Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BR4324

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
179258 / HA ZA 04-1267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringskwestie na ongeval; rechtbank geeft opdracht aan deskundigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 179258 / HA ZA 04-1267

Vonnis van 14 januari 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.M. van Noort,

tegen

de naamloze vennootschap

ZWOLSCHE ALGEMEENE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.M. Sturkenboom.

Partijen zullen hierna [eiser] en Zwolsche genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 november 2006, met de daarin genoemde gedingstukken

- de akte van depot d.d. 19 november 2007 met depotnummer 299/2007, waarbij een deskundigenbericht d.d. 12 november 2007 en een deskundigenbericht d.d. 27 april 2007 is gedeponeerd

- de conclusie na deskundigenbericht d.d. 13 februari 2008 met één productie aan de zijde van [eiser]

- de conclusie van antwoord na deskundigenbericht d.d. 7 mei 2008 met producties aan de zijde van Zwolsche.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Zwolsche heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval dat [eiser] op 31 januari 1995 is overkomen. [eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling van Zwolsche tot betaling van € 320.423,00 ter zake verlies aan arbeidsvermogen, onder het voorbehoud van behoud van zijn huidige functie, alsmede tot betaling van € 15.000,- ter zake van immateriële schadevergoeding, voorts tot het verstrekken van een fiscale garantie conform de door [eiser] aangeleverde tekst en tot slot tot betaling van € 10.293,45 wegens kosten van deskundige bijstand, een en ander te vermeerderen met rente en (proces)kosten.

2.2. Partijen houdt verdeeld de vraag of de door [eiser] gestelde schade, in het bijzonder het verlies aan verdienvermogen en de immateriële schade, in zodanig verband staat met het ongeval dat Zwolsche gehouden is deze schade te vergoeden.

2.3. In het tussenvonnis van 22 november 2006 heeft de rechtbank overwogen dat het voor het antwoord op de vraag in hoeverre het door [eiser] gestelde verlies aan verdienvermogen aan het ongeval kan worden toegerekend van belang is dat komt vast te staan welke klachten en beperkingen als gevolg van het ongeval zijn opgetreden. Omdat uit het (door partijen geïnitieerde) rapport van 7 september 2000 van de heer R.S.H.M. Beijersbergen (hierna: Beijersbergen), neuroloog, kan worden afgeleid dat in juli 2000 geen sprake is van een medische eindtoestand, heeft de rechtbank nadere voorlichting door een deskundige nodig geacht teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vraag in hoeverre sinds juli 2000 sprake is (geweest) van neurologische klachten en/of beperkingen. Voor het vaststellen van de klachten en beperkingen heeft de rechtbank bij voormeld tussenvonnis Beijersbergen benoemd om dit onderzoek te verrichten.

Beijersbergen heeft mevrouw dr. J. Bruins (hierna: Bruins) verzocht hulponderzoek te verrichten en het door haar op 27 april 2007 opgestelde rapport is, gelijk met het rapport d.d. 12 november 2007 van Beijersbergen op 19 november 2007 bij de rechtbank gedeponeerd.

2.4. De door de rechtbank geformuleerde vragen heeft Beijersbergen als volgt beantwoord.

Vraag 1. Wat zijn uw huidige bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Antwoord: De huidige bevindingen bij de neurologische anamnese, het lichamelijk onderzoek en het mede op ons verzoek uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek zijn uitvoerig weergegeven in het vorenstaande verslag, samengevat in hoofdstuk V en besproken in hoofdstuk VI.

Vraag 2. Wilt u uw antwoord motiveren en nagaan of de anamnestisch vermelde gegevens sporen met uw onderzoeksresultaten?

Antwoord: Het moge duidelijk zijn uit de beschrijving van voorliggende bescheiden, dat de door betrokkene aangeleverde anamnestische gegevens volledig sporen met de gegevens voor zover wij die tot beschikking hebben gekregen uit de behandelende sector. Er is consequent sprake van een postwhiplashsyndroom. Daarnevens is er ook steeds sprake van lichte neurocognitieve problemen die ook enkele malen zijn geobjectiveerd bij aanvullend neuropsychologisch onderzoek. Er is consequent gedurende de afgelopen tien jaar sprake van nekklachten.

