Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BK9277

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
236169 / FA RK 07-5113 en 243088 / FA RK 08-479
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijksvoorwaarden. Stelplicht, bewijslast.

Periodiek verrekenbeding met bandbreedte en afwijkende verhoudingen (verrekening anders dan bij helfte). Is er verrekend? Ontstaat er door niet verrekenen een gemeenschap van goederen? Peildatum.

Schenking in natura (door arbeid).

Vergoedingsvorderingen. Vervalbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 236169 / FA RK 07-5113 en 243088 / FA RK 08-479

Beslissingen na echtscheiding

Beschikking van 13 januari 2010

in de zaak van

[X],

voorheen wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.L. Verhoeven,

tegen

[Y],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. E.M. van Zelm, nu mr. P.C. van As.

1. Verloop van de procedure

Op 23 april 2008, 8 oktober 2008 en 23 december 2009 heeft de rechtbank eerdere beschikkingen gegeven tussen partijen, die betrekking hadden op de echtscheiding en een deel van de nevenverzoeken. Voor het verloop van de procedure met betrekking tot die onderwerpen (zaaknummer 236169 / FA RK 07-5113) wordt verwezen naar die beschikkingen.

De behandeling van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden (afzonderlijk zaaknummer 243088 / FA RK 08-479) is voortgezet op de zitting met gesloten deuren van 1 september 2009. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken die voor die datum over dat onderwerp zijn ingediend, en bovendien van de brief van mr. Van As van 10 september 2009 en de brief van mr. Verhoeven van 12 november 2009.

2. Vaststaande feiten

Hiervoor verwijst de rechtbank naar de beschikkingen van 23 april 2008 en 8 oktober 2008.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. In de eerdere beschikkingen heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en enige nevenvoorzieningen gegeven. In deze beschikking is alleen aan de orde de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. De alimentatieverzoeken zullen afzonderlijk verder behandeld worden.

3.2. Partijen hebben op 8 augustus 2000, kort voor hun huwelijk op 10 augustus 2000, huwelijksvoorwaarden gemaakt. Daarin is iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. De huwelijksvoorwaarden bevatten onder meer een regeling voor de kosten van de huishouding, een periodiek verrekenbeding en een vordering van de vrouw op de man in verband met de woning. Voor zover nodig zal de rechtbank hierna meer in detail ingaan op de inhoud van de huwelijksvoorwaarden.

3.3. De vrouw heeft aangevoerd dat zij bij het maken van de huwelijksvoorwaarden hoogzwanger was en dat zij daardoor heeft ingestemd met voor haar ongunstige huwelijksvoorwaarden. Voor zover zij daarmee bedoelt te zeggen dat de huwelijksvoorwaarden vernietigbaar zijn wegens misbruik van omstandigheden, heeft zij echter onvoldoende gesteld. Dat zij op dat moment zwanger was, staat vast (de oudste dochter is geboren op 19 augustus 2000). De man betwist echter dat zij daardoor niet goed voor zichzelf kon opkomen én dat hij daarvan misbruik gemaakt zou hebben (in de zin van artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De vrouw heeft dit standpunt onvoldoende nader toegelicht of onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

3.4. Voor zover de vrouw bedoelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om haar te houden aan de huwelijksvoorwaarden (artikel 6:248 lid 2 BW), heeft zij ook daarvoor onvoldoende gesteld. Het feit dat zij vier kinderen ter wereld heeft gebracht is daarvoor onvoldoende, mede omdat partijen bij het maken van de huwelijksvoorwaarden rekening gehouden moeten hebben met de mogelijke geboorte van één of meer kinderen.

