Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BK9262

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
SBR 09-3335, SBR 09-3340 en SBR 09-3371
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO4233, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing op grond van artikel 3.22 Wro en bouwvergunning voor twee noodlokalen voor Maliebaanschool.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 09/3335, SBR 09/3340 en SBR 09/3371

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 13 januari 2010

inzake

[Naam A], fam. [naam B] en [Naam C] en [naam D],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Inleiding

1.1 De beroepen hebben betrekking op de besluiten van 13 oktober 2009, waarbij verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan de Stichting PCOU (verder: vergunninghouder) ontheffing van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en bouwvergunning heeft verleend ten behoeve van het bouwen van twee noodlokalen op het schoolplein aan de zuidoost kant van een school op het perceel Maliebaan 56, kadastraal bekend gemeente Abstede, Sectie B, nummer 05572 (verder: het perceel). De ontheffing en bouwvergunning zijn beide verleend voor de periode tot

31 augustus 2011.

1.2 Bij brieven van 14 december 2009 heeft de rechtbank besloten om de beroepen met toepassing van artikel 8:52 van de Awb versneld te behandelen

1.3 De beroepen zijn op 21 december 2009 ter zitting behandeld, waar mevrouw [naam B] in persoon is verschenen, bijgestaan door [Naam X] De overige eisers zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. N.T.J. Oosterwegel, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Tevens is vergunninghouder verschenen bij gemachtigden drs. [Naam Y] en ing. [Naam Z].

1.4 De rechtbank heeft, ten behoeve van finale geschilbeslechting en met het oog op het voorkomen van onnodige herhaling van procedures, ter zitting de behandeling aangehouden tot 8 januari 2010 en verweerder in overweging gegeven zich tussentijds te beraden op de grondslag van de ontheffing, nu naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen gebruik kon worden gemaakt van de bevoegdheid van artikel 3.23 van de Wro, en desgewenst daarover uiterlijk op 6 januari 2010 aan de rechtbank en eisers nadere stukken over te leggen.

1.5 Verweerder heeft daarvan gebruik gemaakt en bij brief van 6 januari 2010, met gebruikmaking van artikel 6.18 van de Awb, het besluit tot ontheffing van 13 oktober 2009 in zoverre gewijzigd, dat verweerder zijn beslissing thans primair baseert op artikel 3.22 van de Wro en subsidiair op artikel 3.23 van de Wro. Verweerder heeft daarbij nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een tijdelijke behoefte als bedoeld in artikel 3.22 van de Wro.

1.6 De behandeling ter zitting is voortgezet op 8 januari 2010, waar mevrouw [naam B] in persoon is verschenen, bijgestaan door [Naam X] De overige eisers zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. N.T.J. Oosterwegel voornoemd. Tevens is vergunninghouder verschenen bij gemachtigden drs. [Naam Y] en ing. [Naam Z] voornoemd.

Overwegingen

2.1 Op 22 juni 2009 heeft vergunninghouder een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het plaatsen van twee tijdelijke schoollokalen op het perceel. Verweerder heeft door middel van een openbare bekendmaking deze aanvraag kenbaar gemaakt, waarbij men in de gelegenheid is gesteld hiertegen mondeling of schriftelijk bedenkingen in te dienen. Eisers hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij besluiten van 13 oktober 2009 heeft verweerder aan vergunninghouder ontheffing van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van twee noodlokalen op het perceel. De ontheffing en bouwvergunning zijn beide verleend tot

31 augustus 2011; voor die datum dienen de noodlokalen verwijderd te zijn.

2.2 Het perceel is gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buiten Wittevrouwen”. Het betreffende perceel heeft ingevolge het bestemmingsplan de bestemming ‘maatschappelijke doeleinden’.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften mogen de gronden die op de plankaart voor maatschappelijke doeleinden (M) zijn bestemd uitsluitend worden gebruikt voor het oprichten en hebben van bouwwerken ten behoeve van het onderwijs, waaronder in ieder geval begrepen scholen, opleidingsinstituten en onderwijsgebouwen ten behoeve van de universiteit.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de planvoorschriften mogen de gronden die niet zijn gelegen binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens, uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig de bestemming en mogen slechts bebouwd worden met bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die passen in de bestemming en – kort gezegd – niet hoger zijn dan 2.50 meter.

