Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BK8714

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
277402 / JE RK 09-2734
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9745, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is het slaan van kinderen een reden voor ondertoezichtstelling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2010, 46

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Ondertoezichtstelling

Zaaknummer: 277402 / JE RK 09-2734

Beschikking van 8 januari 2010 van de meervoudige kamer met betrekking tot de minderjarigen:

[kind 1], geboren te [woonplaats], op [2000],

[kind 2], geboren te [woonplaats], op [2003],

[kind 3], geboren te [woonplaats], op [2005],

kinderen van

[vader], wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats],

en

[moeder], wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats].

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

1. Verloop van de procedure

Op 13 november 2009 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht, (hierna: de Raad) een verzoekschrift (met bijlagen) ingediend dat strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen.

Op 16 december 2009 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

2. Beoordeling van het verzochte

Op grond van artikel 1:254 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling indien de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

De Raad heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd omdat hun ouders slaan stelselmatig inzetten binnen de opvoeding. De wijze van bestraffing brengt gevoelens van angst en onveiligheid met zich mee, hetgeen een bedreiging vormt voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, aldus de Raad. Voorts zijn ouders niet bereid de kinderen op een andere manier te leren gehoorzamen, zodat vrijwillige hulpverlening niet tot de mogelijkheden behoort en ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

Ouders hebben aangegeven geen aanknopingspunten te zien voor een ontwikkelingsbedreiging. Zij mishandelen hun kinderen niet. Een corrigerende tik vinden zij geen mishandeling en geen bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen, zeker niet nu er in het gezin juist ook veel positieve en daarmee protectieve factoren aanwezig zijn. Ouders zijn niet bereid de onderzoekers van de Raad met hun kinderen te laten praten.

Op de zitting hebben de ouders verklaard dat de twee jongens inmiddels niet meer worden gestraft met een tik, omdat door hun leeftijd het afnemen van bepaalde privileges veel effectiever is. Het geven van een tik blijkt bij [kind 3] ook niet meer nodig te zijn, aldus de ouders, omdat zij al huilt als ze twee minuten voor straf op haar kamer moet blijven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt onder meer het volgende naar voren.

Op 10 maart 2009 meldt de politie aan het AMK zorgen te hebben over de opvoedingssituatie van de kinderen. Tijdens de verhoren van de ouders geven zij aan hun kinderen te tuchtigen. Zij slaan uit geloofsovertuiging zonder boosheid, maar uit liefde voor hun kind met de roede.

In de AMK-melding is gemeld dat de school zorgen heeft over [kind 1] en [kind 2]. Beide kinderen hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat zij thuis geslagen worden met een stok. Uit de AMK-melding blijkt tot slot dat de moeder heeft gezegd dat alleen het jongste kind nog wel eens wordt geslagen met de roede.

Voorts hebben ouders verklaard dat het rebelse gedrag van oudere kinderen moet worden verbannen. Hierbij handelen zij als volgt: wanneer hun kinderen niet luisteren, krijgen zij een mondelinge waarschuwing. Wanneer na het waarschuwen geen gedragsverandering plaatsvindt, of het gezag van de vader onvoldoende wordt geaccepteerd, gaat één van de ouders met het desbetreffende kind naar zijn/haar kamer of een andere “veilige” ruimte. Als een gesprek daar niet leidt tot het door ouders gewenste gedrag geven zij het kind “een pak voor de broek” met een pollepelachtige stok of een ander voorwerp.

Naarmate de kinderen ouder worden, neemt deze vorm van straffen af, aldus de ouders.

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat ouders de kinderen hebben geslagen met een roede of een pollepelachtige stok als onderdeel van hun opvoedingsmethode. Of daarmede sprake is van een corrigerende tik, staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Ten aanzien van de vraag of dit handelen tot een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen leidt, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de in het Raadsrapport genoemde wetenschappelijke onderzoeken komt een consistent beeld naar voren, namelijk dat kinderen uit gezinnen waar geweld als patroon in de opvoeding wordt gehanteerd een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van klinisch significante gedragsemotionele problemen. Gedragskenmerken bij de kinderen die slachtoffer zijn van fysieke kindermishandeling kunnen zich onder meer uiten in vijandig, agressief en dominant gedrag. Dit gedrag is ook vastgesteld bij de kinderen.

Uit de stukken komt immers naar voren dat [kind 1] op school meegaand en beleefd kan zijn, maar ook egocentrisch gedrag kan vertonen waarbij hij andere kinderen uitlacht. Soms doet hij anderen zonder reden pijn. Signalen van [kind 1] zijn gedurende groep 1 tot en met 5 onder meer dat hij haantje de voorste gedrag toont, grof taalgebruik bezigt en ten koste van anderen moet winnen. Signalen van [kind 2] zijn tijdens groep 1 en 2 dat hij andere kinderen plaagt als de leerkracht het niet ziet, soms zonder reden iemand pijn doet en grof taalgebruik bezigt.

Ouders van andere kinderen hebben op school geklaagd bij de leerkracht, omdat [kind 2] andere kinderen bang maakt.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.

Dit alles neemt niet weg dat, zoals de Raad ook heeft omschreven, positieve factoren aanwezig zijn in het gezin. Zo staan betrokkenheid van de ouders, de regelmaat en structuur binnen het gezin niet ter discussie. Beide ouders zijn ook erg betrokken bij de schoolgang van de kinderen en stimuleren hun kinderen hier ook in. Ouders hebben verklaard de kinderen niet meer te slaan en de school heeft onlangs gezegd dat er geen zorgen meer zijn. Desondanks, gelet op het gebrek aan openheid dat ouders hebben gegeven doordat zij de Raad slechts in algemene zin informatie hebben willen geven over hoe het slaan wordt toegepast en zij de Raad niet in de gelegenheid hebben gesteld tot het voeren van gesprekken met de kinderen door een deskundige, kan thans niet worden vastgesteld of deze factoren sterk genoeg zijn om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen het hoofd te bieden. Ouders zijn niet bereid van hun opvoedmethode afstand te doen dan wel hulp te aanvaarden om hun kinderen op een andere manier te laten luisteren. Hiermee staat voor de rechtbank vast dat vrijwillige hulpverlening geen soelaas zal bieden.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de voorwaarden, in artikel 1:254 lid 1 BW voor ondertoezichtstelling gesteld, zijn vervuld, zodat de minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] voor de duur van een jaar onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht worden gesteld.

3. Beslissing

De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht met ingang van heden voor de duur van een jaar.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.H. van Meegen, voorzitter, en mr. P.J.M. Mol en

mr. A.C. van den Boogaard, leden, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op

8 januari 2010, in tegenwoordigheid van mr. C. Bosma-van ’t Hof, griffier.