3.5. Uitgangspunt voor de afrekening zijn dus de huwelijksvoorwaarden. Dat wordt niet anders door het feit dat sinds 2002 de wet een regeling bevat voor verrekenbedingen in huwelijksvoorwaarden (de artikelen 1:132 tot en met 1:148 BW). De vrouw heeft het standpunt ingenomen dat deze regeling de huwelijksvoorwaarden van partijen opzij zet. De wetswijziging vormde echter in hoofdzaak een codificatie van bestaand recht, dat ontwikkeld was in de jurisprudentie en als zodanig ook al gold toen partijen hun huwelijksvoorwaarden maakten. Bovendien bestaat de wettelijke regeling grotendeels niet uit dwingend maar uit regelend recht: artikel 1:132 lid 2 BW. Dat wil zeggen dat deze bepalingen niet van toepassing zijn, wanneer de huwelijksvoorwaarden zelf een afwijkende regeling bevatten. Alleen voor zover de huwelijksvoorwaarden in strijd zijn met bepalingen van dwingend recht (hetzij wettelijk, hetzij ontwikkeld in de jurisprudentie), zullen de huwelijksvoorwaarden terzijde gesteld worden. Of die huwelijksvoorwaarden tot stand gekomen zijn vóór of na de wetswijziging, doet daarvoor in beginsel niet ter zake.

de woning, hypotheek en levensverzekering

3.6. Hoewel de huwelijksvoorwaarden van partijen iedere huwelijksgoederengemeenschap uitsluiten, is tussen hen wel een eenvoudige gemeenschap ontstaan, doordat zij samen eigenaar zijn van de woning [adres] te [woonplaats]. Ook zijn zij gezamenlijk schuldenaar voor de hypotheekschuld.

Zij zijn het erover eens dat deze woning, met de hypotheekschuld, kan worden toegescheiden aan de vrouw, onder verrekening van de overwaarde. De man heeft daarbij overigens de voorwaarde gesteld dat hij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Aangezien partijen, voor zover de rechtbank bekend, samen eigenaar zijn van de woning, elk voor de onverdeelde helft, dient de overwaarde bij helfte verdeeld te worden (afgezien van verrekenposten).

3.7. Na de zitting van 1 september 2009 hebben partijen in overleg de woning laten taxeren. Mr. Verhoeven heeft het taxatierapport overgelegd; daarin is de waarde bepaald op € 725.000. Beide partijen hebben daarmee ingestemd, de man onder de voorwaarde dat dit onderdeel wordt afgewikkeld vóór 1 juli 2010.

3.8. Aan de hypotheek is gekoppeld een spaarlevenverzekering. Ook deze moet verdeeld worden. De rechtbank gaat ervan uit dat de polis zal worden toegescheiden aan de vrouw. De peildatum kan gesteld worden op de zelfde datum als waarop de waarde van de woning bepaald is, dat is 22 september 2009. De vrouw zal een bewijsstuk van de waarde op die datum moeten overleggen.

de vergoedingsvordering in verband met de woning

3.9. In de huwelijksvoorwaarden is vastgelegd dat de vrouw uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom betaald heeft, en dat zij daarom een vordering op de man heeft van ƒ 50.000, jaarlijks te verminderen met 1/30 deel. Partijen zijn het erover eens dat dit verband houdt met werkzaamheden die de vader van de vrouw voor partijen zou verrichten aan de woning, die partijen in dezelfde periode gekocht hebben. Zij zijn het ook erover eens dat deze vordering verrekend moet worden met de overwaarde. De man stelt de vordering nu op € 16.638,61, de vrouw op € 16.638,60 (volgens berekening van de rechtbank: € 16.638,61, afgerond € 16.639).

3.10. De vrouw neemt het standpunt in dat haar vader veel meer werkzaamheden verricht heeft dan oorspronkelijk gepland, en dat ook deze verrekend moeten worden. Zij becijfert dit op 3800 uur à € 40, totaal € 152.000 (naar de rechtbank begrijpt: in aanvulling op de in de huwelijksvoorwaarden vastgelegde vordering). Zij beroept zich daarvoor op diverse bepalingen in de huwelijksvoorwaarden. De man verzet zich hiertegen. De rechtbank zal deze bepalingen één voor één bespreken. Daarbij moet echter voorop staan dat het de vrouw is die deze vergoeding vraagt, zodat zij de bewijslast heeft van de feiten en omstandigheden waarop zij zich beroept: artikel 150 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv).