2.3 Het bouwplan voorziet in een prefab noodgebouw waarin twee tijdelijke schoollokalen met bijbehorende gang en toiletvoorziening zijn ingericht. Niet in geschil is dat de tijdelijke schoollokalen blijkens de bouwaanvraag buiten de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens worden geplaatst, om welke reden het bouwplan in strijd is met artikel 24, tweede lid van de planvoorschriften.

Daarnaast heeft verweerder geconstateerd dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.3, eerste lid, van de Bouwverordening.

2.4 Na aanvankelijk bij besluit van 13 oktober 2009 van deze strijdigheid met het bestemmingsplan ontheffing te hebben verleend op grond van artikel 3.23 van de Wro, heeft verweerder bij brief van 5 januari 2010, met toepassing van artikel 6:18 van de Awb, de grondslag van deze ontheffing gewijzigd in die zin dat verweerder de verleende ontheffing primair baseert op artikel 3.22 van de Wro en subsidiair op artikel 3.23 van de Wro. Ter zitting is toegelicht dat het subsidiaire standpunt door verweerder uitsluitend wordt ingenomen, voor het geval in deze procedure het primaire standpunt de rechterlijke toets niet zou kunnen doorstaan.

Artikel 6:18 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het aanhangig zijn van beroep tegen een besluit geen verandering brengt in de los van het beroep reeds bestaande bevoegdheid tot wijziging van dat besluit. Ingevolge het tweede lid van dit artikel doet het bestuursorgaan, als het tot wijziging van het bestreden besluit overgaat, daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het beroep mede geacht wordt te zijn gericht tegen het gewijzigde besluit, tenzij dat besluit aan het beroep geheel tegemoet komt.

Aangezien het gewijzigde besluit nog steeds plaatsing van de noodlokalen mogelijk maakt, is van dit laatste geen sprake. Het beroep van eisers wordt daarom mede gericht geacht tegen het aldus door verweerder gewijzigde besluit. Niet gesteld of gebleken is dat eisers nog een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 13 oktober 2009 voor zover dat was gebaseerd op grond van artikel 3.23 van de Wro. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.

2.5 Ingevolge artikel 3.22 van de Wro kunnen burgemeester en wethouders met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. De termijn kan ten hoogste vijf jaar belopen.

2.6 Verweerder heeft aan de verlening van de ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro ten grondslag gelegd dat met de vaststelling van het ‘aanvalsplan Utrechts VMBO’ door de gemeenteraad op 19 november 2009 is besloten over de huisvesting van het Centraal College in aanloop naar de fusie van deze school met het Vader Rijncollege tot een VMBO school in Utrecht Noord. Daardoor komt de locatie aan de Noteboomlaan vanwaar het Centraal College zal vertrekken, rond augustus 2010 vrij voor tijdelijke huisvesting van de Maliebaanschool. Als rekening wordt gehouden met een mogelijke vertraging, dan nog is dit gebouw in ieder geval na de zomervakantie 2011 voor de Maliebaanschool beschikbaar. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat de gemeenteraad op 19 november 2009 tevens heeft besloten dat het Utrechts Stedelijke Gymnasium (hierna: USG) per 1 januari 2011 zal verhuizen, waarna het daardoor vrijkomende gebouw aan de Homeruslaan gedurende de periode van een jaar geschikt gemaakt kan worden voor definitieve huisvesting van de Maliebaanschool per 1 januari 2012. In geval van vertraging van die definitieve verhuizing kan de tijdelijke huisvesting van de Maliebaanschool aan de Notebooomlaan zo lang als nodig is gehandhaafd blijven, aangezien de locatie aan de Noteboomlaan de bestemming ‘school’ heeft. In dit verband heeft verweerder een beslissing uit de college-vergadering van 5 januari 2010 overgelegd. Daarin heeft verweerder het vrijkomende schoolgebouw van het USG toegewezen aan de Maliebaanschool zodra dit schoolgebouw beschikbaar is, en is besloten de onderbouw van de fusie-VMBOschool Noord vanaf schooljaar 2010/2011 elders te huisvesten, waardoor het huidige gebruik van het gebouw aan de Noteboomlaan met ingang van dat schooljaar voor de Maliebaanschool beschikbaar komt.

2.7 De rechtbank stelt voorop dat de wetgever verweerder in artikel 3.22 van de Wro een discretionaire bevoegdheid heeft toegekend bij de besluitvorming over het al dan niet verlenen van een ontheffing, welke bevoegdheid de bestuursrechter behoort te respecteren. Het gebruik van die bevoegdheid kan de bestuursrechter daarom slechts marginaal toetsen, zodat thans ter beoordeling voorligt of verweerder in redelijkheid tot verlening van de gevraagde ontheffing heeft kunnen overgaan.