Alles tezamen is er dus een volledige correlatie tussen de klachten van betrokkene en de gegevens uit de behandelende sector. Eén en ander is van betekenis daar dit past binnen de voorschriften van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie ten aanzien van het vaststellen van een chronisch laat postwhiplashsyndroom.

Ook bij ons onderzoek kunnen wij geen objectieve afwijkingen vinden behoudens de bekende lichte pijnlijkheid van de nekstreek en de bij neuropsychologisch onderzoek gevonden geringe stoornissen.

Vraag 3. In uw rapport geeft u bij uw antwoord op vraag 5 de therapeutische suggesties dat de door betrokkene toegepaste yogatherapie dient te worden uitgebreid met gerichte fysiofitness ter verbetering van de algehele conditie en dat een nu en dan uitgevoerde chiropractie of manuele therapie verlichting zou kunnen brengen bij myogene problematiek in de schouder- of nekstreek.

a. Heeft betrokkene deze therapeutische suggesties opgevolgd?

Antwoord: Door ons werd in een eerdere rapportage gesuggereerd om, betrokkene te activeren op fysiotherapeutisch gebied.

Hierover moet worden opgemerkt dat inderdaad in 2001 op eigen verzoek via de huisarts is verzocht voor medische fysiofitness.

b. Zo ja, wat is daarvan het resultaat geweest?

Antwoord: Betrokkene geeft aan, dat dit voor hem niet goed werkte en dat hij dit uiteindelijk toch weer heeft gestaakt. Dat wil zeggen dat hij hierop niet veel verbeterd is. De meeste baat zou hij nog hebben ondervonden van yogatherapie.

Vraag 4: Blijkens het antwoord op vraag 6 in het rapport was betrokkene vrijwel optimaal hersteld van het hem overkomen ongeval en luidde uw diagnose dat niet anders dan een verdere verbetering van de situatie kon worden verwacht.

a. Is deze prognose uitgekomen?

Antwoord: Het moge duidelijk zijn dat betrokkene inderdaad redelijk goed tot goed hersteld is van het hem overkomen ongeval, maar blijkbaar niet volledig. Enerzijds werd door mij eerder aangegeven, dat psychogene elementen hierbij nog een rol speelden in het verleden en dat verder herstel mogelijk moest zijn. Echter op grond van de gegevens, die nu voorliggen, moet worden aangenomen dat dit te optimistisch is gezien door ondergetekende en dat derhalve de prognose op dit terrein niet is uitgekomen.

b. Zo nee, wilt u dan gespecificeerd aangeven in hoeverre de huidige situatie van betrokkene afwijkt van uw prognose en het verloop daarvan sedert juli 2000?

Antwoord: Er moet worden aangegeven, dat de huidige situatie in zoverre afwijkt van onze prognose in 2000, dat er geen wezenlijke verandering meer is opgetreden sinds de beschrijving van de situatie in die tijd. Dat wil zeggen dat de klachten die betrokkene toen had, nog steeds aanwezig zijn en wezenlijk niet zijn veranderd in gunstige dan wel ongunstige zin. Derhalve is de prognose bij te stellen in die zin dat vermoedelijk geen herstel meer zal intreden.

Vraag 5: Indien er sprake is van een verslechtering wilt u dan tevens gemotiveerd aangeven of die verslechtering uitsluitend het gevolg is van het betrokkene op 31 januari 1995 overkomen ongeval dan wel – geheel of gedeeltelijk – veroorzaakt wordt door andere factoren? Wilt u voor de beantwoording van deze vraag een inventarisatie maken van de feiten en omstandigheden uit het medisch dossier van betrokkene die naar uw mening in dit opzicht relevant zijn?