3.11. De vrouw stelt in de eerste plaats dat de werkzaamheden van haar vader gezien moeten worden als een schenking aan haar. De rechtbank begrijpt dit standpunt als een beroep op artikel 4 sub a van de huwelijksvoorwaarden. Daarin is bepaald dat partijen aan elkaar moeten vergoeden wat aan het vermogen van de een is onttrokken ten gunste van de ander. De vrouw bedoelt kennelijk dat de werkzaamheden van haar vader gezien moeten worden als een schenking aan haar, waardoor haar privévermogen gegroeid is, en dat hieraan iets is onttrokken doordat de werkzaamheden verricht zijn aan de woning, die mede eigendom van de man is.

3.12. Het spreekt echter niet vanzelf dat de inbreng van de vader beschouwd moet worden als een schenking aan (alleen) de vrouw. Het is immers ook mogelijk dat de vader een schenking aan zijn dochter en haar man samen beoogde. Aangezien de werkzaamheden betrekking hadden op een huis dat eigendom was van partijen samen en waarin zij samen gingen wonen, met hun kinderen, ligt dat zelfs voor de hand. Dat de vrouw het (achteraf) opvat als een schenking aan haar alleen, is daarvoor niet voldoende. Zij maakt onvoldoende aannemelijk dat de vader indertijd, bij het doen van de ‘schenking’, dat voorbehoud gemaakt heeft.

3.13. De vrouw beroept zich verder op artikel 4 sub b van de huwelijksvoorwaarden, waarin de vordering van ƒ 50.000 is vastgelegd. Zij stelt dat uit deze bepaling blijkt dat partijen de bedoeling hadden dat de schenking van de vader in natura zou worden omgezet in een schenking van het equivalent in geld (die ten gunste zou komen aan het vermogen van de vrouw alleen). Het bedrag van ƒ 50.000 was gebaseerd op een schatting van de hoeveelheid werk. Vervolgens bleken de werkzaamheden veel omvangrijker dan geschat. Dat de huwelijksvoorwaarden daaraan niet zijn aangepast, doet volgens haar niet af aan het principe waarover partijen het eens waren.

3.14. De rechtbank constateert dat partijen in artikel 4 sub b een gefixeerd bedrag zijn overeengekomen (ƒ 50.000), dat in de tekst niet wordt gerelateerd aan werkzaamheden van de vader (hoewel partijen het erover eens zijn dat het wel zo bedoeld was). Uit de tekst kan niet worden afgeleid dat partijen hiermee een meer algemene bedoeling hadden dan een gefixeerde vergoeding. De man betwist dat, en de vrouw maakt het niet verder aannemelijk. De rechtbank ziet daarom in artikel 4 sub b geen grond voor een vergoeding van € 152.000.

3.15. De vrouw beroept zich verder op artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden. Deze bepaling heeft betrekking op de kosten van de huishouding. Lid 2 bevat een regeling voor het geval een echtgenoot meer dan zijn aandeel daarin betaald heeft. De vrouw stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat zij door de werkzaamheden van haar vader meer dan haar aandeel heeft bijgedragen in de woonlasten en dus in de kosten van de huishouding. Dat kan echter niet leiden tot de gevraagde vergoeding, om redenen die besproken zullen worden bij de verdere vergoedingsvorderingen in verband met de kosten van de huishouding.

3.16. De vrouw beroept zich ten slotte op artikel 9 sub d van de huwelijksvoorwaarden. Hier is bepaald dat een vordering op grond van het periodiek verrekenbeding verminderd kan worden wanneer aan een echtgenoot iets ten goede is gekomen van het inkomen of vermogen van de andere echtgenoot. Hiervoor geldt hetzelfde als hierboven al is besproken in paragraaf 3.11. De rechtbank hoeft daarop niet nogmaals in te gaan.

