AB Auto’s is gegaan. Zijn vader zou geld krijgen en dat wilde hij toen terugvragen. Daarvoor had [eiser] verteld dat [gedaagde] en diens vader tegen hem hadden gezegd dat zij, als hij naar de rechter zou stappen, tegen de sociale dienst zouden zeggen dat hij vermogen had en dat hij een garage had. [eiser] vroeg hen of ze toen wilden meegaan om te voorkomen dat er ruzie zijn ontstaan. Toen zij in AB Auto’s waren zei [eiser] tegen [gedaagde] en diens vader dat hij binnenkort op vakantie zou gaan en hij vroeg hen om zijn geld. [gedaagde] en diens vader zeiden toen dat ze het geld op dat moment niet hadden en dat ze hem na zijn vakantie zouden betalen. [C] was die dag niet aanwezig. [eiser] en de personen die hem vergezelden zijn samen het bedrijf binnengekomen en ook samen weer weggegaan. Ze wilden juist niet dat [eiser] alleen was met [gedaagde] en diens vader en [eiser] is dan ook niet met de vader van [gedaagde] naar boven gegaan. Na de vakantie vertelde [eiser] dat hij nog een keer naar AB Auto’s was gegaan in verband met de afspraken die hij eerder had gemaakt. [eiser] vertelde dat hij was weggestuurd zonder geld en dat hij weer was gechanteerd.

2.12. Naar aanleiding van deze getuigenverklaringen overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de vader van [gedaagde] en [C] is eerstgenoemde samen met [eiser] naar een kamer gegaan boven in het garagebedrijf. [eiser], zijn broer [F] en zijn zoon [D] ontkennen dit echter en zij hebben voorts allen verklaard dat [C] die dag niet aanwezig was. De vader van [gedaagde] heeft verklaard dat hij [eiser] toen EUR 40.000,-- in contanten heeft overhandigd. Geen van de overige getuigen heeft echter verklaard deze overhandiging te hebben gezien. Voorts ontbreekt ondersteunend bewijs in de vorm van een kwitantie. De verklaring van de vader van [gedaagde], dat hij beneden tegen [eiser] heeft gezegd dat hij de betaling op papier wilde zetten, wordt niet door een van de andere getuigen ondersteund. Daarnaast had het, gelet op de hoogte van het bedrag, voor de hand gelegen dat de vader van [gedaagde] voorafgaand aan de betaling de verstrekking van een kwitantie door [eiser] als voorwaarde had gesteld. De verklaring van [B] ondersteunt weliswaar de stelling van [gedaagde] dat zijn vader in juli 2007 EUR 20.000,-- van deze getuige heeft geleend, maar is onvoldoende om te concluderen dat dit geleende bedrag is gebruikt ter betaling van [eiser]. Op grond van voorgaande concludeert de rechtbank dat [gedaagde] er niet in is geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat hij in 2007 EUR 40.000,-- aan [eiser] heeft betaald. De vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen.

Wettelijke rente

2.13. [eiser] vordert wettelijke rente over EUR 40.000,-- met ingang van 1 januari 2007, althans met ingang van 12 september 2008 (de dag van de dagvaarding). Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen was voornoemd bedrag op 1 januari 2007 nog niet opeisbaar. Deze vordering wordt derhalve toegewezen met ingang van 12 september 2008.

Beslagkosten en proceskosten

2.14. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op EUR 168,58 voor verschotten en EUR 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 894,00).

2.15. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- betaald vast recht 115,00

- in debet gesteld vast recht 855,00

- salaris advocaat 3.576,00 (4,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 4.631,44

2.16. Aangezien aan [eiser] een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, zal [gedaagde] de beslag- en proceskosten aan de griffier van de rechtbank dienen te voldoen

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 40.000,00 (veertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 12 september 2008 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 1.062,58, te voldoen aan de griffier,

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 4.631,44, te voldoen aan de griffier,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.

JB/JE