Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BK9825

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
279456 / KG ZA 09-1358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Publiceren op internet zonder toestemming van eiser van zijn persoonsgegevens is onrechtmatig want in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens en met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Gedaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij over een rechtvaardigheidsgrond beschikt voor de publicatie van de betreffende gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 279456 / KG ZA 09-1358

Vonnis in kort geding van 20 januari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. G. de Gelder.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de producties (6) van de zijde van [eiser];

- de producties (2) van de zijde van [gedaagde];

- de mondelinge behandeling van 6 januari 2009;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is blijkens de gegevens van de Stichting Internet Domeinregistraties Nederland (SIDN) houder en contactpersoon van de website [sitenaam].

2.2. Sinds 16 november 2009 staat op de website [sitenaam] staat een bericht met – voor zover thans van belang – de navolgende tekst:

“(…)

[X] heeft in 1999 de stichting [stichting] opgericht. (…) De stichting [stichting] organiseert ondermeer veel activiteiten voor jongeren.

(…)

stichting van de driemaal veroordeelde pedoseksueel is ondergebracht bij een vriend van hem in [plaats]. (…) dit is toch godsonmogelijk dat we in een land als Nederland, een veroordeelde pedoseksueel nog steeds een stichting kan hebben. of dat iemand anders hem daarbij wilt helpen.

(…)

Deze [eiser] heeft een eigen website: (…) (dit is de bron van de foto hierboven) hij heeft een vrouw en schijnt samen redelijk gelukkig te zijn. Wat bezielt deze man, waarom helpt hij vermoedelijk een pedoseksueel en organiseert hij nog steeds kinderactiviteiten.

Het blijft dus een ernstige zaak dat een stichting van een veroordeelde pedoseksueel nog steeds actief kan en mag zijn, en die stichting is dus nog steeds actief in het organiseren van Jeugdactiviteiten.

[eiser] is overigens ook zeer actief binnen de Tennisclub in [plaats]. Hij zit daar in de Technische Commissie en organiseert Jeugd activiteiten. Hij organiseert Kindertoernooien bij de KNLTB tennis toernooien voor “LETOP” kinderen van 5 tot 12 jaar.

Nogmaals: wij beschuldigen deze man NIET voor pedofilie, maar wij vinden het onacceptabel dat de Stichting van [X] gewoon kan blijven bestaan, en zonder boe of bah kan worden over gezet op een voor ons nog onbekende man.

Maar de feiten liegen er niet om. wij hebben alleen de bestaande feiten aan het licht gebracht. ook als de man uit goede bedoelingen heeft gehandeld (wat voor ons onwaarschijnlijk is) vinden wij ons plicht om dit aan de kaak te stellen. want er zit zoveel smet op deze stichting dat het voortbestaan onmogelijk is geworden. wij willen dan ook dat er kamer vragen worden gesteld. en dat in de wet duidelijk moet worden vastgelegd dat als een stichting (die met kinderen werkt) waarvan de verantwoordelijke drie keer wordt veroordeeld voor Kindermisbruik en Kinderverkrachting opgeheven moet worden.

(…)

Wij hebben besloten om hem op te bellen:

Luister hier naar de Verklaring [eiser].

Zoals u kunt horen weet Dhr [eiser] donders goed waar hij mee bezig is. Hij helpt een veroordeelde pedoseksueel, die maar liefst 3 keer is veroordeeld, en helpt zo ook [X] om zijn Stichting bij hem onder te brengen. Zelfs haalt [X] de post daar op!! zou [X] ook daar verblijven?

Wordt vervolgt. (…)”

2.3. Naast de voornaam, achternaam en adresgegevens van [eiser] en zijn lidmaatschap bij de KNLTB zijn op de website [sitenaam] ook een telefoonnummer van [eiser], het adres van zijn website, specifieke informatie over zijn freelance bedrijf en een foto van hem gepubliceerd.

2.4. [eiser] is de zwager van [X].

2.5. Op 31 december 2009 is een bericht op de website [sitenaam] geplaatst waarin wordt vermeld dat de Stichting [stichting] [plaats] is verhuisd naar een postbus in [plaats].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [gedaagde] zal bevelen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de persoonsgegevens en foto(‘s) van [eiser] van de website [sitenaam] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. [gedaagde] zal verbieden de persoonsgegevens en foto(‘s) van [eiser] te verwerken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.000,-- bij wijze van voorschot op door hem te vorderen schadevergoeding;

IV. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt – kort gezegd – aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd en pleegt door het publiceren van zijn persoonsgegevens en het niet verwijderen van die gegevens.