3.17. De conclusie is dat de rechtbank in de huwelijksvoorwaarden geen rechtsgrond ziet voor de door de vrouw gevraagde vergoeding van € 152.000. Dat betekent dat voor de beslissing niet ter zake doet hoeveel werk de vader verricht heeft (hetgeen ook omstreden is). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de vrouw hiervoor bewijs te laten leveren.

de inboedel

3.18. De rechtbank begrijpt dat partijen ook de inboedel als gemeenschappelijk beschouwen. Hiervan is het grootste deel bij de vrouw gebleven. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de vrouw hiervoor aan de man een vergoeding van € 5.000 zal betalen, te verrekenen met de overwaarde van de woning. De rechtbank hoeft hierop dus niet verder in te gaan.

het periodiek verrekenbeding

3.19. Het verrekenbeding in de huwelijksvoorwaarden luidt (voor zover van belang) als volgt:

Artikel 9.

a. Er worden geen inkomsten verrekend indien het verschil tussen de inkomens van de echtgenoten kleiner is dan de verhouding één staat tot één zevenenzestig/honderdste (1:1,67).

b. In alle overige gevallen vindt verrekening van overblijvend inkomen plaats, en wel in de verhouding één staat tot één zevenenzestig/honderdste (1:1,67).

(…)

Geen verrekening heeft plaats:

1. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen (…).

3.20. Tussen partijen staat vast dat zij gedurende hun huwelijk over de meeste jaren niet verrekend hebben. De man stelt dat zij over het eerste jaar (10 augustus 2000 tot eind 2001) wél hebben afgerekend. Hij stelt dat partijen hun financiële gegevens bij elkaar gelegd hebben en daaruit geconcludeerd hebben dat zij hun inkomsten niet hoefden te verrekenen, maar wel de kosten van de huishouding. Hij stelt dat hij in verband daarmee op 9 januari 2002 aan de vrouw € 8.168,04 betaald heeft. Van die betaling heeft hij een bewijsstuk overgelegd. In een later stadium heeft hij ook het spreadsheet overgelegd waarop deze verrekening gebaseerd zou zijn.

3.21. De vrouw betwist dat partijen over 2000 en 2001 hebben afgerekend. Zij betwist ook dat de betaling van € 8.168,04 een verrekening vormde: volgens haar was dit een teruggave van de belastingdienst die op de verkeerde rekening was binnengekomen en doorgestort. Het overgelegde spreadsheet had volgens haar alleen betrekking op de kosten van de huishouding

3.22. De rechtbank stelt vast dat het overgelegde spreadsheet kennelijk van later datum is, omdat daarop betalingen staan tot en met oktober 2002. Bovendien zijn daarbij geen salarissen of ander regulier inkomen vermeld, maar alleen irreguliere inkomsten zoals belastingteruggaven. De rechtbank ziet daarom niet dat dit stuk gediend kan hebben voor een inkomensvergelijking, die had kunnen leiden tot de conclusie dat partijen niet hoefden te verrekenen omdat het inkomensverschil binnen de bandbreedte bleef. Dat het stuk betrekking had op de afrekening van kosten van de huishouding lijkt meer voor de hand te liggen. De man erkent verder dat de betaling van € 8.168,04 geen betrekking had op het verrekenbeding. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen ook over de eerste anderhalf (of twee) jaar geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding, ook niet in de zin dat zij na vergelijking van hun inkomens zouden hebben vastgesteld dat zij niet hoefden te verrekenen.

3.23. De man voert nu aan dat dit laatste het geval is: partijen hoefden niet te verrekenen, omdat het verschil tussen hun inkomens ieder jaar binnen de bandbreedte van de huwelijksvoorwaarden bleef. De vrouw betwist dat.

