Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BK9779

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
279064 / KG ZA 09-1317
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseressen vorderen dat gedaagde wordt veroordeeld tot staking van de bouw van vier dubbele woningen op de percelen waarvan eiseressen eigenaar zijn. Voor een van de percelen geldt, dat eiseres sub 1 ten behoeve van gedaagde een recht van opstal heeft gevestigd. Niet in geschil is, dat voor de bouw op het perceel van eiseres sub 1 voorafgaande schriftelijke toestemming van eiseres sub 1 is vereist en dat eiseressen nooit expliciet toestemming voor de bouw van de woningen op hun percelen hebben verleend. Gedaagde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseressen impliciet toestemming voor de bouw van de woningen op de huidige locatie hebben verleend. Gedaagde pleegt daarom inbreuk op de eigendomsrechten van eiseressen door desondanks op de percelen te bouwen. Gelet op de wederzijdse belangen van partijen wordt het stopzetten van de bouw voor gedaagde niet onaanvaardbaar geacht. De gevorderde bouwstop wordt om deze redenen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 279064 / KG ZA 09-1317

Vonnis in kort geding van 20 januari 2010

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING BARTIMÉUS SONNEHEERDT,

gevestigd te Doorn,

2. de stichting

BARTIMÉUS, STICHTING TOT BEHEER VAN PARTICULIERE MIDDELEN,

gevestigd te Doorn,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.P.M. de Laat,

tegen

de stichting

STICHTING BARTIMÉUS SONNEHEERDT,

gevestigd te gemeente Utrechtse Heuvelrug, kantoorhoudende te Doorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. W.K. Bischot.

Eiseressen sub 1 en 2 zullen hierna respectievelijk als de Vereniging en Stichting BPM worden aangeduid. Eiseressen zullen gezamenlijk de Vereniging c.s. worden genoemd. Gedaagde zal hierna de Stichting worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de producties aan de zijde van de Vereniging c.s. (39);

- de producties aan de zijde van de Stichting (18);

- de mondelinge behandeling van 4 januari 2010;

- de pleitnota van de Vereniging c.s.;

- de pleitnota van de Stichting;

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Vereniging, opgericht op 14 oktober 1915, heeft blijkens haar statuten ten doel het (financieel) mogelijk maken en bevorderen van al datgene wat nodig is voor mensen met een visuele beperking in de meest ruime zin van het woord, zowel in Nederland als daar buiten. Zij verwezenlijkt haar doel onder meer door het ondersteunen van de Stichting, maar ook door het verlenen van steun aan of ten behoeve van andere personen of voorzieningen, mits dat geschiedt in directe samenwerking met de doelstelling en de grondslag van de Vereniging.

2.2. Stichting BPM is opgericht op 23 september 1963 en stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel het verlenen van financiële steun aan de Vereniging, het realiseren, exploiteren en in stand houden van accommodaties, alsmede het verrichten van activiteiten op het gebied van de volkshuisvesting. Het bestuur van Stichting BPM wordt gevormd door de leden van het bestuur van de Vereniging.

2.3. De Stichting is opgericht op 23 december 1997 als gevolg van een herschikking van de activiteiten van de Vereniging, waarbij de zorgactiviteiten van de Vereniging zijn overgedragen aan de Stichting. De Stichting is een zorginstelling die blijkens haar statutaire doel de belangen behartigt van mensen met een visuele beperking en mensen met een visuele en verstandelijke handicap. De Stichting verleent deze zorg vanaf een aantal locaties, onder meer te Doorn aan de Oude Arnhemse Bovenweg.

2.4. De Vereniging en Stichting BPM zijn eigenaar van een aantal onroerende zaken, waaronder de locatie in Doorn waarop de Stichting gevestigd is. Dit betreft de kadastrale percelen, plaatselijk bekend gemeente Doorn, sectie A, nummers 6812 en 7388 (het noordelijke deel van de locatie te Doorn, eigendom van de Vereniging) en de nummers 7244 en 7728 (het zuidelijke deel van de locatie te Doorn, eigendom van Stichting BPM).