3.3. Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding. [gedaagde] is van mening dat hij niet heeft gehandeld in strijd met de wet. In het kader van een belangenafweging dient, zo stelt [gedaagde], het recht op vrijheid van meningsuiting en het algemeen en maatschappelijk belang om misstanden op het gebied van kindermisbruik aan te kaak te stellen te prevaleren boven het belang van [eiser] bij de bescherming van zijn levenssfeer. Op de website [sitenaam] is slechts feitelijke informatie gepubliceerd. [eiser] heeft ook nimmer een sommatiebrief aan hem gestuurd om zijn persoonsgegevens van de website te verwijderen, aldus [gedaagde].

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang bij de vorderingen vloeit voldoende voort uit de stellingen van [eiser].

4.2. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat op grond van artikel 8 van de toepasselijke Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) persoonsgegevens (al dan niet met foto) slechts op internet gepubliceerd mogen worden indien de betrokkene daarvoor ondubbelzinnig zijn toestemming heeft verleend of indien – kort gezegd – er een aantoonbare noodzaak bestaat voor publicatie van de betreffende gegevens. Met de publicatie wordt immers inbreuk gemaakt op het – in vele vormen in het Nederlandse rechtssysteem verankerde – recht op een persoonlijke levenssfeer en het is in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven verkeer in het maatschappelijk verkeer betaamt. Eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt beschouwd als een essentiële voorwaarde voor een menswaardig bestaan en als een van de grondslagen van onze rechtsorde. Eenieder heeft het recht op bescherming tegen de ongebreidelde vergaring, bewerking en verspreiding van zijn persoonsgegevens (CBP Richtsnoeren Publicatie van persoonsgegevens op internet, in werking getreden op 11 december 2007).

4.3. Vaststaat dat [gedaagde] de persoonlijke informatie over [eiser] zonder diens toestemming op de website [sitenaam] heeft geplaatst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] daarmee in beginsel inbreuk gemaakt op de persoonlijke levensfeer van [eiser] en dus onrechtmatig jegens hem gehandeld. De stelling van [gedaagde] dat hij enkel informatie heeft gebruikt die [eiser] zelf op het internet heeft gezet, doet hieraan niet af.

4.4. [gedaagde] is van mening dat een stichting, die een veroordeelde pedoseksueel als bestuurder heeft en mogelijk nog jeugdactiviteiten organiseert geen bestaansrecht heeft. Deze mening mag [gedaagde], zo stelt hij, vrijelijk uiten. Volgens [gedaagde] is het een maatschappelijke taak om wantoestanden aan de orde te stellen en te waarschuwen voor het bestaan van de stichting. In het kader van een belangenafweging dient dan ook, zo stelt [gedaagde], de behartiging van deze belangen zwaarder te wegen dan het recht op een persoonlijke levensfeer. De voorzieningenrechter komt echter niet toe aan deze belangenafweging. Er is immers gesteld noch gebleken dat voor de behartiging van de door [gedaagde] gestelde belangen de publicatie van de persoonsgegevens van [eiser] noodzakelijk is, waarom dat niet zonder de publicatie van deze gegevens kan. [gedaagde] heeft daarmee voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij over een rechtvaardigheidsgrond beschikt voor de publicatie van de persoonsgegevens van [eiser].

4.5. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat [eiser] voorafgaand aan dit kort geding geen verzoek ex artikel 36 Wbp bij hem heeft ingediend tot verwijdering van de persoonsgegevens dan wel op andere wijze hem heeft gesommeerd. De wet bepaalt echter niet dat eerst de in artikel 36 Wbp opgenomen regeling tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van persoonsgegevens dient te worden gevolgd voordat een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. De omstandigheid dat [gedaagde] niet eerder is gesommeerd tot verwijdering van de persoonsgegevens van [eiser] doet ook niet af aan de onrechtmatigheid van de publicatie van die gegevens.

4.6. Het vorenstaande brengt met zich dat de vordering onder I. voor toewijzing vatbaar is, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom op de hierna te melden wijze zal worden beperkt en gemaximeerd.

4.7. De vordering onder II. [gedaagde] te verbieden persoonsgegevens van [eiser] te verwerken wordt afgewezen, omdat die vordering onvoldoende bepaald is.

4.8. De vordering onder III. tot voorschot op een schadevergoeding wordt afgewezen, nu van een spoedeisend belang bij dit onderdeel van de vordering niet is gebleken en overigens de vordering onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

4.9. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 330,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.231,98

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. beveelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de persoonsgegevens en foto(‘s) van [eiser] van de website [sitenaam] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden;

5.2. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van EUR 100,00 per dag dat hij nalaat aan het bevel gehoor te geven, met een maximum van EUR 50.000,00;

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.231,98,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.

JdK