3.24. Sinds de introductie van periodieke verrekenbedingen in huwelijksvoorwaarden heeft de ervaring geleerd dat dergelijke verrekenbedingen zelden of nooit worden nageleefd, omdat echtgenoten tijdens het huwelijk daaraan niet denken. Een reconstructie achteraf is doorgaans ook vrijwel onmogelijk, omdat echtgenoten zelden een boekhouding bijhouden die dat mogelijk zou maken. Aan de bedoeling van een verrekenbeding kan dus alleen recht worden gedaan door de regel dat, als tijdens het huwelijk niet verrekend is, dit bij het einde van het huwelijk alsnog moet gebeuren. De verrekening vindt dan niet meer per jaar plaats, maar door verrekening van het gehele vermogen van de echtgenoten, tenzij één van hen aannemelijk maakt dat iets buiten de verrekening moet blijven. Deze regeling geldt sinds 2002 op grond van de wet (artikel 1:141 lid 3 BW) en daarvoor op grond van de jurisprudentie. Zij geldt ook voor partijen, aangezien zij in hun huwelijksvoorwaarden geen afwijkende regeling getroffen hebben.

3.25. De man heeft nog aangevoerd dat de regel in dit geval niet geldt, omdat partijen een ongebruikelijk verrekenbeding hadden, waarbij zij niet ieder jaar hoefden te verrekenen maar alleen wanneer de inkomens buiten een bepaalde bandbreedte vielen. Op zich is het juist dat partijen volgens de huwelijksvoorwaarden niet per definitie ieder jaar zouden hoeven verrekenen. Tegen een reconstructie per jaar bestaan echter dezelfde bezwaren als in andere gevallen. Ook in dit geval wordt daarom achteraf afgerekend door verrekening van de vermogens, tenzij de man aantoont dat zijn vermogen, of een deel daarvan, buiten de verrekening moet blijven. In zijn geval zou dat erop neerkomen dat hij aannemelijk zou moeten maken dat de inkomens binnen de bandbreedte gebleven zijn. Daarbij gaat het dan om de netto inkomens, zoals gedefinieerd in de huwelijksvoorwaarden. Een vergelijking van bruto inkomens doet niet ter zake.

3.26. De man heeft erkend dat in 2001 het inkomensverschil buiten de bandbreedte viel, zodat partijen hadden moeten verrekenen. Hij heeft verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de inkomens in de overige jaren binnen de bandbreedte gebleven zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen hadden moeten verrekenen, zodat dit alsnog zal moeten gebeuren.

3.27. Partijen zijn het niet eens over de peildatum voor deze verrekening. De man stelt deze, met een beroep op de huwelijksvoorwaarden, op 1 september 2006, omdat hij toen de echtelijke woning verliet. De vrouw betwist dat. Zij stelt dat de man pas in mei 2007 vertrokken is. Bovendien neemt zij het standpunt in dat de peildatum gesteld moet worden op de dag van ontbinding van het huwelijk, 11 juli 2008. Daarvoor beroept zij zich op artikel 1:141 lid 3 BW. Bovendien voert zij aan dat het bij einde van het huwelijk aanwezige vermogen beschouwd moet worden als gemeenschappelijk bezit vanaf het moment dat blijkt dat er niet verrekend is terwijl er wel verrekend had moeten worden; de rechtbank begrijpt dat zij bedoelt dat daarvoor dan ook de peildatum geldt zoals voor een algehele gemeenschap van goederen.

3.28. De huwelijksvoorwaarden bevatten een regeling voor de peildatum: partijen hoefden niet te verrekenen (onder meer) over de tijd, dat zij anders dan in onderling overleg niet samenwonen. De rechtbank begrijpt dat de man de woning verlaten heeft op of rond 1 september 2006. Daarna heeft hij nog in de weekenden daar verbleven vanwege de omgangsregeling, maar dan was de vrouw er niet. Vanaf september 2006 woonden partijen dus feitelijk niet meer samen, zodat de peildatum inderdaad gesteld moet worden op 1 september 2006.