2.8 Eisers hebben aangevoerd dat de noodzaak voor het plaatsen van de noodlokalen niet is aangetoond. Zij hebben er allereerst op gewezen dat het schoolbestuur verschillende alternatieven voorhanden heeft, zoals het herschikken van groepen leerlingen of het langer gebruik maken van de huidige tijdelijke huisvesting aan de Schoolstraat of elders, waardoor er andere oplossingen zijn zonder dat tot plaatsing van de noodlokalen hoeft te worden overgegaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de wijze waarop leerlingen in groepen worden ingedeeld of waar de leerlingen worden gehuisvest, in de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van het schoolbestuur zelf, en vervolgens van de gemeentelijke organen voor zover die zorg dragen voor de (financiering van) onderwijshuisvesting.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de stukken en de toelichting ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat vergunninghouder noodzakelijk behoefte heeft aan meer ruimte dan zonder de tijdelijke lokalen in de komende maanden beschikbaar zou zijn en dat de door eisers genoemde alternatieven niet mogelijk zijn of niet wenselijk worden geacht. Het schoolbestuur heeft op basis van de eigen afweging een aanvraag om bouwvergunning ingediend en verweerder is, als bevoegd orgaan op dit gebied, gehouden om aan de hand van ruimtelijke- en bouwregelgeving en na afweging van de betrokken belangen op die aanvraag te beslissen. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), zoals de uitspraak van 19 juli 2006 LJN AY4251, volgt dat eerst en vooral moet worden beslist over het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Van de door eisers gestelde alternatieven kan dat niet zonder meer gezegd worden, alleen al omdat eisers anders dan het schoolbestuur geen verantwoordelijkheid hebben voor de onderwijskundige aspecten van de huisvesting van leerlingen.

2.9 Eisers hebben verder gesteld dat de tijdelijkheid van de behoefte aan de noodlokalen niet is aangetoond. Het vrijkomen van de school aan de Notenboomlaan en vervolgens de verhuizing naar de Homeruslaan is volgens eisers nog altijd onzeker, nu slechts het college en niet de gemeenteraad heeft besloten dat het gebouw aan de Homeruslaan aan de Maliebaanschool zal worden toegewezen. Bovendien is nog niet zeker dat het voor de verbouwing benodigde bedrag van 3,6 miljoen euro beschikbaar gesteld zal gaan worden. Eisers hebben er verder op gewezen dat zowel ouders als schoolbestuur, gezien de uitlatingen van de heer [Naam Y] op de zitting van 21 december 2009, huisvesting aan de Noteboomlaan niet wenselijk vinden.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het verhandelde ter zitting voldoende is gebleken dat zowel het schoolbestuur als verweerder verhuizing van de Maliebaanschool van de huidige locatie naar het gebouw aan de Homeruslaan voorstaan. Uitdrukkelijk is door verweerder uitgesproken dat het gebouw aan de Homeruslaan aan de Maliebaanschool wordt toegewezen zodra het USG daar is vertrokken. Aan het nieuwe gebouw voor het USG wordt thans gebouwd. Voorts is gebleken dat de school aan de Noteboomlaan na de zomervakantie 2010 vrijkomt en geschikt gemaakt kan worden als tijdelijke huisvesting van de Maliebaanschool tot aan de verhuizing naar de Homeruslaan. Planologisch is er voorts geen belemmering voor huisvesting van de Maliebaanschool in het gebouw aan de Noteboomlaan, nu de vigerende bestemming daar een school toelaat. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat de aangevraagde twee lokalen op het perceel aan de Maliebaan voorzien in een tijdelijke behoefte als bedoeld in artikel 3.22 van de Wro. Dat verweerder, in lijn met deze planning maar tevens rekening houdend met enige vertraging in de verbouwing, de termijn voor tijdelijke ontheffing op 31 augustus 2011 heeft gesteld, acht de rechtbank niet onredelijk.