2.5. Op 28 december 2000 hebben de Vereniging en de Stichting bij de notaris een opstalakte laten passeren (hierna: de opstalakte). In artikel 1 van deze opstalakte is bepaald dat de Vereniging voor onbepaalde tijd ten behoeve van de Stichting een recht van opstal vestigt, inhoudende het in eigendom hebben van gebouwen, gelegen op onder meer het perceel kadastraal bekend gemeente Doorn, sectie A, nummer 6812, welke gebouwen met streeparcering zijn aangegeven op de aan deze akte gehechte tekening met nummer I.

2.6. Op 13 september 2001 hebben de Vereniging en de Stichting een rectificatieakte laten passeren, waarin is bepaald dat artikel 9 lid 1 van de opstalakte dient te worden aangevuld met de bepaling sub d, inhoudende dat het de Stichting zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Vereniging verboden is om te bouwen of opstallen te plaatsen op grond welke thans nog niet bebouwd is.

Ingevolge artikel 12 lid 1 van de opstalakte kunnen in alle gevallen waarin schriftelijke voorafgaande toestemming van de Vereniging is vereist, aan een toestemming voorwaarden worden verbonden.

2.7. Partijen hebben vanaf 2003 overleg gevoerd over de wens van de Stichting om vier dubbele zorgwoningen (hierna tevens: de woningen) te bouwen op de locatie te Doorn. Partijen hebben daarbij tevens gesproken over een inventarisatie van het aanwezige onroerend goed en een voorgenomen herontwikkeling van het aanwezige onroerend goed op de verschillende locaties. In de periode vanaf 2008 hebben partijen onderhandeld over het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot de herstructurering van de gronden en de opstallen van de Vereniging en Stichting BPM en de opstallen van de Stichting (de zogenaamde ‘package deal’). Partijen hebben over deze package deal geen overeenstemming kunnen bereiken.

2.8. Op 4 december 2008 heeft de Stichting bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug een bouwvergunning aangevraagd voor het oprichten van vier dubbele zorggebouwen op het perceel kadastraal bekend gemeente Doorn, Sectie A, nummer 6812, dat eigendom is van de Vereniging. Deze vergunning is verkregen op 6 augustus 2009.

2.9. De Stichting is op 5 november 2009 gestart met de bouwwerkzaamheden voor de oprichting van de woningen in het zuidelijke deel van de locatie te Doorn, nabij een gebouw genaamd “Nieuw Ruimzicht”. Daarbij wordt niet alleen op het kadastrale perceel nummer 6812 gebouwd, maar ook op het perceel nummer 7244 dat eigendom is van de Stichting BPM. De Vereniging c.s. heeft bij brief van 6 november 2009 bezwaar gemaakt tegen de bouw, aangezien hierover geen overeenstemming is bereikt, en heeft de Stichting gesommeerd de bouw te staken. De Stichting heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

2.10. Bij brief van 13 november 2009 heeft de Vereniging c.s. een vaststellingsovereenkomst aan de Stichting voorgelegd. Partijen hebben hierover echter geen overeenstemming kunnen bereiken.

3. Het geschil in conventie

3.1. De Vereniging c.s. vordert om de Stichting bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen één dag na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de bouw van vier dubbele zorgwoningen op de locatie te Doorn, plaatselijk bekend Oude Arnhemse Bovenweg, gelegen op de percelen kadastraal bekend gemeente Doorn, sectie A nummers 6812 en 7244, te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van dwangsommen aan elk van eiseressen ad EUR 5.000,-- per dag dat de Stichting daarmee in strijd handelt, met een maximum van EUR 500.000,--, althans zodanige bedragen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van deze procedure.

3.2. De Stichting voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. De Stichting vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

A. de Vereniging te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de Stichting schriftelijk toestemming te verlenen op de voet van artikel 9 lid 1 sub d van de rectificatieakte voor het plaatsen van de opstallen die onderdeel uitmaken van het bouwplan zoals dat vastligt in productie 18, zodat deze opstallen onderdeel gaan uitmaken van het opstalrecht dat de Stichting heeft op het perceel grond gelegen te Doorn aan de Arnhemse Bovenweg met kadastraal nummer A6812;

B. Stichting BPM te veroordelen mee te werken aan het vestigen van een opstalrecht op het perceel grond gelegen te Doorn aan de Driebergsestraatweg met kadastraal nummer 7244 op de opstallen die zijn vermeld op de tekening die is overgelegd als productie 18 en overigens zoveel mogelijk onder de voorwaarden die ook het opstalrecht van de Stichting jegens de Vereniging beheersen, één en ander op zodanige wijze dat vestiging uiterlijk binnen 30 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden;