3.29. Wanneer overigens de huwelijksvoorwaarden geen peildatum zouden aanreiken, dan zou deze bepaald worden op de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek: artikel 1:141 lid 2 en 1:142 lid 1 sub b BW. De uitdrukking ‘bij het einde van het huwelijk’ in artikel 1:141 lid 3 BW, waarop de vrouw zich beroept, is een globale tijdsaanduiding, die de precieze bepaling van de peildatum in lid 2 en in artikel 1:142 niet opzij zet. Ook het standpunt dat door het niet uitvoeren van het verrekenbeding een gemeenschap van goederen ontstaan zou zijn is onjuist. Door het verrekenbeding ontstaat geen (goederenrechtelijke) gemeenschap maar alleen een (verbintenisrechtelijke) verrekenplicht, en dat verandert niet doordat deze pas achteraf wordt uitgevoerd.

3.30. Partijen dienen derhalve alsnog te verrekenen over de periode van 10 augustus 2000 tot 1 september 2006. Het volgende geschilpunt betreft de verhouding waarin verrekend moet worden. De vrouw stelt dat dit bij helfte moet gebeuren, en zij verwijst daarvoor naar artikel 1:135 lid 1 BW. Deze bepaling vormt echter geen dwingend recht. Partijen hebben beiden ingestemd met een verrekenbeding met een verhouding, die ook toen al ongebruikelijk was. De rechtbank ziet geen reden waarom zij daaraan niet gebonden zouden zijn.

3.31. Bij de verrekening dient in beginsel alle vermogen aan beide zijden betrokken te worden. De vrouw heeft het standpunt ingenomen dat haar vermogen niet verrekend hoeft te worden, omdat haar inkomen altijd lager was dan dat van de man. Dat zou ertoe leiden dat zij recht zou hebben op haar eigen vermogen en een deel (in haar visie zelfs de helft) van het vermogen van de man, terwijl hij alleen recht zou hebben op de helft van zijn eigen vermogen. De rechtbank ziet geen enkele aanwijzing dat partijen dit bedoeld zouden hebben; zij gaat ervan uit dat dit standpunt van de vrouw op een misverstand berust. Voor zover de vrouw om andere redenen vermogensbestanddelen buiten de verrekening wil houden, heeft zij daarvan de stelplicht en de bewijslast.

[bedrijf A] B.V.

3.32. Het belangrijkste vermogensbestanddeel aan de zijde van de man zijn de aandelen in [bedrijf A] B.V., de holding waarvan hij directeur en enig aandeelhouder is. [bedrijf A] houdt een deel van de aandelen van de werkmaatschappij [bedrijf B] B.V. [bedrijf A] is opgericht op 7 augustus 2002, dus tijdens het huwelijk. De man stelt dat hij deze aandelen heeft volgestort met voorhuwelijks vermogen, dat hij eind 2001 al bezat, dan wel uit vermogen dat is opgebouwd in 2001, een jaar waarin niet verrekend hoefde te worden. De vrouw wijst er echter terecht op dat partijen gehuwd zijn in augustus 2000; bovendien is niet gebleken dat partijen over 2001 niet hoefden te verrekenen. Voor zover de man de aandelen gefinancierd heeft met voorhuwelijks vermogen, blijkt dat niet uit de stukken.

3.33. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de aandelen in de verrekening betrokken moeten worden. Dat houdt in dat de waarde op de peildatum (1 september 2006) moet worden vastgesteld. Zo nodig zal de rechtbank hiervoor een deskundige benoemen. Het verdient echter aanbeveling dat partijen dit zelf doen, in overleg. Benoeming door de rechtbank is aanzienlijk omslachtiger, zodat partijen zich tijd en kosten kunnen besparen door dit zelf te regelen. Als zij het niet eens worden over de wijze waarop de onderneming gewaardeerd moet worden, kunnen zij de rechtbank vragen daarover een oordeel te geven.

vergoedingsvorderingen

3.34. De vrouw vraagt een vergoeding voor teveel betaalde kosten van de huishouding. Zij stelt dat zij tijdens het huwelijk meer dan haar aandeel daarin heeft bijgedragen. Zij vraagt in verband hiermee over de periode van het huwelijk, van augustus 2000 tot juli 2008, een vergoeding van € 221.520, en bovendien (als de rechtbank haar standpunt goed begrijpt) over de periode van augustus 2006 tot augustus 2008 € 46.200 (te verminderen met betalingen van de man voor kinderopvang in 2008).