Op de stelling dat nog niet duidelijk is of de gemeenteraad wel een dergelijk groot bedrag als kosten voor de verbouwing ten behoeve van de Maliebaanschool zal toekennen, is onweersproken gesteld dat het gebouw aan de Homeruslaan niet uitsluitend ten behoeve van de Maliebaanschool zal worden verbouwd, maar ook andere gebruikers zal gaan huisvesten. Overigens acht de rechtbank dit aspect, alsmede de stelling dat de kosten van het plaatsen van de noodlokalen niet opwegen tegen de korte termijn dat ervan gebruik kan worden gemaakt, geen aspecten die in het kader van de toetsing van de planologische besluitvorming van doorslaggevend belang zijn, nu dit in beginsel thuishoort in de politiek/bestuurlijke besluitvorming binnen de gemeente. De rechtbank heeft op grond van de overgelegde stukken van de raadsvergadering van 19 november 2009 en het gestelde ter zitting niet de indruk gekregen dat het politiek draagvlak voor de voorgenomen verbouwingen en verhuizingen ontbreekt.

De stelling van eisers ter zitting van 8 januari 2010 dat de beslissing in de collegevergadering van 5 januari 2010 om onder meer het gebouw aan de Homeruslaan toe te wijzen aan de Maliebaanschool in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, nu die genomen is om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen, volgt de rechtbank niet. Het is nu eenmaal een gegeven dat verweerder op diverse terreinen taken en bevoegdheden heeft. De beslissing in de collegevergadering van 5 januari 2010 is het logisch vervolg van de eerdere discussie over de huisvesting van de Maliebaanschool en daarmee niet aan te merken als misbruik van bevoegdheid. Bovendien laat dit onverlet de bevoegdheid van verweerder om met gebruikmaking van artikel 6:18 van de Awb een gewijzigd standpunt in te nemen.

2.10 Eisers hebben verder gesteld dat verweerder de afweging van alle betrokken belangen niet voldoende zorgvuldig heeft gedaan. De school is hier inderdaad al langdurig aanwezig, maar ook dan dient kritisch gekeken te worden naar de gevolgen van de uitbreiding en de grenzen van het bestemmingsplan, aldus eisers. In dit verband is gewezen op het feit dat verweerder de gestelde geluidsoverlast niet zelf heeft onderzocht en vervolgens alsnog en ten onrechte voorbij is gegaan aan het door eisers ingediende geluidsrapport. Ook is gewezen op de toegenomen verkeers- en parkeeroverlast ten gevolge van het halen en brengen van de kinderen.

De rechtbank overweegt dat verweerder in de gevolgde procedure de belangen van omwonenden geïnventariseerd en afgewogen heeft. Ten aanzien van het geluidsaspect heeft verweerder niet zelf specifiek onderzoek gedaan. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat de gevraagde ontheffing zag op uitbreiding van de school, welke ter plaatse al een geruim aantal jaren, in overeenstemming met het bestemmingsplan aanwezig is. Wanneer dan ten behoeve van een uitbreiding ontheffing van het bestemmingsplan wordt gevraagd, is het niet onredelijk dat niet volledig opnieuw wordt afgewogen of deze functie hier kan worden gerealiseerd; verweerder mag zich dan, bij de afweging van de belangen van de omwonenden ten opzichte van de belangen van aanvrager en het maatschappelijk belang, in beginsel beperken tot de vraag of de toename van de belasting op de omgeving door de uitbreiding de belangen van de omwonenden onevenredig schaadt.

De rechtbank is op grond van de weerlegging van de zienswijzen en de door verweerder gegeven toelichting ter zitting van oordeel dat verweerder in redelijkheid het belang van vergunninghouder bij een tijdelijke uitbreiding van de onderwijsfaciliteiten op deze plek, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van omwonenden. Daarbij acht de rechtbank het van doorslaggevend belang dat de school al sinds jaar en dag op het perceel gevestigd is en dat het hier om een beperkte uitbreiding van het aantal lokalen gaat, bedoeld om het speellokaal en de lerarenkamer die thans noodgedwongen als onderwijsruimte dienst doen, weer hun eigenlijke bestemming te geven. Verder weegt in belangrijke mate mee dat deze uitbreiding van relatief beperkte duur is. Gelet op deze relatieve toename van de belasting van de omwonenden door de onderhavige uitbreiding, is de verlening van de tijdelijke ontheffing niet onredelijk. Daarbij is ook van belang dat verweerder, onder meer naar aanleiding van de opmerking dat het schoolbestuur en mogelijk ook ouders de school liever niet eerst naar de Noteboomlaan en daarna naar de Homeruslaan zien verhuizen, in deze procedure volstrekt duidelijk heeft uitgesproken dat een ontheffing langer dan 31 augustus 2011 of voor meer tijdelijke lokalen, zoals door vergunninghouder eerder ook was aangevraagd, niet zal worden toegestaan.