Antwoord: Ons inziens is er zeker geen sprake van een verslechtering, zodat wij ook niet een motivatie kunnen geven waarom deze verslechtering zou zijn ontstaan. Feitelijk heeft betrokkene nog nagenoeg hetzelfde klachtenpatroon als indertijd.

Vraag 6: In hoeverre speelt het feit dat betrokkene zich niet heeft laten behandelen een rol bij de beperkingen die hij sedert juli 2000 ondervindt, met andere woorden, welke beperkingen zou betrokkene als gevolg van het ongeval ondervinden als hij zich voor de stoornissen op uw vakgebied adequaat had laten behandelen?

Antwoord: Duidelijk is dat betrokkene zich wel degelijk heeft laten behandelen op diverse wijzen, doch dat hij zelf op de conclusie is gekomen, dat dit alles hem niet vooruit helpt. Op grond van het feit dat wij hier komen tot de vaststelling, dat het gaat om een chronisch postwhiplashsyndroom moet worden aangegeven dat de basale problematiek vrijwel zeker niet op zich behandelbaar is, doch dat alleen gewerkt kan worden aan een verbetering van het omgaan met de problemen. Hierbij zien wij zo nu en dan ook duidelijk genezing optreden, dat wil zeggen dat klachten dusdanig verminderen, dat deze subjectief weinig problemen meer geven. Gezien het feit dat betrokkene weer volledig werkzaam is in diverse banen, zijn wij van mening, dat hij zelf heeft getracht weer optimaal te gaan functioneren, zodat in dit opzicht hem geen blaam treft.

Vraag 7: Wilt u de mate van functiestoornis (=impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage van de mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene voor het ongeval? Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de American Medical Association for Permanent Impairment (AMA, meest recente editie)? Wilt u zo nauwkeurig mogelijk omschrijven hoe het totale percentage is opgebouwd en een eventueel het verloop hiervan in de tijd tussen het tijdstip van het ongeval (31 januari 1995) en heden en voorts indien van toepassing links en rechts vergelijken?

Antwoord: Uitgaande van het bestaan van een chronisch laat postwhiplashsyndroom moeten wij vaststellen dat de AMA Guides, 5e editie geen aparte categorie kent die dit syndroom omschrijft. Wel vinden wij in tabel 15-5, tabel 15-7 en example 15-12 indicaties voor het vaststellen van blijvende functionele invaliditeit bij nekletsels. De AMA Guides 5e druk geeft hier percentages invaliditeit aan die variëren tussen 0 en 8%, afhankelijk van de ernst van het letsel. Voor dit soort omstandigheden heeft de Nederlandse Vereniging voor Neurologie in haar richtlijnen van december 2001 nadere voorschriften gegeven. In hoofdstuk 4, paragraaf B: “Het postwhiplashsyndroom”, worden de voorwaarden geformuleerd, waaraan de diagnose dient te voldoen. Er wordt aangegeven dat een percentage invaliditeit kan worden vastgesteld tussen 0 en 8%. Bijkomende neuropsychologische afwijkingen dienen apart te worden geclassificeerd en gesommeerd.

Wat betreft de mate van functiestoornis moet worden opgemerkt dat aangenomen moet worden dat wat betreft de basale functiestoornissen globaal na een tweetal jaren een definitieve eindtoestand moet zijn ingetreden. Hoewel een voortgaan herstel een enkele maal wordt aangetroffen, is in voorliggende kwestie gebleken dat weinig verandering meer in de situatie is ingetreden.

Dit betekent dat globaal vanaf het begin 1997 tot heden toe een onveranderd percentage invaliditeit heeft bestaan.