3.35. De rechtbank stelt hierbij het volgende voorop. De huwelijksvoorwaarden bevatten zowel voor het periodiek verrekenbeding als voor de bepalingen met betrekking tot de kosten van de huishouding een vervalbeding (beide in artikel 10). Voor een periodiek verrekenbeding wordt een vervalbeding in de huwelijksvoorwaarden opzij gezet door de dwingendrechtelijke regeling van artikel 1:141 lid 6 BW (zie ook Hoge Raad 19 januari 1996, NJ 1996, 617). Dit geldt echter niet voor een vervalbeding voor de verrekening van kosten voor de huishouding (Hoge Raad 29 april 1994, NJ 1995, 561). Anders dan lijkt te volgen uit de door de vrouw overgelegde uitspraak van deze rechtbank van 24 januari 2007 (niet gepubliceerd), geldt hiervoor dat verrekening periodiek moet plaatsvinden, en niet bij het einde van het huwelijk alsnog gevorderd kan worden.

3.36. De achtergrond hiervan is het praktische bezwaar dat de voor berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens bij het einde van het huwelijk veelal niet meer aanwezig zullen zijn. Deze berekening achteraf is bovendien buitengewoon complex, omdat voor een zorgvuldige berekening de volledige financiële administratie (niet alleen alle inkomsten maar ook álle uitgaven) over de gehele duur van het huwelijk gereconstrueerd zou moeten worden. Hoe complex en moeizaam dat is, wordt ook wel geïllustreerd door het feit dat de berekening van de vrouw voor een groot deel gebaseerd is op schattingen en gemiddelden.

Om die reden is de Hoge Raad ervan uitgegaan dat de onderlinge afrekening periodiek plaats dient te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. Wanneer echtgenoten zich tijdens het huwelijk – wanneer de gegevens nog te achterhalen zijn – niet druk maken over deze afrekening, verwerken zij het recht om dat bij echtscheiding alsnog te doen.

3.37. Zoals gezegd ligt dat anders voor een periodiek verrekenbeding. Daar wordt het probleem echter opgelost door niet alsnog per jaar te verrekenen, maar op basis van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW. Bij de kosten van de huishouding bestaat die uitweg niet. Overigens wordt in de regel een onjuiste verdeling van de kosten van de huishouding ook rechtgetrokken (zij het in dit geval slechts gedeeltelijk) door de verrekening van overgespaard inkomen: wie te weinig betaald heeft, houdt meer over om te verrekenen.

3.38. Voor zover het verzoek van de vrouw betrekking heeft op de periode voor 1 september 2006, moet het op grond van het bovenstaande worden afgewezen. Het verzoek om echtscheiding is ingediend op 31 augustus 2007. De periode waarop de verrekening betrekking kon hebben lag dus op dat moment al zozeer in het verleden, dat de vrouw haar recht op verrekening verwerkt had.

3.39. De man erkent dat over de periode na 1 september 2006 wel kosten van de huishouding verrekend moeten worden. Hij verzoekt zelf ook vergoeding van wat hij in die periode te veel heeft bijgedragen, in totaal € 50.655,34.

3.40. Ook voor deze vorderingen geldt de hoofdregel van bewijslastverdeling van artikel 150 Rv: elk heeft de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop hij of zij zich beroept. Dat houdt om te beginnen in dat hij die feiten of omstandigheden voldoende moet toelichten.

3.41. Partijen zijn het er kennelijk over eens dat deze vorderingen gebaseerd kunnen worden op het beding over de kosten van de huishouding in de huwelijksvoorwaarden. Dat staat dus niet ter discussie.

3.42. De vrouw baseert haar vordering op bedragen die de man in het verleden betaald heeft en waarmee hij gestopt is. Zij stelt dat de lasten niet gedaald zijn, en dat zij dus meer moet zijn gaan betalen. Zij heeft echter onvoldoende toegelicht dat de financiële verhouding tussen partijen zodanig was (en is) dat zij voortzetting van die betalingen mocht verlangen. Daarmee is onvoldoende toegelicht dat zij inderdaad meer dan haar aandeel betaald zou hebben.

