Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BK9110

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
248672 / HA ZA 08-954
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht boekhouder houdt in dat moet worden beoordeeld of deze heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend boekhouder in vergelijkbare omstandigheden. Aard en omvang van de werkzaamheden is daarbij van belang. Kleine fouten hoeven nog niet te betekenen dat sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming.

Boekhouder mocht een deel van de overeengekomen werkzaamheden opschorten.Dat de boekhouder die opschorting toen niet heeft meegedeeld aan opdrachtgever doet daaraan niet af. Voor opdrachtgever moet het duidelijk zijn geweest dat de boekhouder bepaalde werkzaamheden niet zou uitvoeren, gelet op niet nakomen door opdrachtgever van betalingsverplichtingen en op omstandigheid dat opdrachtgever zich niet heeft ingespannen om ervoor te zorgen dat de administratie bij de boekhouder terecht kwam.

Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat de boekhouder zich erop beroept dat een met de opdrachtgever getroffen minnelijke regeling is vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 248672 / HA ZA 08-954

Vonnis van 13 januari 2010

in de zaak van

1. de commanditaire vennootschap

C.V. [eiser sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S.P.A. Wensink-Vergunst,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.S. Schouten.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.], [eiser sub 2], [eiseres sub 3] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers c.s.] exploiteren [café]. De onderneming was aanvankelijk ondergebracht in een vennootschap onder firma. Deze is in juni 2006 omgezet in een commanditaire vennootschap. [gedaagde] drijft een onderneming die boekhoudkundige en fiscaal-juridische diensten verleent.

2.2. Sinds de oprichting van het café op 1 oktober 1993 heeft (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] de boekhouding van [eisers c.s.] verzorgd. De werkzaamheden werden verricht door [gedaagde] zelf en door zijn werknemers. De jaarlijks terugkerende werkzaamheden van [gedaagde] bestonden uit het opstellen van de jaarrekening, het bijhouden van de grootboeken, het verzorgen van aangiften inkomstenbelasting van de vennoten, het bijhouden van de belasting- en premieverplichtingen jegens de belastingdienst en het UWV en het inboeken van de daarmee verband houdende betalingen, het verzorgen van de loonadministratie met betrekking tot het personeel (waaronder het doen van de aangiften loonbelasting), het bijhouden van de kosten van inkoop en verkoop en het zorgdragen voor de aangiften omzetbelasting. Daarnaast heeft [gedaagde] (advies-) werkzaamheden van diverse aard voor [eisers c.s.] verricht, in het kader waarvan sprake was van besprekingen en correspondentie met de belastingdienst en het UWV, waaronder het opstellen van bezwaarschriften, het treffen van betalingsregelingen en het administratief verwerken van verrekeningen van de belastingdienst.

2.3. Bij controles door de belastingdienst van de administratie van [eisers c.s.] werden zij bijgestaan door [gedaagde]. Deze controles vonden plaats in 1996, 1998, 2002 en 2003. De controle in 2002 vond plaats in de periode van begin mei 2002 tot en met begin december 2002 en had onder meer als doel te onderzoeken de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en loonbelasting over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000. De controle van de belastingdienst in 2003 vond plaats in de periode van maart tot november van dat jaar en had betrekking op de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2001 alsmede de omzetbelasting over het jaar 2001. De controles in 2002 in 2003 hebben niet geleid tot correcties door de belastingdienst.

2.4. Bij brief van 9 augustus 2005 stelde [gedaagde] aan [eisers c.s.] met betrekking tot het concept jaarverslag 2004 onder meer de volgende vragen:

1. Wij missen de jaaropgaven (stand per 31 december 2004) van Heineken en de Co-Am.

(…)

3. Is er in het jaar 2004 geen pensioenpremie en ziekengeld verzekering voor het personeel betaald? Zo ja op welke wijze is dit dan betaald?

(…)

2.5. In alle jaarrekeningen van de onderneming van [eisers c.s.] over de jaren 2000 tot en met 2004 is door [gedaagde] het volgende vermeld (waar in het citaat haakjes staan is in de desbetreffende jaarrekening het boekjaar vermeld):

SAMENSTELLINGSVERKLARING

Opdracht

Wij hebben de jaarrekening (…) van V.o.f. [eiser sub 1] te [vestigingsplaats] samengesteld op basis van de door u verstrekte gegevens. De verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de gegevens en de hierop gebaseerde jaarrekening berust bij de leiding van de onderneming. Het is onze verantwoordelijkheid een samenstellingsverklaring inzake de jaarrekening te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze werkzaamheden bestonden, overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot samenstellingsopdrachten, in hoofdzaak uit het verzamelen, verwerken, rubriceren en samenvatten van financiële gegevens. De aard en omvang van deze werkzaamheden brengen met zich mee dat zij niet kunnen resulteren in die zekerheid omtrent de getrouwheid van de jaarrekening die aan een accountantsverklaring of beoordelingsverklaring kan worden ontleend.

2.6. Partijen zijn overeengekomen dat [eisers c.s.] [gedaagde] maandelijks een voorschot zouden betalen. Over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 (48 maanden) hebben [eisers c.s.] 32 voorschotten betaald ter hoogte van in totaal EUR 20.793,--. In 2004 verkeerden [eisers c.s.] in financiële problemen. Krijco Amusement B.V., waarvan [eisers c.s.] speelautomaten huurden (hierna: “Krijco”), heeft in verband daarmee tussen partijen bemiddeld. Bij brief van 15 december 2004 aan Krijco heeft [gedaagde] meegedeeld dat [eisers c.s.] een bedrag van in totaal EUR 34.138,-- verschuldigd waren, bestaande uit EUR 12.170,-- (het totaal van de 16 niet betaalde voorschotten tot en met december 2004), EUR 18.984,-- (voor werkzaamheden in verband met de controles door de belastingdienst) en EUR 2.984,-- (rente tot en met 30 november 2004). Tevens deelde [gedaagde] in deze brief mee dat per 1 december 2004 finale kwijting werd verleend, op voorwaarde dat [eisers c.s.] op zeer korte termijn EUR 20.000,-- zouden betalen.