Allereerst is het zo, dat bij neuropsychologische stoornissen door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie wordt geadviseerd om deze apart te benoemen. Op dit punt zijn de thans verschenen neuropsychologische rapportages niet volledig eensluidend. De uitslag wisselt van “geen” tot “geringe” stoornissen. Wij varen derhalve op de rapportage ons verstrekt door collega dr. J. Bruins, neuropsycholoog. Deze schrijft, dat er vooral objectiveerbare effecten van mentale vermoeidheid zijn op zijn testprestaties. Hoewel hieromtrent geen duidelijke uitspraak wordt gedaan, is de suggestie, dat hier toch een geringe cognitieve problematiek bestaat met name op visuele tests. Wanneer wij een invaliditeitspercentage hieraan zouden willen koppelen zouden wij moeten raadplegen de Richtlijnen van de NVvN, Hoofdstuk 2: “Aandoeningen van het centrale zenuwstelsel” en wel paragraaf A. Hieromtrent moet worden opgemerkt dat de klachten van betrokkene dusdanig mild zijn dat wij feitelijk geen percentage van enige betekenis kunnen aanwijzen en voorstellen deze voorlopig te houden op lager dan 1%.

Niettemin is de aard van de gevonden stoornis toch een kenmerk van de ernstiger whiplashletsels met onvoldoende tendens tot herstel. Wij stellen derhalve voor om deze klacht - dan wel mogelijk geringe cognitieve problematiek – mee te wegen in de bepaling van de aard en de ernst van het hem getroffen letsel.

Wat betreft de nekstreek zelf is er slechts milde pijn met name ter rechter zijde en passief geen aanwijsbare bewegingsbeperking.

Gezien ook zijn verder redelijk functioneren zijn wij van mening, dat wij hier staan voor de allerlaagste ernst van het chronisch laat postwhiplashsyndroom, zodat wij willen voorstellen hier een percentage invaliditeit aan te wijzen van 1% van de gehele persoon. Dit kan gerekend worden vanaf januari 1997.

Vraag 8: Acht u ten aanzien van de ongevalsgevolgen een eindtoestand bereikt (zo ja, per wanneer?) of verwacht u nog veranderingen in gunstige dan wel ongunstige zin, al dan niet na therapeutische maatregelen?

Antwoord: Gezien de verstreken termijn na het hem overkomen ongeval is er sprake van een definitieve eindtoestand met betrekking tot de ongevalsgevolgen. In voorliggende kwestie kunnen we uitgaan van een eindtoestand. In het voorgaande hebben wij de basale functiestoornissen en basale beperkingen weergegeven, los van eventuele subjectieve recidieven van klachten. Wij verwachten geen wezenlijke veranderingen meer in de toekomst.

Vraag 9: Bij uw antwoord op vraag 9 in uw rapport stelt u het volgende:

“Het is duidelijk dat betrokkene door het hem getroffen letsel in een zeer onvoordelige situatie is geraakt in psychologische zin doch ook in maatschappelijke zin met perspectiefverlies. Inmiddels heeft hij de zaak van zijn vader niet kunnen overnemen als gevolg van de directe problematiek na het ongeval. Een en ander moet toch mede een belangwekkende rol gespeeld hebben in psychologische zin in de subjectief ervaren klachten”.

Is uw antwoord, zoals hiervoor geciteerd, uitsluitend gebaseerd op de aan u gedane subjectieve mededelingen van de betrokkene zelf of mede op objectieve informatie, zoals onderzoeksresultaten? Wilt u in dat laatste geval gespecificeerd vermelden wat die objectieve informatie inhoudt en van wie u die heeft verkregen?

Antwoord: Beantwoording van vraag 9 in onze voorgaande rapportage is mede gebaseerd op de mededeling van de revalidatiearts, dat een neurologisch onderzoek in mei 1996 “geen uitgesproken cognitieve problemen” liet zien, behoudens wat onnauwkeurigheid in de concentratie. Mede omdat hij later ook zelfs verbeterde op dit terrein. Er was toen sprake van slecht slapen.