Hetzelfde geldt voor de vordering van de man. Hij stelt dat hij de vrouw een bijdrage betaald heeft en dat hij kosten van kinderopvang betaald heeft. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt dat hij deze bijdragen uitgaan boven de onderhoudsplicht die hij heeft tegenover de kinderen en in beginsel ook tegenover de vrouw. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of deze betalingen uitgaan boven wat op dit punt van hem verwacht had mogen worden.

Op grond hiervan zullen beide verzoeken op dit punt worden afgewezen.

3.43. De vrouw heeft verder een verzoek gedaan tot vergoeding van premies en koopsommen voor levensverzekeringen, op grond van artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden. Zij heeft dit verzoek echter niet gespecificeerd of nader toegelicht. Het moet daarom als onvoldoende bepaald worden afgewezen.

3.44. De vrouw vordert vergoeding van het fiscaal voordeel van de hypotheekrente. De man heeft de betaalde hypotheekrente afgetrokken en daardoor de belastingteruggaven ontvangen, terwijl daarvan, volgens haar stelling, de helft aan haar toekwam. Zij vordert een vergoeding van € 48.000.

De man heeft deze vordering gemotiveerd weersproken. Hij voert aan dat de belastingteruggaven gebruikt zijn voor betaling van de hypotheekrente, dat wil zeggen voor kosten van de huishouding. De vrouw heeft dit betwist, maar zonder enige motivering. De rechtbank beschouwt haar verzoek op dit punt daarom als onvoldoende gemotiveerd, zodat het zal worden afgewezen.

3.45 De vrouw vordert een vergoeding van € 12.500 in verband met fiscaal voordeel dat de man in zijn bedrijf genoten heeft in verband met de kinderopvang. Dit verzoek is echter nog zo onvolledig toegelicht dat het op dit moment niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Met name maakt de vrouw niet duidelijk op welke periode deze vergoeding betrekking heeft. Wanneer dit gaat over de periode voor 1 september 2006, zou het verzoek vanwege het nauwe verband met de kosten van de huishouding niet voor toewijzing in aanmerking komen.

overige

3.46. De vrouw heeft ten slotte de pensioenen aan de orde gesteld. Voor zover deze vallen onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, zullen deze verevend moeten worden. Partijen hebben de rechtbank geen concreet verzoek voorgelegd; de rechtbank zal daarop dan ook verder niet ingaan.

vervolg van de procedure

3.47. De rechtbank zal de behandeling van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden nu aanhouden, om de vrouw in de gelegenheid te stellen bewijs over te leggen van de waarde van de spaarlevenverzekering (paragraaf 3.8) en om partijen in de gelegenheid te stellen de waarde van de aandelen van de man in [bedrijf A] B.V. vast te stellen (paragraaf 3.33).

Voor de alimentatieverzoeken zal, anders dan bepaald is in de beschikking van 23 december 2009, nu een datum bepaald worden.

4. Beslissing

4.1. De rechtbank houdt de behandeling op het punt van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden (zaaknummer 243088 / FA RK 08-479) PRO FORMA aan tot 13 april 2010, met het doel zoals hierboven omschreven onder 3.47. Beide advocaten dienen de rechtbank vóór die datum te berichten over de stand van zaken.

4.2. De behandeling van de alimentatieverzoeken (zaaknummer 236169 / FA RK 07-5113) zal worden voortgezet.

Beide advocaten wordt verzocht om binnen een week na heden actuele verhinderdata over te leggen.

De griffier zal vervolgens een datum bepalen en partijen daarvoor oproepen.

De advocaten kunnen uiterlijk twee weken voor de zitting een geactualiseerd standpunt overleggen, met een actuele draagkrachtberekening en alle relevante financiële stukken.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W.A. Vonk, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Ganzevoort, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2010.