2.7. Bij brief van 22 februari 2005 aan [eisers c.s.] herhaalde [gedaagde] zijn voorstel om tegen betaling van EUR 20.000,-- finale kwijting te verlenen, ditmaal op voorwaarde dat op zeer korte termijn EUR 12.000,-- zou worden betaald. Met betrekking tot het restant schreef [gedaagde] het volgende:

De heer [X] van Krijco heeft aangeboden hierin als intermediair te willen optreden, uit louter praktische redenen. Ik stel u dan ook voor wekelijks EUR 200,-- via Krijco op het restant ad EUR 8.000,-- te betalen.

2.8. [eisers c.s.] hebben aan [gedaagde] op 9 maart 2005 een bedrag van EUR 12.000,-- betaald, op 4 augustus 2005 EUR 2.600,-- en op 15 december 2005 EUR 3.400,-- (in totaal EUR 18.000,--). Daarnaast hebben [eisers c.s.] in 2005 vijf voorschotten voldaan voor een totaalbedrag van EUR 3.403,35. In 2006 hebben [eisers c.s.] zes voorschotten aan [gedaagde] betaald van in totaal EUR 3.992,40.

2.9. De jaarrekening over 2004 is door [gedaagde] in 2005 opgesteld. Daarnaast heeft [gedaagde] in 2005 en 2006 de aangiften omzetbelasting en de loonadministratie voor [eisers c.s.] verzorgd (waaronder het doen van aangiften loonbelasting). De aangiften inkomstenbelasting over 2005 en 2006 zijn niet door [gedaagde] gedaan. Met betrekking tot die aangiften heeft [gedaagde] ten behoeve van [eisers c.s.] aan de belastingdienst uitstel verzocht en verkregen (de aangiften inkomstenbelasting 2005 moesten uiterlijk 31 januari 2007 worden ingediend). In 2007 heeft [gedaagde] voor [eisers c.s.] nog slechts een aangifte omzetbelasting gedaan en de loonheffing over december 2006 verzorgd.

2.10. Bij brief van 12 juli 2007 schreef [gedaagde] aan [eisers c.s.]:

Onderstaand geef ik u een samenvatting van de thans op uw naam staande declaraties. Ik ben hierbij uitgegaan van de feitelijk gewerkte uren vanaf 1/12 2004 tot 1/5 2007.

Gewerkte uren EUR 14.249,00

Omzetbelasting 2.707,31

EUR 16.956,31

Openstaand uit 2004, volgens regeling (onder voorbehoud) 8.000,00

Totaal EUR 24.956,31

Af: van u ontvangen betalingen in 2005, 2006 alsmede

december 2004 10.887,37

Resteert EUR 14.068,94

2.11. In een brief van 26 september 2007 heeft [gedaagde], onder verwijzing naar zijn brief van 22 februari 2005, aan [eisers c.s.] bericht dat hij op 14 maart 2005 een bedrag van EUR 12.000,-- heeft ontvangen, dat hij geen betaling van EUR 8.000,-- binnen redelijke termijn heeft ontvangen en dat hiermee zijn voorstellen voor finale kwijting per

1 december 2004 zijn komen te vervallen. Met betrekking tot de periode 2001 tot en met 2004 verzocht [gedaagde] [eisers c.s.] het in zijn brief van 15 december 2004 genoemde bedrag van EUR 34.138,-- te betalen. Tevens herhaalde [gedaagde] dat [eisers c.s.] over de periode tot 1 mei 2007 EUR 16.956,31 verschuldigd waren. In deze brief heeft [gedaagde] gespecificeerd dat [gedaagde] over 2005 en 2006 46,75 uren ten behoeve van [eisers c.s.] heeft gewerkt, waarvan hij 36,75 uren in rekening heeft gebracht. Voorts heeft [gedaagde] bij deze brief een specificatie gevoegd van de door werknemers van [gedaagde] gewerkte uren over de periode 1 december 2004 tot en met 5 april 2007 (180,27 uren). In deze specificatie is vermeld dat werknemers van [gedaagde] in 2007 in totaal 1 uur en 50 minuten ten behoeve van [eisers c.s.] hebben gewerkt. Daarnaast gaf [gedaagde] een recapitulatie van het bedrag dat volgens hem op dat moment verschuldigd was. Als totaal openstaand vermeldde [gedaagde] een bedrag van EUR 31.552,94. [gedaagde] sloot deze brief als volgt af:

Ik verzoek u vriendelijk doch dringend dit nogmaals met uw gegevens te vergelijken, en mij geconstateerde verschillen schriftelijk te berichten, onderbouwd en gespecificeerd en voorzien van de onderliggende “bewijsstukken” binnen 14 dagen na heden. Ik verzoek u tevens tot algehele betaling ad EUR 31.552,94 over te gaan binnen 14 dagen na heden, indien uw conclusie ook is dat onze vordering correct is.

2.12. Op laatstgenoemde brief hebben [eisers c.s.] bij brief van 17 oktober 2007 gereageerd. Daarin schreven [eisers c.s.] onder meer:

In uw tweede alinea heeft u alleen een betaling van ad EUR 12.000,-- gemeld er zijn echter door Krijco op 4 augustus 2005 nog eens ad EUR 2.600,-- betaald en op 15 december 2005 een bedrag van ad EUR 3.400,--. Wij vragen ons af waar deze door u verwerkt zijn. Dhr. [X] van firma Krijco heeft hierin bemiddeld en na navraag bent u niet op het restant bedrag teruggekomen. Ik heb begrepen van dhr. [X] dat er nog ad EUR 2.000,-- voor u gereserveerd staat en kan dus aan u overgemaakt worden.