C. de Vereniging en Stichting BPM te veroordelen om binnen de sub B genoemde termijn mee te werken aan de totstandkoming van eventuele nadere afspraken die nodig zijn in het kader van het opstalrecht van de Stichting;

D. voor wat betreft de vordering sub A en B bovendien onder bepaling dat op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 1, respectievelijk lid 2 juncto artikel 3:89 van het Burgerlijk Wetboek, het vonnis in de plaats treedt van de schriftelijke toestemming, respectievelijk de opstalakte als deze niet binnen de sub A, respectievelijk sub B genoemde termijn/voorwaarden is verleend c.q. opgesteld en ingeschreven, zodat dit vonnis door de Stichting kan worden ingeschreven teneinde de uitbreiding c.q. vestiging van het opstalrecht te voltooien;

E. indien en voor zover de vordering sub D niet zou worden toegewezen, wat betreft de vordering sub A en B onder oplegging van een dwangsom van EUR 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de Vereniging respectievelijk Stichting BPM in gebreke blijft met de voldoening van het vonnis;

G. met hoofdelijke veroordeling van de Vereniging en Stichting BMP in de kosten van het geding in reconventie.

4.2. De Vereniging c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. De Vereniging c.s. baseert haar vordering tot het opleggen van een bouwstop op onrechtmatige daad. Zij stelt dat zij geen toestemming heeft verleend voor de bouw van de woningen, zodat er sprake is van een inbreuk op haar eigendomsrecht die zij niet hoeft te dulden.

5.2. De Stichting erkent dat voor de bouw van de vier woningen op grond van artikel 9 lid 1 sub d van de opstalakte, zoals aangevuld bij de rectificatieakte, voorafgaande schriftelijke toestemming van de Vereniging vereist is en dat ook Stichting BPM toestemming dient te verlenen voor het bouwen op haar perceel. Tevens erkent de Stichting dat de Vereniging c.s. nooit expliciet schriftelijk toestemming voor de bouw van de woningen heeft verleend.

5.3. De Stichting stelt zich echter primair op het standpunt dat de Vereniging c.s. desondanks impliciet toestemming voor de bouw van de woningen heeft gegeven op de huidige locatie en dat van de Vereniging c.s. mag worden verwacht dat zij deze impliciete toestemming formaliseert. Gelet hierop stelt de Stichting dat zij niet onrechtmatig jegens de Vereniging c.s. handelt door op de percelen 6812 en 7244 bouwwerkzaamheden te verrichten. Volgens de Stichting kan voor het verlenen van toestemming niet als voorwaarde worden gesteld dat ook overeenstemming wordt bereikt over de package deal.

5.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de Vereniging blijkens haar statuten een ruimere doelstelling heeft dan de Stichting. Zij verwezenlijkt haar doel niet uitsluitend door het ondersteunen van de Stichting, maar ook door het verlenen van steun aan of ten behoeve van andere personen of voorzieningen, mits dat geschiedt in directe samenhang met de doelstelling en de grondslag van de Vereniging. Stichting BPM stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel het verlenen van financiële steun aan de Vereniging, het realiseren, exploiteren en in stand houden van accommodaties en het verrichten van activiteiten op het gebied van de volkshuisvesting. Gelet hierop staat het de Vereniging c.s. vrij om bij het al dan niet verlenen van toestemming voor de bouw van de woningen ook andere belangen mee te wegen dan uitsluitend het belang van de Stichting en ook bij het eventueel verbinden van voorwaarden aan de toestemming met deze andere belangen rekening te houden. De wens van de Vereniging c.s. om met de Stichting te onderhandelen over een package deal en als voorwaarde te stellen dat over elk onderdeel van de package deal overeenstemming moet zijn bereikt alvorens toestemming voor bouwactiviteiten kan worden gegeven, is in dit licht bezien gerechtvaardigd.

5.5. In deze procedure draagt de Stichting de bewijslast voor haar stelling dat de Vereniging c.s. impliciet toestemming heeft gegeven voor de bouw van de woningen op de huidige locatie, nu zij zich op de rechtsgevolgen van deze stelling beroept. De Stichting heeft ter onderbouwing van haar stelling verwezen naar de correspondentie en de gespreksverslagen van de Vereniging en de Stichting met betrekking tot de bouwplannen, waaronder een brief van de Vereniging aan de Stichting van 20 december 2006. In deze brief heeft de Vereniging als reactie op een brief van de Stichting van 5 december 2006 onder meer het volgende geschreven.