Voor zover eisers hebben gesteld dat een tijdelijke ontheffing op grond van 3.22 van de Wro niet verleend kon worden omdat de Maliebaanschool in de toekomst wil uitbreiden en er daarom geen sprake is van een tijdelijke, maar van een blijvende behoefte aan ruimte en dat verweerder daarom geen ontheffing had mogen verlenen, overweegt de rechtbank dat dat een onjuiste uitleg is van het begrip ´tijdelijke behoefte´ in artikel 3.22 van de Wro, nu het duidelijk is dat het gaat om een tijdelijke behoefte aan noodlokalen op dít perceel. Uit de inmiddels in de afgelopen maanden ontwikkelde jurisprudentie komt naar voren dat het begrip ‘tijdelijke behoefte’ op die manier dient te worden begrepen.

2.11 Verweerder heeft met betrekking tot het op 12 oktober 2009 door eisers overgelegde geluidsrapport gesteld dat geen rekening is gehouden met de in dat rapport gestelde overschrijding van de geluidsnormen, nu op het moment dat met gebruikmaking van de ontheffing de tijdelijke lokalen gerealiseerd zouden zijn er een wijziging in de regelgeving ten aanzien van geluidsbelasting door stemgeluid van schoolkinderen in werking zou zijn getreden. Hoewel in beginsel het recht zoals dat van kracht is ten tijde van de beslissing op de aanvraag in de besluitvorming dient te worden betrokken en de gewijzigde regelgeving op 13 oktober 2009 nog niet in werking was getreden, is een wijziging van mogelijk belemmerende regels ten gunste van de aanvrager wel een aspect waar rekening mee gehouden mag worden. Gezien de omstandigheid dat de werking van het besluit vanwege het gedane verzoek om een voorlopige voorziening is opgeschort, waardoor van de verleende bouwvergunning voor 1 januari 2010 geen gebruik kon worden gemaakt, acht de rechtbank dit standpunt van verweerder niet onjuist, nu de eventuele belemmering op dit punt door de inwerkingtreding van de ten gunste van vergunninghouder gewijzigde regelgeving inmiddels is vervallen.

2.12 Eisers hebben nadrukkelijk betoogd dat de uitbreiding van het bestaande schoolplein in de naastgelegen tuin, onderdeel had moeten uitmaken van de beslissing op de onderhavige aanvraag voor twee tijdelijke lokalen, omdat het gebruik van die tuin onlosmakelijk is verbonden met de plaatsing van de twee lokalen op het bestaande schoolplein. Met verweerder constateert de rechtbank dat het gebruik van de naastgelegen tuin geen onderdeel uitmaakt van de aanvraag op grond waarvan de in deze procedure bestreden ontheffing en bouwvergunning zijn verleend. Het gebruik van de naastgelegen tuin kan daarom hier niet aan de orde komen. Verweerder heeft overigens ter zitting van 8 januari 2010 verklaard dat binnen twee weken beslist zal worden op het door eisers hieromtrent gedane verzoek om handhaving.

2.13 Eisers hebben verder gesteld dat er bij het takelen van de noodlokalen over de bebouwing aan de Maliebaan, schade aan de bomen zal ontstaan. De rechtbank acht deze grond onvoldoende met feiten onderbouwd en aannemelijk gemaakt.

2.14 Ter zitting van 8 januari 2010 hebben eisers nog aangevoerd dat zij op de zitting van 21 december 2009 enigszins overvallen zijn door de beslissing van de rechtbank tot aanhouding en dat zij, door de geringe tijdspanne tussen het ontvangen van de aanvullende stukken van verweerder op 6 januari 2010 en de zitting op 8 januari 2010 om 13.30 uur, onvoldoende in de gelegenheid zijn geweest zich tegen het gewijzigde besluit van verweerder te verdedigen.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat eisers van meet af aan, zowel in hun zienswijze en in hun beroepschrift als bij de behandeling ter zitting, de noodzaak en de tijdelijkheid van de behoefte van vergunninghouder aan tijdelijke lokalen hebben bestreden en tevens bezwaren hebben geuit tegen de feitelijke effecten van de komst van de twee tijdelijke lokalen op het perceel. Verweerder heeft daar in de beantwoording van de zienswijzen gemotiveerd op gereageerd. Beide aspecten komen evenzeer, zo niet nog meer aan de orde bij de (toetsing van de) besluitvorming op grond van artikel 3.22 van de Wro dan op grond van artikel 3.23 van de Wro. Eisers hebben hun standpunten verder in beide zittingen uitgebreid toegelicht. Gelet hierop en gezien het feit dat het voor de effecten van de plaatsing van de tijdelijke lokalen niet uitmaakt of er sprake is van een ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro dan wel op grond van 3.23 van de Wro, zoals eisers ter zitting ook hebben bevestigd, is de rechtbank van oordeel dat eisers voldoende in de gelegenheid zijn geweest hun bezwaren tegen de ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro kenbaar te maken.