Wat ik echter zeer vreemd vind is dat u in verschillende brieven een ander openstaand bedrag meldt. Met het openstaande bedrag in uw laatste brief ben ik het dus helemaal niet eens. In uw brief van 12 juli heeft u een openstaand bedrag van ad EUR 14.068,94 en in uw laatste brief meldt u een bedrag van ad EUR 31.552,94. (…) Toch gaan wij ervan uit dat dit alles op te lossen is zodat we op een goede manier afscheid van elkaar kunnen nemen.

2.13. In een brief van 23 oktober 2007 heeft [gedaagde] [eisers c.s.] gesommeerd tot betaling van EUR 28.614,94 binnen vijf dagen. [eisers c.s.] hebben dit bedrag niet voldaan.

2.14. In een brief van 11 december 2007 heeft de advocaat van [eisers c.s.] aan [gedaagde] bericht dat de overeenkomst van opdracht werd ontbonden. Voorts is [gedaagde] in deze brief gesommeerd om binnen vijf werkdagen diverse stukken aan [eisers c.s.] te retourneren.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers c.s.] vorderen, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat [eisers c.s.] de overeenkomst, waarbij zij de boekhoudkundige werkzaamheden aan [gedaagde] hebben uitbesteed, buitengerechtelijk hebben ontbonden, althans de (gedeeltelijke) ontbinding van deze overeenkomst uit te spreken;

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eisers c.s.] van een bedrag van EUR 46.188,86, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te betalen, voortvloeiend uit de op [gedaagde] rustende ongedaanmakingsverbintenis als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2007 tot aan de dag der voldoening;

3. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van schade ter hoogte van EUR 4.893,89 althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 december 2007 tot aan de dag der voldoening;

4. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte aan [eisers c.s.] binnen vijf dagen na betekening van het vonnis, van de volgende stukken:

- de overeenkomst waarbij de v.o.f. is omgezet in een commanditaire vennootschap;

- de aangiften loonbelasting en omzetbelasting over de jaren 2004, 2005 en 2006 en een overzicht van de betalingen die daarop zijn verricht;

- een overzicht van de betalingen die aan het UWV zijn verricht;

- alle journaalposten, memo's en grootboeken waarin de boekhouding van [eisers c.s.] is opgenomen, over de jaren 2001 tot en met 2006,

op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 500,-- per dag of gedeelte van een dag waarop [gedaagde] in gebreke blijft voornoemde stukken aan [eisers c.s.] af te geven, met een maximum van EUR 50.000,--;

5. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [eisers c.s.] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] zijn werkzaamheden in de periode van 2001 tot en met 2006 onzorgvuldig heeft verricht en daarmee wanprestatie heeft gepleegd. Als gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding rust volgens [eisers c.s.] op [gedaagde] primair de ongedaanmakingsverbintenis tot terugbetaling van het gehele bedrag dat [eisers c.s.] in genoemde periode aan [gedaagde] hebben betaald. Subsidiair betogen [eisers c.s.] dat in het kader van de op [gedaagde] rustende ongedaanmakingsverbintenis vastgesteld moet worden wat de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden werkelijk waard zijn. Daarnaast betogen [eisers c.s.] dat zij schade hebben geleden, bestaande uit de kosten verbonden aan het op orde brengen van de administratie over 2005 en 2006 door een derde, waarvoor [gedaagde] op grond van wanprestatie aansprakelijk is.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Hij betoogt primair dat geen sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming, zodat [eisers c.s.] geen beroep op ontbinding toekomt en [gedaagde] voorts geen schadevergoeding aan [eisers c.s.] verschuldigd is. Subsidiair betoogt [gedaagde] dat ontbinding van de overeenkomst niet mogelijk is aangezien hij niet in verzuim verkeert.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde] vordert, samengevat, dat [eisers c.s.], uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk word veroordeeld tot betaling van EUR 16.138,-- (34.138 -/- 18.000) in verband met zijn werkzaamheden tot en met november 2004, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 15 december 2004, alsmede tot betaling van EUR 16.956,31 in verband met zijn werkzaamheden met ingang van december 2004, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 29 oktober 2007, met veroordeling van [eisers c.s.] in de kosten van de procedure in reconventie.

3.6. Aan zijn vordering legt [gedaagde] ten grondslag dat [eisers c.s.] de overeenkomst van opdracht dienen na te komen.

3.7. [eisers c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Beoordelingsmaatstaf

4.1. [gedaagde] heeft sinds 1993 diverse werkzaamheden ten behoeve van [eisers c.s.] verricht. Deze werkzaamheden vloeiden voort uit een overeenkomst van opdracht. [eisers c.s.] betogen dat [gedaagde] bij de uitvoering van die overeenkomst fouten heeft gemaakt, als gevolg waarvan zij de overeenkomst mochten ontbinden en [gedaagde] de aan hem betaalde bedragen terug moet betalen. Voorts vorderen [eisers c.s.] schadevergoeding op grond van wanprestatie. Het geschil tussen partijen komt neer op de vraag of [gedaagde] in de periode van januari 2001 tot en met april 2007 (in verband met de gestelde wanprestatie: toerekenbaar) tekort is geschoten in de nakoming van de op hem uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenis om de werkzaamheden zorgvuldig te verrichten.