“Aanpassing bestemmingsplan Doorn

Het bestuur is van mening dat bebouwing rondom het gebouw Nieuw Ruimzicht ongewenst is. Zij wil meewerken aan de wijziging van het bestemmingsplan, mits de bebouwing zoals weergegeven in het zwartwit figuur 3 (rechtsonder) op pagina 6 verder naar achteren wordt geschoven (bij voorkeur eerste woning meer richting lijn parkeerplaats). Overigens is niet de Vereniging, maar de Stichting Beheer Particuliere Middelen eigenaar van dit terrein.”

5.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit deze brief geen impliciete toestemming voor de bouw van de vier woningen op de huidige locatie kan worden afgeleid. De Vereniging heeft immers in deze brief haar medewerking aan de wijziging van het bestemmingsplan afhankelijk gesteld van de verschuiving van de woningen naar achteren. Niet in geschil is, dat de beoogde locatie van de woningen sindsdien nog verschillende malen is gewijzigd. Daarnaast geldt, dat toestemming voor de bouw van de woningen niet los kan worden gezien van andere afspraken die voor realisering van de nieuwbouw nodig zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot financiering en exploitatie. Van belang is voorts, dat de Vereniging c.s. als eigenaar van de percelen in beginsel door natrekking eigenaar zal worden van de woningen en in die hoedanigheid ook de risicoaansprakelijkheid voor deze opstallen zal dragen. Partijen dienden dan ook nadere afspraken te maken over de rechtstoestand van de te bouwen woningen, bijvoorbeeld door het vestigen van opstalrechten of andere beperkte rechten dan wel het eventueel overdragen van gronden in eigendom. Deze afspraken zijn echter niet gemaakt. In tegenstelling tot hetgeen de Stichting ten aanzien van de Vereniging stelt, zullen de woningen niet automatisch onder de opstalakte vallen. In de opstalakte zijn immers alleen opstalrechten gevestigd op de gebouwen die in de aangehechte tekening met streeparcering zijn aangegeven.

5.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan ook uit de overige correspondentie en de gespreksverslagen die partijen in deze procedure hebben overgelegd, niet worden afgeleid dat de Vereniging c.s. impliciet toestemming heeft gegeven voor de bouw van de woningen. Uit deze stukken blijkt juist dat de Stichting er meerdere malen op is gewezen dat de Vereniging c.s. eigenaar is van de percelen waarop de Stichting wenst te bouwen en dat zij aan de bouw van de woningen formeel goedkeuring dient te verlenen. Door de Vereniging c.s. is gesteld dat zij geweigerd heeft haar medewerking te verlenen aan het aanvragen van een bouwvergunning voor de bouw van de vier woningen, waarna de Stichting de aanvraag op 4 december 2008 op eigen naam heeft ingediend. Dit is door de Stichting niet gemotiveerd betwist. Blijkens het samenvattend verslag van de vergadering van de Vereniging en de Stichting d.d. 13 januari 2009 (dagvaarding, productie 27, pagina 2) is van de kant van de Vereniging bovendien aangegeven dat zij “niet verantwoordelijk kan en wil worden gehouden voor een tekort bij een nieuwbouw waarin zij niet participeert, tot nu toe weinig inzicht heeft en waarover tot op heden ook geen enkele vorm van overeenstemming kon worden bereikt.”

5.8. Aan de stelling van de Stichting dat de Vereniging c.s. niet heeft gereageerd op een aantal stukken waarin informatie over de bouwplannen is gegeven, kan ook niet de conclusie worden verbonden dat de Vereniging c.s. daarmee stilzwijgend met de bouwplannen heeft ingestemd. In dit verband is tevens van belang, dat uit de correspondentie en de gespreksverslagen blijkt dat de Vereniging meerdere keren heeft aangegeven dat zij onvoldoende over de bouwplannen werd geïnformeerd. Voorts heeft de Vereniging c.s. betwist dat zij de bouwinformatiekrant van de Stichting met informatie over de voortgang van de bouw heeft ontvangen. Ten slotte kan uit de door de Vereniging c.s. toegezegde medewerking aan een grondruil met de stichting PKN (Protestantse Kerk in Nederland) naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin impliciete toestemming met de bouw van de woningen op de huidige locatie worden afgeleid.