De theoretische mogelijkheid dat door deze gang van zaken andere omwonenden die zich eerder niet hebben gemeld omdat zij geen bezwaar hebben tegen een ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro maar wel bezwaar hebben tegen een ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro maar daarvan niet op de hoogte zijn doordat dit zich binnen de onderhavige beroepsprocedure heeft afgespeeld, acht de rechtbank niet reëel, omdat de feitelijke effecten voor omwonenden in beide situaties gelijk zijn en ook de termijn waarvoor verweerder ontheffing heeft verleend gelijk is gebleven. Ook wanneer de rechtbank artikel 8:51a ev. van de Awb (de zogenoemde Wet bestuurlijke lus) zou hebben toegepast, was er ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb geen verplichting geweest om het nieuwe besluit geheel of gedeeltelijk met afdeling 3.4 van de Awb voor te bereiden.

2.15 Tot slot overweegt de rechtbank dat de toelichting van verweerder ten aanzien van de beoordeling en goedkeuring van de situatie door de brandweer, voldoende is om verlening van een vrijstelling van artikel 2.5.3, eerste lid, van de Bouwverordening niet onredelijk te achten.

2.16 Uit het voorgaande volgt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen komen tot verlening van ontheffing op grond van artikel 3.22 van de Wro en bouwvergunning, beide tot 31 augustus 2011. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.17 Ter voorlichting van eisers en in zoverre volledig ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.

Eisers hebben aan het eind van de zitting op 8 januari 2010 nog opgemerkt dat zij met betrekking tot de ontheffing op basis van artikel 3.23 van de Wro, uitsluitend hebben aangevoerd dat geen sprake is van een bijgebouw als bedoeld in artikel 4.1.1, onder b, van het Bro. Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, onder b, van het Bro komt voor de toepassing van artikel 3.23 van de Wro in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw mits het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

Voor zover eisers met deze opmerking beoogden te stellen dat de rechtbank buiten de gronden van het beroep is getreden door zich uit te laten over de vraag of in dit geval sprake is van bouwen buiten het ‘aansluitend terrein’ als omschreven in genoemd artikel 4.1.1, onder b, van het Bro overweegt de rechtbank dat in het kader van de ambtshalve door de rechter te beantwoorden vraag of verweerder bevoegd was ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro te verlenen, beoordeeld dient te worden of voldaan is aan de voorwaarde die artikel 4.1.1, onder b van het Bro stelt aan het verlenen van deze ontheffing, met het gestelde in deze bepaling achter “mits…”. In het onderhavige geval zou ingevolge de aanvraag gebouwd gaan worden buiten het vlak dat het bestemmingsplan voor dit perceel voor bebouwing aangeeft, te weten het bebouwingsvlak. Niet in geschil is dat dit bebouwingsvlak reeds volledig is volgebouwd en dat volgens het bestemmingsplan buiten dat bebouwingsvlak geen gebouwen mogen worden opgericht. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS voorziet het bouwplan in dat geval niet in bouwen op aansluitend terrein, zodat verweerder niet bevoegd was op grond van dit artikel met toepassing van artikel 3.23 van de Wro ontheffing te verlenen. Nu het bestemmingsplan in dit geval een bebouwingsvlak kent als regime om de plaats van op het perceel toegestane bebouwing aan te geven, kon geen gebruik worden gemaakt van de clausule dat ontheffing is toegestaan mits het bouwplan niet tot gevolg heeft dat “de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden”. Daarvan kan gebruik gemaakt worden wanneer het te bebouwen deel van het perceel in het bestemmingsplan wordt aangegeven met een percentage; als men naar believen zou kunnen kiezen uit één van beide, zou het gestelde over het aansluitende terrein zinledig zijn.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

3.1 verklaart de beroepen tegen het besluit tot ontheffing, voor zover het beroep ziet op de aanvankelijk gehanteerde grondslag van artikel 3.23 van de Wro, niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel en in het openbaar uitgesproken op

13 januari 2010.

De griffier: De rechter:

W.B. Lakeman mr. V.M.M. van Amstel

Afschrift verzonden op:

Tegen de beslissing op beroep staat, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.