In de situatie, waarin wij betrokkene voor het eerst ontmoetten, was hij inderdaad in een ongewenste situatie met beduidend maatschappelijk perspectiefverlies, wat ons tot genoemde uitspraak heeft gebracht. Dit betreft dus subjectieve informatie, niet gebaseerd op psychiatrisch of psychologisch onderzoek. Uiteraard dienen dit soort aspecten bij moeilijk objectiveerbare en kwantificeerbare - en vaak subjectieve - klinische syndromen te allen tijde meegewogen te worden in de oordeelsvorming. In dit geval is dit thans niet adequaat geweest gezien de thans beschikbare gegevens en de aanvullende kennis van het verdere beloop van het klinische beeld.

Vraag 10: Welke belemmeringen of beperkingen bestaan er op medische gronden naar uw oordeel, zuiver als gevolg van de door u op uw vakgebied vastgestelde ongevalsgevolgen als gevolg van het ongeval van 31 januari 1995 voor:

a. activiteiten van het dagelijks leven in het algemeen, ongeacht hobby, ongeacht beroep?

Antwoord: Er zijn geen beperkingen aan te wijzen van betekenis voor de activiteiten van het dagelijks leven in het algemeen, ongeacht hobby, ongeacht beroep.

b. de recreatie, voor zover betrokkene voor het ongeval op dit gebied ook actief was?

Antwoord: Wat betreft de recreatie deed hij aan diverse zaken, zoals lezen, sporten en sociale activiteiten. Dit alles heeft hij duidelijk moeten minderen. Dit betreft vooral dan intensief lezen en ook sporten, gezien de pijnen die hem dit oplevert.

c. het verrichten van arbeid?

Antwoord: Gezien de door ons gestelde diagnose en de vastgestelde klachten daaruit voortvloeiende zijn er op functioneel terrein de volgende beperkingen.

Op somatisch gebied wordt betrokkene licht beperkt belastbaar geacht ten aanzien van nek- en schouderbelastende werkzaamheden, zoals klimmen, klauteren, kruipen, langdurig gebogen zitten of staan en fors torderen. Daarnaast is het gebruik van de nek in een statisch belastende en vooral van de neutrale stand afwijkende houding beperkt. Met name het omhoog kijken is beperkt. Dit geeft derhalve ook matige beperkingen bij reiken en bovenhands werken. Daarnaast zijn er lichte beperkingen bij zwaarder tillen, duwen, trekken, dragen en voor vibratie belasting. In het algemeen is er een lichte beperking in de duurbelasting van de nek en schoudergordel.

Gezien de neuropsychologische klachten gaan wij er van uit, dat er bij vermoeidheid inderdaad geringe beperkingen zijn van algemene aard op cognitief terrein. Vooral in situaties gekenmerkt door drukte of situaties, waarbij de aandacht over verschillende informatiebronnen moet worden verdeeld, zal extra mentale energie moeten worden aangewend. De kans op fouten zal daardoor duidelijk toenemen. Er zal een geringe beperking worden ondervonden bij het verrichten van mentaal gerelateerde duurbelasting.

Vraag 11: Zijn deze belemmeringen van blijvende aard?

Antwoord: Zoals hierboven omschreven bij de beantwoording van vraag 8 gaan wij er thans vanuit dat deze belemmeringen van blijvende aard zijn gezien de langere duur van bestaan en de opnieuw gebleken objectivering hiervan bij neuropsychologisch onderzoek.

Vraag 12: Wilt u bij de beantwoording van voorgaande vragen de naar uw mening bestaande beperkingen zo nauwkeurig mogelijk omschrijven ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek?

Antwoord: De beantwoording van de vragen 10 en 11 zijn dusdanig, dat naar onze mening de arbeidsdeskundige een beperking goed kan vaststellen.

Vraag 13: Indien u voor een goede beantwoording van de aan u gestelde vragen hulponderzoek door een neuropsycholoog gewenst acht, gelieve u dit onderzoek door een neuropsycholoog van uw keuze te laten verrichten. Wilt u de resultaten van een eventueel op uw verzoek verricht neuropsychologisch onderzoek bij uw oordeelsvorming betrekken?