4.2. [eisers c.s.] betogen dat [gedaagde] in de jaarrekeningen over 2000 tot en met 2004, opgesteld in de periode van 2001 tot en met 2005, diverse fouten heeft gemaakt. In verband hiermee voeren [eisers c.s.] aan dat [gedaagde] in die jaarrekeningen onjuiste bedragen heeft opgenomen als schulden aan het pensioenfonds en aan het UWV. Voorts betogen zij dat [gedaagde] in de jaarrekening 2004 onjuiste bedragen heeft opgenomen als schulden aan Heineken, Co Am, Eneco en EFM. Daarnaast voeren [eisers c.s.] diverse andere, nader te noemen omstandigheden aan die volgens hen als toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde] moeten worden aangemerkt.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Beoordeeld moet worden of [gedaagde] heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend boekhouder/adviseur in vergelijkbare omstandigheden. In het kader hiervan zal de rechtbank de gestelde fouten beoordelen. Daarbij is de aard en omvang van de boekhoudkundige werkzaamheden (zie 2.2) van belang. Gelet daarop is het maken van kleine fouten naar het oordeel van de rechtbank onvermijdelijk. Indien bij de uitoefening van boekhoudkundige werkzaamheden kleine fouten worden gemaakt hoeft dit derhalve, afhankelijk van alle omstandigheden, nog niet te betekenen dat sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming.

Jaarrekeningen

Onjuiste waarderingen

4.4. Met betrekking tot de gestelde fouten in de jaarrekeningen stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde] bij het opstellen van de jaarrekeningen afhankelijk was van de informatie die hij van [eisers c.s.] ontving. In dit verband verwijst [gedaagde] terecht naar de tekst die in elke jaarrekening is opgenomen (zie 2.5). [gedaagde] heeft [eisers c.s.] er voorts jaarlijks in de jaarrekening uitdrukkelijk op gewezen dat de aard en omvang van zijn werkzaamheden meebrachten dat zij niet konden resulteren in die zekerheid omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, die aan een accountantsverklaring of beoordelingsverklaring kan worden ontleend. [eisers c.s.] wisten dus dat de cijfers in de jaarrekeningen konden afwijken van de werkelijke hoogte van vorderingen, schulden of van de waarde van vermogensbestanddelen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat indien later (nadat de jaarrekening definitief is geworden) blijkt dat een post in de jaarrekening niet juist is gewaardeerd, dit op zichzelf nog niet tot de conclusie leidt dat [gedaagde] een fout heeft gemaakt.

Schuld aan pensioenfonds

4.5. Vaststaat dat de schuld aan het pensioenfonds in de jaarrekeningen over de jaren 2000 tot en met 2004 is gewaardeerd op bedragen die afwijken van de werkelijkheid. Ten aanzien van de schuld aan het pensioenfonds in de jaren 2000 tot en met 2002 hebben [eisers c.s.] echter slechts de definitieve afrekeningen van het pensioenfonds d.d.

23 oktober 2006 overgelegd. De jaarrekeningen over die jaren zijn veel eerder vastgesteld en gesteld noch gebleken is dat [eisers c.s.] aan [gedaagde] met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002 zodanige gegevens hebben verstrekt dat laatstgenoemde niet kon komen tot een waardering van de schuld aan het pensioenfonds zoals deze in de jaarrekeningen is opgenomen.

4.6. Met betrekking tot de jaren 2003 en 2004 hebben [eisers c.s.] twee brieven van het pensioenfonds overgelegd, beide van 13 december 2005. De jaarrekening over 2003 is echter reeds in 2004 vastgesteld. De jaarrekening over 2004 is gedateerd op 19 december 2005. Dit is weliswaar bijna een week na 13 december 2005, maar beide brieven zijn door het pensioenfonds rechtstreeks aan [eisers c.s.] gezonden. Gesteld noch gebleken is dat [eisers c.s.] [gedaagde] tijdig kopieën van beide brieven hebben verstrekt. [gedaagde] betoogt dat hij [eisers c.s.] bij de besprekingen van de concept-jaarcijfers over 2003 en 2004 heeft gemeld dat geen enkele betaling aan het pensioenfonds in de administratie was aangetroffen. [gedaagde] heeft dit onderbouwd met zijn brief aan [eisers c.s.] van 9 augustus 2005 (zie 2.4 onder 3). Volgens [gedaagde] hebben [eisers c.s.] vervolgens hieromtrent geen enkel stuk overgelegd en was het voor hem onmogelijk om onderscheid te maken tussen in rekening gebrachte rente, boetes, deurwaarderskosten, incassokosten, omzetbelasting over de kosten en betaalde premies. Gelet op de omstandigheid dat [eisers c.s.] alleen brieven van het pensioenfonds uit december 2005 hebben overgelegd is de rechtbank van oordeel dat [eisers c.s.] hun stellingen op dit punt onvoldoende hebben onderbouwd. De rechtbank concludeert dat ook met betrekking tot de jaren 2003 en 2004 niet is gebleken dat [eisers c.s.] aan [gedaagde] zodanige gegevens hebben verstrekt dat laatstgenoemde niet kon komen tot een waardering van de schuld aan het pensioenfonds zoals deze in de jaarrekeningen is opgenomen.

Schuld aan UWV

4.7. Ten aanzien van de schuld aan het UWV per ultimo 2000 respectievelijk 2001 hebben [eisers c.s.] brieven van het UWV overgelegd d.d. 18 februari 2003. In deze brieven is het opvorderbare bedrag over de desbetreffende jaren vermeld. [eisers c.s.] wijzen erop dat deze bedragen afwijken van de bedragen die in de jaarrekeningen zijn opgenomen. [gedaagde] betoogt dat de in die brieven vermelde bedragen de saldi per verwerkingsdatum weergeven (14 februari 2003) en dat de schuldpositie per 31 december 2000 respectievelijk 2001 daaruit niet blijkt. De rechtbank volgt [gedaagde] in dit verweer. Nu [eisers c.s.] geen stukken hebben overgelegd waaruit de schuld per 31 december 2000 respectievelijk 2001 blijkt, kan niet worden aangenomen dat [eisers c.s.] aan [gedaagde] met betrekking tot de jaren 2000 en 2001 zodanige gegevens hebben verstrekt dat laatstgenoemde niet kon komen tot een waardering van de schuld aan het UWV zoals deze in de jaarrekeningen is opgenomen.