5.9. Gezien het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat de Stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Vereniging c.s. tegenover haar het vertrouwen heeft gewekt dat zij instemde met de bouw van de woningen op de huidige locatie. Er moet in deze procedure daarom vanuit worden gegaan dat de Vereniging c.s. expliciet noch impliciet toestemming voor de bouw heeft verleend. De Stichting pleegt daarom inbreuk op de eigendomsrechten van de Vereniging c.s. door desondanks op de percelen te bouwen.

5.10. De Stichting stelt zich subsidiair op het standpunt dat, gelet op de wederzijdse belangen van partijen, van het opleggen van een bouwstop dient te worden afgezien. Zij voert daartoe aan dat de Vereniging c.s. als ondersteunende rechtspersoon van de Stichting het doel heeft om de Stichting te ondersteunen bij het realiseren van haar doelstelling, te weten het bieden van goede zorg aan blinden en slechtzienden. De Vereniging c.s. dient haar middelen voor dat doel aan te wenden en het is evident dat de bouw van de woningen dit doel dient. Het wooncomplex in Doorn van de Stichting is volstrekt verouderd en had op last van het Ministerie van VWS al moeten zijn vervangen. Met een bouwstop is het risico zeer groot dat het Ministerie de toelating intrekt. Voorts zou een bouwstop leiden tot aanzienlijke materiële schade en tot immateriële schade bij de bewoners.

5.11. De voorzieningenrechter overweegt dat de Vereniging c.s. blijkens haar statuten een ruimere doelstelling heeft dan de Stichting en dat zij gelet hierop bevoegd is haar middelen ook voor andere doeleinden dan de Stichting aan te wenden. Het is de Vereniging dan wel de Stichting BPM die eigenaar is van de percelen op de locatie te Doorn en die zeggenschap heeft over het vermogen dat door schenkingen, legaten en erfstellingen is gevormd. De Stichting heeft alleen een recht van opstal op de bestaande gebouwen. Het Ministerie van VWS heeft bij brief van 26 januari 2000 toestemming verleend voor de constructie waarin een aantal onroerende zaken wordt overgedragen aan de Stichting door het vestigen van rechten van opstal, waarbij de terreinen behorend bij de onroerende zaken eigendom blijven van de Vereniging. Achtergrond van deze regeling is, dat deze onroerende zaken in het verleden volledig met gelden van Bartiméus zijn verworven, zodat er geen sprake is van het weglekken van AWBZ-gelden naar de private sector. De stelling van de Stichting dat de schenkingen, legaten en erfstellingen bestemd waren voor de zorginstelling Bartiméus, kan niet tot de conclusie leiden dat de Stichting hierdoor ook zeggenschap zou hebben over de percelen op de locatie te Doorn, anders dan binnen de grenzen van het haar toegekende recht van opstal, en over het vermogen. Dit standpunt van de Stichting zou juist tot gevolg hebben dat private middelen weglekken naar de publieke sector.

5.12. Door de Vereniging c.s. wordt niet betwist dat de Stichting belang heeft bij voortzetting van de bouwactiviteiten ten behoeve van de nieuwbouw, omdat de huidige huisvesting verouderd is. Van de kant van de Stichting is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er spoedeisende redenen waren om begin november 2008 al met de bouw een aanvang te maken. De stelling van de Stichting dat zij het risico loopt dat haar toelating als zorginstelling door het Ministerie wordt ingetrokken indien geen voortgang met de nieuwbouw kan worden aangetoond, is door de Vereniging c.s. betwist en is vervolgens door de Stichting onvoldoende nader onderbouwd, zodat de voorzieningenrechter aan deze stelling voorbij gaat.