Antwoord: Zoals wij hebben aangegeven vonden wij het noodzakelijk, gezien de wisselende uitspraken die vanuit neuropsychologische hoek kwamen omtrent deze kwestie, hernieuwd neuropsychologisch onderzoek te doen verrichten. Het onderzoek is verricht door mevrouw dr. J. Bruins. Haar rapportage is bijgevoegd en de conclusies zijn meegenomen in de definitieve oordeelsvorming van voorliggende rapportage.

Vraag 14: Bestaat er naar uw mening aanleiding voor het verrichten van onderzoek door een deskundige op een ander vakgebied dan dat van de neurologie of de neuropsychologie en zo ja, op welk vakgebied? Wilt u uw antwoord motiveren?

Antwoord: Wij zijn van mening dat naast het neuropsychologisch onderzoek er geen aanleiding is tot het verrichten van verdergaand onderzoek door een andere deskundige op enig terrein dan dat van de neurologie.

Vraag 15: Wat acht u verder nog van belang om op te merken?

Antwoord: Het moge duidelijk zijn dat de mening van ondergetekende in 2000 dat een optimaal herstel binnen de mogelijkheden moest liggen, gewraakt is door de feiten. In het algemeen blijkt het chronisch postwhiplashsyndroom met name in die situaties, waarin neuropsychologische tekorten bestaan, niet altijd te neigen tot volledig herstel, hoewel dit op deze leeftijd toch zo nu en dan door ons wordt ontmoet. In voorliggende kwestie moet alsnog worden aangenomen, dat het optimisme van ondergetekende in dit opzicht indertijd niet terecht is geweest en dat er wel degelijk geringe restverschijnselen zijn blijven voortbestaan. Deze dienen derhalve alsnog door ons als zodanig gewaardeerd te worden.

Daarnevens moet worden opgemerkt dat betrokkene een oprechte en reële indruk maakt en derhalve zijn klachten hoe dan ook serieus genomen dienen te worden.

2.5. In haar conclusie van antwoord na deskundigenbericht voert Zwolsche aan dat de conclusie van Beijersbergen inhoudende dat er bij [eiser] sprake is van een (mild) postwhiplashsyndroom met lichte beperkingen voor het verrichten van arbeid niet in stand kan blijven, omdat - kort gezegd - het rapport van Beijersbergen volgens Zwolsche niet voldoet aan de door zijn eigen beroepsvereniging opgestelde richtlijnen en omdat Bruins bij het opstellen van haar rapport geen gebruik heeft gemaakt van de standaardvragen zoals die door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie worden aanbevolen.

2.6. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het betoog van Zwolsche als volgt. De omstandigheid dat de Nederlandse Vereniging voor Neurologie thans in haar richtlijn heeft bepaald dat aan het postwhiplashsyndroom geen percentage functieverlies mag worden toegekend, rechtvaardigt, anders dan Zwolsche betoogt, niet de conclusie dat voor het aannemen van het postwhiplashsyndroom vereist zou zijn dat er in neurologisch opzicht sprake is van vaststelbare afwijkingen. Het gegeven dat klachten veelal niet objectiveerbaar blijken is immers juist kenmerkend voor het postwhiplashsyndroom. Voor het aannemen van een postwhiplashsyndroom acht de rechtbank voorts de criteria die in de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie zijn (waren) opgenomen niet van doorslaggevende betekenis, nu het onderzoek door de neuroloog is ingegeven door de vraag in hoeverre de klachten het gevolg zijn van het ongeval, en voldoende is dat komt vast te staan dat klachten bestaan die hun oorzaak vinden in het ongeval. In zoverre is dan ook niet beslissend of deze klachten kunnen worden gediagnosticeerd als postwhiplashsyndroom in de zin van de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Aan het verweer van Zwolsche voor zover gebaseerd op het niet voldoen aan de richtlijn(en) van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en in het bijzonder de daarin geformuleerde voorwaarden voor het aannemen van een postwhiplashsyndroom, kan dan ook in zoverre worden voorbij gegaan.