4.8. Met betrekking tot 2003 betogen [eisers c.s.] dat de per 31 december van dat jaar opgenomen schuld niet juist kan zijn omdat zij, gelet op hun financiële problemen in die periode, in 2003 niet in staat zijn geweest de schuld aan het UWV terug te brengen door betaling van in totaal EUR 3.844,34,--. Daartegen voert [gedaagde] een met bedragen en data gespecificeerd overzicht aan van alle betalingen van [eisers c.s.] aan het UWV in 2003, tot in totaal EUR 12.193,23. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is de rechtbank van oordeel dat [eisers c.s.] onvoldoende hebben onderbouwd dat deze post in de jaarrekening over 2003 niet juist is. Ten aanzien van het jaar 2004 heeft [gedaagde] een overzicht van het UWV overgelegd met een recapitulatie van 1999 tot en met 2005 (productie 23 conclusie van dupliek). Daaruit blijkt dat het UWV per 31 december 2004 uitging van een vordering op [eisers c.s.] van EUR 3.237,97, inclusief “kosten Jagter invordering” ter hoogte van EUR 250,--. [gedaagde] betoogt dat dit een betwiste post is maar in ieder geval geen post die verschuldigd was aan het UWV. Daarnaast heeft het UWV in 2004 EUR 45,64 rente berekend. Op de balans van [eisers c.s.] is per 31 december 2004 EUR 2.942,-- opgenomen. Dit komt afgerond overeen met 3.237,97 -/- 250 -/- 45,64. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat deze post eind 2004 onjuist was.

Lening Heineken

4.9. Ter zake van de lening van Heineken hebben [eisers c.s.] een brief van Heineken overgelegd van 11 juli 2005, waarin is opgenomen dat de schuld van [eisers c.s.] op 1 januari 2005 EUR 8.323,42 bedroeg. In de jaarrekening over 2004 is deze lening op EUR 10.236,-- gewaardeerd. Onder verwijzing naar zijn brief van 9 augustus 2005 (zie 2.4 onder 1) betoogt [gedaagde] dat hij [eisers c.s.] heeft verzocht de stand van de lening per 31 december 2004 op te geven maar dat [eisers c.s.] aan dit verzoek niet hebben voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] het saldo van de lening per 30 juni 2004 in de jaarrekening opgenomen. In verband hiermee heeft [gedaagde] een brief van Heineken overgelegd van 2 juli 2004, waarin is vermeld dat de schuld op 30 juni 2004 EUR 10.236,06 bedroeg (productie 24 conclusie van dupliek). Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat [eisers c.s.] aan [gedaagde] met betrekking tot deze lening zodanige gegevens hebben verstrekt dat laatstgenoemde niet kon komen tot een waardering van de schuld aan Heineken zoals deze in de jaarrekening over 2004 is opgenomen.

Lening Co Am

4.10. De lening van Co Am (Krijco) is in de jaarrekening 2004 gewaardeerd op

EUR 5.071,-- negatief, waaruit volgt dat dit een vordering van [eisers c.s.] op Co Am betrof. [eisers c.s.] hebben een jaaropgave 2005 van Co Am overgelegd, waarin is vermeld dat de vordering van [eisers c.s.] op Co Am op 1 januari 2005 EUR 4.820,20 bedroeg. Het verschil bedraagt EUR 250,--. [gedaagde] betoogt dat deze lening in feite een spaarpot van [eisers c.s.] is die werd opgebouwd doordat [eisers c.s.] veelvuldig een voorschot van EUR 250,-- betaalden aan de medewerkers van Krijco die wekelijks bij het café langskwamen om een deel van de opbrengst van de gokkasten op te halen. Het verschil tussen de jaarrekening en de jaaropgave kan volgens [gedaagde] hierdoor worden verklaard, dat de medewerker van Krijco kort voor 31 december 2004 EUR 250,-- van [eisers c.s.] heeft ontvangen, terwijl dit op 31 december 2004 nog niet in de administratie van Krijco (Co Am) is verwerkt. De rechtbank is van oordeel dat zelfs indien het verschil hierdoor niet wordt verklaard, dit verschil zo klein is dat dit geen fout oplevert die als een (toerekenbare) tekortkoming van [gedaagde] moet worden beschouwd.

Eneco en EFM

4.11. [eisers c.s.] betogen dat zij bij het opstellen van de jaarrekening over 2005 een sluitpost hebben moeten maken ter zake van een borgsom Eneco ter hoogte van EUR 494,56 en dat de rente op de lening EFM ter hoogte van EUR 106,89 niet in de jaarrekening is opgenomen. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Gesteld nog gebleken is echter dat [eisers c.s.] [gedaagde] informatie dan wel stukken hebben verstrekt op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat [gedaagde] de post Eneco anders had moeten waarderen respectievelijk de post EFM in de jaarstukken had moeten opnemen. Voorts is de rechtbank met betrekking tot deze posten van oordeel dat indien [gedaagde] hier wel fouten heeft gemaakt deze zo klein zijn, dat zij niet als een (toerekenbare) tekortkoming kunnen worden beschouwd.

Conclusie met betrekking tot de jaarrekeningen

4.12. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] met betrekking tot de jaarrekeningen fouten heeft gemaakt die als een (toerekenbare) tekortkoming moeten worden beschouwd.