5.13. De Vereniging c.s. heeft ter onderbouwing van haar belangen bij het opleggen van een bouwstop onder meer het volgende aangevoerd. Door de locatie van de woningen, te weten in een lijnopstelling in zuidelijke richting over het perceel, wordt het zuidelijk deel van de locatie te Doorn in twee stukken verdeeld en is deze sterk verminderd bruikbaar. Het is goed mogelijk dat de Vereniging c.s. bij gebreke van overeenstemming met de Stichting deze gronden voor andere doeleinden zal aanwenden dan voor huisvesting van de Stichting. Bovendien zijn er volgens de Vereniging c.s. in het noordelijk deel voldoende alternatieve locaties voorhanden en heeft de Stichting niet dan wel onvoldoende inzichtelijk gemaakt om welke reden sloop van de bestaande opstallen en het realiseren van vervangende nieuwbouw op de reeds in opstal gegeven locaties op het noordelijk deel niet tot de mogelijkheden zou behoren. Er zijn tussen partijen geen afspraken gemaakt over de rechtstoestand van de te bouwen woningen en over het vestigen van erfdienstbaarheden voor de ontsluiting van de gebouwen. Evenmin zijn afspraken gemaakt omtrent beheer, onderhoud, verzekering, beveiliging en toegang van de woningen. Ook de fiscale gevolgen van de bouw van de woningen zijn niet duidelijk. De Vereniging heeft er voorts op gewezen dat zij op grond van haar statuten en de CBF-Keur voorschriften gehouden is om zorgvuldig om te gaan met de haar toevertrouwde middelen, die grotendeels uit giften verworven zijn. Dit is ook de reden waarom zij met de Stichting tot een alles omvattende regeling wenst te komen. Ten slotte heeft de Vereniging c.s. aangevoerd dat de bouw zich nu nog in de funderingsfase bevindt en dat hogere verwijderingskosten kunnen worden bespaard door nu de bouw stil te leggen.

5.14. De Vereniging c.s. heeft hiermee naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar spoedeisend belang bij het stopzetten van de bouwactiviteiten voldoende aannemelijk gemaakt. De belangen die de Stichting heeft aangevoerd acht de voorzieningenrechter niet dusdanig dringend dat het stopzetten van de bouw daardoor onaanvaardbaar zou zijn. Voor wat betreft de materiële schade van EUR 300.000,-- per maand die de Stichting stelt te zullen leiden als gevolg van een bouwstop, overweegt de voorzieningenrechter dat de Vereniging c.s. de hoogte van deze schade heeft betwist en dat de Stichting deze schade vervolgens niet nader heeft onderbouwd. Bovendien dient deze schade voor risico van de Stichting te komen, nu zij willens en wetens zonder toestemming van de Vereniging c.s. gestart is met de bouwwerkzaamheden. Voor de door de Stichting gestelde immateriële schade bij de bewoners geldt eveneens dat deze door de Vereniging c.s. is betwist en vervolgens onvoldoende door de Stichting nader is onderbouwd. Gelet op de belangen van de Vereniging c.s. bij het bereiken van een alles omvattende regeling over het vastgoed, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk dat de Vereniging c.s. misbruik maakt van haar bevoegdheid om een bouwstop te vorderen en dat zij hiermee slechts beoogt de Stichting in het kader van de onderhandelingen onder druk te zetten.

5.15. Gezien het voorgaande zal de vordering tot het opleggen van een bouwstop worden toegewezen, evenals de gevorderde dwangsommen.

5.16. De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Vereniging c.s. worden gezamenlijk begroot op:

- dagvaarding EUR 85,72

- vast recht 262,--

- salaris advocaat 816,--

Totaal EUR 1.163,72

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Uit de omstandigheid dat de vordering van de Vereniging c.s. tot het opleggen van een bouwstop in conventie is toegewezen, volgt dat de vorderingen in reconventie, die daarvan het spiegelbeeld vormen, zullen worden afgewezen.

6.2. De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Vereniging c.s. worden begroot op EUR 408,--

(factor 0,5 × tarief EUR 816,--) voor salaris advocaat.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt de Stichting om binnen één dag na betekening van dit vonnis de bouw van vier dubbele zorgwoningen op de locatie te Doorn, plaatselijk bekend Oude Arnhemse Bovenweg, gelegen op de percelen kadastraal bekend gemeente Doorn, sectie A nummers 6812 en 7244, te staken en gestaakt te houden;

7.2. bepaalt dat de Stichting voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 7.1. bepaalde, aan de Vereniging en aan de Stichting BPM elk een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,--, tot een maximum van EUR 500.000,-- ;

7.3. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van de Vereniging c.s. tot op heden begroot op EUR 1.163,72;

7.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.5. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

7.6. wijst de vorderingen af;

7.7. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van de Vereniging c.s. tot op heden begroot op EUR 408,--;

7.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.M. de Wolf en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.

MS