Overige omstandigheden

4.13. [eisers c.s.] voeren voorts andere omstandigheden aan die volgens hen als toerekenbare tekortkomingen van [gedaagde] moeten worden aangemerkt. Zij betogen:

a) dat [gedaagde] in 2005 en 2006 de boekhouding niet heeft verzorgd;

b) dat [gedaagde] ten onrechte bij de belastingdienst uitstel had gevraagd voor het doen van de aangiften inkomstenbelasting 2005 en 2006;

c) dat [gedaagde] geen overzicht kon geven van de verplichtingen van [eisers c.s.] richting het UWV, de belastingdienst en het pensioenfonds;

d) dat [gedaagde] [eisers c.s.] er niet aan had herinnerd dat zij vanaf januari 2006 loonbelasting moesten betalen;

e) dat [gedaagde] de twee personeelsleden van [eisers c.s.] bij de belastingdienst had opgegeven als variabele krachten terwijl zij als vaste krachten opgegeven hadden moeten worden;

f) dat [gedaagde] [eisers c.s.] nooit heeft uitgelegd dat zij aan het einde van elk jaar de aanwezige voorraden dienden te inventariseren.

4.14. Met betrekking tot de omstandigheden genoemd in 4.10 onder a) tot en met c) overweegt de rechtbank als volgt. Volgens [eisers c.s.] hebben partijen de overeenkomst van opdracht met ingang van januari 2007 beëindigd. [gedaagde] betoogt dat dit pas in april 2007 is gebeurd. Partijen zijn het er echter over eens dat [gedaagde] in 2007 voor [eisers c.s.] nog slechts een aangifte omzetbelasting heeft gedaan en de loonheffing over december 2006 heeft verzorgd. [eisers c.s.] voeren aan dat zij [gedaagde] in december 2006 hebben verzocht om deze laatste werkzaamheden uit te voeren. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de omstreeks 1993 tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht inderdaad met ingang van januari 2007 is geëindigd en dat [eisers c.s.] in december 2006 aan [gedaagde] een nadere, beperkte opdracht hebben gegeven. Mede gelet hierop begrijpt de rechtbank de stelling van [eisers c.s.], dat [gedaagde] in 2005 en 2006 de boekhouding niet heeft verzorgd, aldus dat zij [gedaagde] verwijten dat hij in 2006 de jaarrekening over 2005 niet heeft opgesteld en dat hij in zowel in 2005 als 2006 geen grootboeken en journaals heeft opgesteld, met als bijkomend gevolg dat [gedaagde] geen overzicht kon geven van de verplichtingen van [eisers c.s.] richting het UWV, de belastingdienst en het pensioenfonds.

4.15. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] de jaarrekening over het jaar 2005 niet heeft opgesteld. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat vanaf begin 2005 [gedaagde] niet over de administratie van [eisers c.s.] beschikte. Tot en met het jaar 2004 werd de administratie van [eisers c.s.] één keer in de drie maanden aan [gedaagde] ter beschikking gesteld. Meestal werd de administratie bij [eisers c.s.] opgehaald door een medewerker van [gedaagde], soms leverde [eiseres sub 3] de administratie bij [gedaagde] af. [gedaagde] betoogt dat hij in 2005 en 2006 wel de grootboeken en journaals heeft bijgehouden. De rechtbank passeert dit verweer nu [gedaagde] niet over de administratie van [eisers c.s.] beschikte. [gedaagde] kon derhalve niet weten welke bedragen ingeboekt zouden moeten worden, welke facturen bij [eisers c.s.] waren binnengekomen en welke betalingen [eisers c.s.] daarop hadden verricht. [gedaagde] betoogt echter tevens dat hij op grond van het langdurig en omvangrijk betalingsverzuim aan de zijde van [eisers c.s.] gerechtigd was tot opschorting van zijn verbintenissen uit de overeenkomst. Volgens [gedaagde] heeft hij van dit opschortingsrecht slechts ten dele gebruikgemaakt en heeft hij zijn werkzaamheden beperkt tot het hoognodige, zolang er sprake was van een forse betalingsachterstand.

4.16. Met betrekking tot dit beroep van [gedaagde] op zijn opschortingsrecht overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat [gedaagde] voor de opgeschorte, niet uitgevoerde werkzaamheden niets in rekening heeft gebracht. In 2005 heeft [gedaagde] de jaarrekening over 2004 opgesteld. In 2005 en 2006 heeft hij ten behoeve van [eisers c.s.] de aangiften omzetbelasting en de loonadministratie verzorgd (waaronder het doen van aangiften loonbelasting). In 2004 verkeerden [eisers c.s.] in financiële problemen. Krijco is toen tussen partijen gaan bemiddelen in verband met de betalingsverplichting van [eisers c.s.] jegens [gedaagde]. Eind 2004 stelde [gedaagde] vast dat [eisers c.s.] over de jaren 2001 tot en met 2004 16 van de 48 overeengekomen maandelijkse voorschotten niet hadden betaald. Bij brief van 15 december 2004 aan Krijco heeft [gedaagde] gemeld dat [eisers c.s.] hem toen een bedrag van EUR 34.138,-- verschuldigd waren, maar dat hij in het kader van een minnelijke regeling bereid was genoegen te nemen met EUR 20.000,--, mits betaling van dat bedrag op zeer korte termijn zou geschieden (zie 2.6). In januari en februari 2005 ontving [gedaagde] echter van [eisers c.s.] slechts twee voorschotten van elk EUR 680,67. Desalniettemin heeft [gedaagde] in zijn brief van 22 februari 2005 aan [eisers c.s.] herhaald dat hij bereid was om tegen betaling van EUR 20.000,-- finale kwijting te verlenen. Daaraan verbond [gedaagde] toen de voorwaarde dat EUR 12.000,-- op zeer korte termijn zou worden betaald (zie 2.7). Voor het restant van EUR 8.000,-- stelde [gedaagde] voor dat [eisers c.s.] wekelijks EUR 200,-- zouden betalen. [eisers c.s.] hebben aan [gedaagde] op 9 maart 2005 een bedrag van EUR 12.000,-- betaald, op 4 augustus 2005 EUR 2.600,-- en op 15 december 2005 EUR 3.400,-- (in totaal EUR 18.000,--). Hun verplichting tot het maandelijks betalen van een voorschot (buiten het kader van de minnelijke regeling) kwamen [eisers c.s.] in 2005 echter opnieuw niet na. Na februari 2005 ontving [gedaagde] pas weer voorschotten in oktober, november en december van dit jaar. In 2006 betaalden [eisers c.s.] slechts 6 van de 12 voorschotten.

4.17. Onder deze omstandigheden was [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd tot opschorting van de op hem rustende verbintenissen tot het opstellen en bijhouden van de grootboeken en journaals en tot het opstellen van de jaarrekening over 2005. De omstandigheid dat [gedaagde] in 2005 en 2006 [eisers c.s.] niet heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvond maakt dit niet anders. In dit verband weegt de rechtbank mee dat het [eisers c.s.] duidelijk moet zijn geweest dat [gedaagde] de grootboeken, de journaals en de jaarrekening niet zou opstellen. [eisers c.s.] kwamen hun betalingsverplichtingen jegens [gedaagde] immers niet volledig na. Bovendien kwam er geen medewerker van [gedaagde] meer langs om de administratie op te halen, terwijl ook [eisers c.s.] zich niet hebben ingespannen om ervoor te zorgen dat de administratie bij [gedaagde] terechtkwam. Gesteld noch gebleken is voorts dat [eisers c.s.] in 2005/2006 zich er bij [gedaagde] over hebben beklaagd dat de administratie niet werd opgehaald. Onder deze omstandigheden mocht ook [gedaagde] aannemen dat het [eisers c.s.] duidelijk was dat hij zijn werkzaamheden zou beperken tot het opstellen van de jaarrekening over 2004 en het verzorgen van de aangiften loonbelasting en de loonadministratie. Het voorgaande geldt tevens voor de aangiften inkomstenbelasting van [eisers c.s.] over het jaar 2005. Door in ieder geval de belastingdienst om uitstel te verzoeken heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank aan zijn zorgplicht dienaangaande voldaan.

4.18. Met betrekking tot de door [eisers c.s.] in 4.10 onder d) tot en met f) aangevoerde omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord op deze stellingen gemotiveerd verweer gevoerd. Aangezien [eisers c.s.] die verweren bij conclusie van repliek niet hebben weersproken is de rechtbank van oordeel dat [eisers c.s.] deze stellingen onvoldoende hebben onderbouwd.

4.19. De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] met betrekking tot de in 4.13 door [eisers c.s.] genoemde omstandigheden fouten heeft gemaakt die als een (toerekenbare) tekortkoming moeten worden beschouwd.

Conclusie ten aanzien van beroep op ontbinding en vordering tot schadevergoeding

4.20. Aangezien geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de op [gedaagde] uit de overeenkomst van opdracht rustende verbintenissen komt aan [eisers c.s.] geen beroep op ontbinding toe. Dientengevolge rust op [gedaagde] geen ongedaanmakingsverbintenis ten aanzien van de bedragen die [eisers c.s.] hem voor zijn werkzaamheden hebben betaald. Het voorgaande leidt er voorts toe dat [eisers c.s.] geen recht hebben op schadevergoeding. De vorderingen 1 tot en met 3 van [eisers c.s.], vermeld onder 3.1, zullen dan ook worden afgewezen.

Vordering tot afgifte van stukken

4.21. Met betrekking tot de vordering tot afgifte van stukken overweegt de rechtbank dat [gedaagde] bij conclusie van antwoord een tegenstrijdig verweer voert. Enerzijds stelt [gedaagde] dat hij [eisers c.s.] de stukken heeft verstrekt waarom is verzocht. Anderzijds betoogt [gedaagde] dat voor zover hij enige stukken niet heeft overgedragen, dit is geschied vanwege zijn retentierecht in verband met het hoge openstaande saldo. Bij conclusie van repliek hebben [eisers c.s.] benadrukt dat zij de desbetreffende stukken niet van [gedaagde] hebben ontvangen, waarop [gedaagde] bij conclusie van dupliek niet heeft gereageerd. De vordering tot afgifte van de stukken kan dan ook worden toegewezen, met uitzondering van de grootboeken, memo’s en journaalposten over de jaren 2005 en 2006 aslmede het overzicht van de betalingen aan het UWV. De rechtbank gaat er immers van uit dat [gedaagde] in die jaren geen grootboeken en journaalposten heeft opgesteld. Daarnaast heeft [gedaagde] al een gedetailleerd overzicht van de betalingen aan het UWV overgelegd (productie 23 conclusie van dupliek).

4.22. Gesteld noch gebleken is dat [eisers c.s.] met betrekking tot de gevorderde stukken een spoedeisend belang hebben. Uit de processtukken blijkt dat hun boekhouding met betrekking tot de jaren vanaf 2005 door een derde is verzorgd en dat ook de jaarrekeningen over 2005 en later door een derde zijn opgesteld. De gevorderde dwangsom zal daarom worden beperkt tot een bedrag van EUR 50,-- per dag of gedeelte van een dag waarop [gedaagde] in gebreke blijft de stukken aan [eisers c.s.] af te geven, met een maximum van EUR 5.000,--.

Proceskosten

4.23. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in reconventie

4.24. [gedaagde] vordert nakoming van de op [eisers c.s.] rustende verplichting tot betaling van de facturen. Voor zijn werkzaamheden tot en met november 2004 heeft [gedaagde] EUR 34.138,-- aan [eisers c.s.] gedeclareerd. Partijen zijn ten aanzien van dit bedrag in 2005 een regeling overeengekomen, inhoudende dat [eisers c.s.] slechts EUR 20.000,-- hoefden te betalen. [gedaagde] betoogt dat deze regeling is vervallen aangezien [eisers c.s.] slechts EUR 18.000,-- hebben betaald. [eisers c.s.] voeren aan dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat deze minnelijke regeling in stand blijft en dat zij met betrekking tot deze periode nog slechts EUR 2.000,-- dienen te betalen.

4.25. [eisers c.s.] hebben in het kader van de minnelijke regeling in maart 2005 EUR 12.000,-- aan [gedaagde] betaald. De rechtbank stelt vast dat partijen geen duidelijke termijn hebben afgesproken voor betaling van het restantbedrag van EUR 8.000,--. In zijn brief van 22 februari 2005 deed [gedaagde] het voorstel tot betaling in wekelijkse termijnen van EUR 200,-- (zie 2.7). Dit zou neerkomen op in totaal 40 weken. Van wekelijkse aflossing was echter geen sprake. In plaats daarvan hebben [eisers c.s.] op 4 augustus 2005 EUR 2.600,-- betaald en op 15 december 2005 EUR 3.400,-- (in totaal EUR 6.000,--). Een bedrag van EUR 2.000,-- diende derhalve nog betaald te worden. Op 12 juli 2007 ging [gedaagde] er echter ten onrechte nog vanuit dat [eisers c.s.] ter zake van het restant van EUR 8.000,-- niets betaald hadden (zie zijn in 2.10 vermelde brief). Desalniettemin blijkt uit die brief dat [gedaagde] op dat moment aan [eisers c.s.] te kennen gaf dat wat hem betreft de minnelijke regeling (voor in totaal EUR 20.000,--) nog steeds van kracht was. In zijn brief van 26 september 2007 kwam [gedaagde] daar op terug (zie 2.11). Ook toen ging [gedaagde] er ten onrechte vanuit dat [eisers c.s.] ter zake van het restant van EUR 8.000,-- niets betaald hadden. Bovendien liet [gedaagde] in zijn slotalinea blijken open te staan voor discussie over het totaal openstaande bedrag, waarvan het bedrag dat [eisers c.s.] met betrekking tot de periode tot en met november 2004 verschuldigd waren deel uitmaakte. [eisers c.s.] hebben vervolgens gereageerd per brief van 17 oktober 2007 (zie 2.12). Naar het oordeel van de rechtbank stelden [eisers c.s.] terecht in die brief aan de orde dat [gedaagde] in zijn brieven van 12 juli 2007 en 26 september 2007 fors uiteenlopende bedragen had vermeld. Dat zij betaling van het restant van EUR 2.000,-- toen hebben opgeschort totdat duidelijk zou worden welk bedrag zij in totaal aan [gedaagde] verschuldigd waren is naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] zich er op beroept dat de minnelijke regeling is komen te vervallen omdat [eisers c.s.] een bedrag van EUR 2.000,-- nog niet hebben voldaan. De rechtbank zal bij de bepaling van hetgeen [eisers c.s.] aan [gedaagde] verschuldigd zijn derhalve uitgaan van die regeling.

4.26. Met betrekking tot de periode van 1 december 2004 tot april 2007 heeft [gedaagde] EUR 16.956,31 gedeclareerd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] de werkzaamheden waarvoor hij heeft gedeclareerd niet heeft verricht. [eisers c.s.] dienen derhalve hun verbintenis tot betaling voortvloeiend uit de overeenkomst van opdracht (en de aanvullende overeenkomst van opdracht met betrekking tot 2007) na te komen. Aangezien de rechtbank heeft vastgesteld dat op [gedaagde] geen ongedaanmakingsverbintenis rust en [eisers c.s.] ook geen recht op schadevergoeding hebben, komt hen geen recht op verrekening toe. Wel heeft [gedaagde] bij zijn vordering ten onrechte de in 2005 en 2006 door [eisers c.s.] betaalde voorschotten buiten beschouwing gelaten. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het bedrag dat [eisers c.s.] aan [gedaagde] verschuldigd zijn:

Tot en met november 2004 (minnelijke regeling) EUR 20.000,--

Bij: december 2004 tot april 2007 16.956,31

Af: betalingen in kader van minnelijke regeling 18.000,--

Af: betaalde voorschotten in 2005 3.403,75

Af: betaalde voorschotten in 2006 3.992,40

Totaal door [eisers c.s.] verschuldigd EUR 11.560,16

Wettelijke rente

4.27. [eisers c.s.] zijn door [gedaagde] gesommeerd tot betaling van EUR 28.614,94 per uiterlijk 28 oktober 2007. Derhalve is de wettelijke rente over het bedrag van EUR 11.560,16 verschuldigd met ingang van 29 oktober 2007.

Proceskosten

4.28. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in conventie en reconventie

4.29. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eisers c.s.] binnen vijf dagen na betekening van het vonnis, van de volgende stukken:

- de overeenkomst waarbij de v.o.f. is omgezet in een commanditaire vennootschap;

- de aangiften loonbelasting en omzetbelasting over de jaren 2004, 2005 en 2006 en een overzicht van de betalingen die daarop zijn verricht;

- alle journaalposten, memo's en grootboeken waarin de boekhouding van [eisers c.s.] is opgenomen, over de jaren 2001 tot en met 2004,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eisers c.s.] een dwangsom verbeurt van EUR 50,-- per dag of gedeelte van een dag waarop [gedaagde] in gebreke blijft voornoemde stukken aan [eisers c.s.] af te geven, tot een maximum van EUR 5.000,--,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. veroordeelt [eisers c.s.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van EUR 11.560,16 (elfduizendvijfhonderdzestig euro en zestien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 29 oktober 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

13 januari 2010.

JB/SvdH