2.7. Ten aanzien van het argument van Zwolsche dat Bruins bij het opstellen van haar rapport geen gebruik heeft gemaakt van de standaardvragen zoals die door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie worden aanbevolen, overweegt de rechtbank als volgt. Of neuropsychologisch onderzoek nodig is, is door de rechtbank overgelaten aan Beijersbergen. De omstandigheid dat thans blijkt dat niet de standaardvragen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie door Bruins zijn gebruikt, maakt niet dat het rapport van Beijersbergen niet als uitgangspunt in deze zaak kan dienen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de rapportage van Bruins consistent en gemotiveerd is en neemt zij in aanmerking dat Beijersbergen aangeeft dat de vertaalslag van de inhoud van de rapportage van Bruins voor de situatie van [eiser] door hem als neuroloog wordt gemaakt.

2.8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bij de verdere beoordeling van het onderhavige geschil uitgaan van het in het deskundigenrapport gestelde. Ook de conclusies van de Beijersbergen zijn consistent en gemotiveerd. De rechtbank neemt het oordeel van de deskundige over en maakt dat tot het hare.

2.9. Gezien de conclusie van de deskundige is de rechtbank van oordeel dat met het deskundigenbericht vast is komen te staan dat de klachten en beperkingen die bij [eiser] zijn vastgesteld een gevolg zijn van het hem overkomen ongeval. Duidelijk is volgens Beijersbergen immers dat (consequent) sprake is van hetzelfde klachtenpatroon, dat zijn oorsprong vindt in het ongeval.

2.10. Thans dient onderzocht te worden in hoeverre [eiser] gelet op de door Beijersbergen genoemde beperkingen in staat moet worden geacht de functie te vervullen die hij voor het ongeval vervulde, qua aard van het werk en qua omvang. Daartoe dient een belastbaarheids- en beperkingenprofiel te worden opgesteld alsmede een arbeidsdeskundig rapport. Voor zover Zwolsche heeft betoogd dat voordat de arbeidsdeskundige kan rapporteren een onderzoek door een arbeidspsycholoog dient te worden ingesteld, zal de rechtbank aan dit verzoek voorbij gaan en aan de te benoemen arbeidsdeskundige de vraag voorleggen of hij daartoe aanleiding ziet.

2.11. Zoals de rechtbank reeds in haar tussenvonnis van 22 november 2006 onder punt 4.6. heeft overwogen was zij voornemens de medisch adviseur van Heling & Partners te verzoeken een belastbaarheids- en beperkingenprofiel op te stellen. Omdat thans blijkt dat aan Heling & Partners geen medisch adviseur is verbonden, heeft de rechtbank de heer mr. drs. G.J. Kruithof (hierna: Kruithof), verzekeringsarts, benaderd om een belastbaarheids- en beperkingenprofiel op te stellen. Het opstellen van een belastbaarheids- en beperkingenprofiel dient zijn grondslag te vinden in de in de medische deskundigenberichten beschreven beperkingen. In dit geval betekent dit dat aan de hand van de door Beijersbergen opgestelde rapporten van 7 september 2000 en van 12 november 2007, waaronder begrepen het rapport van 27 april 2007 opgesteld door Bruins, een belastbaarheids- en beperkingenprofiel dient te worden opgesteld.

2.12. Aan Kruithof wordt voorts verzocht om, nu de te benoemen arbeidsdeskundige niet met zijn werkzaamheden kan beginnen voordat het belastbaarheids- en beperkingenprofiel van [eiser] is vastgesteld, aan ieder van partijen een concept van zijn rapport toe te zenden en hen in de gelegenheid te stellen opmerkingen over het concept te maken, waarna het definitieve rapport kan worden toegezonden.

2.13. Zoals de rechtbank heeft overwogen in meergenoemd tussenvonnis zal vervolgens aan de heer R. Heling, als arbeidsdeskundige verbonden aan Heling & Partners, worden verzocht een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten en in dat kader de hierna vermelde vragen te beantwoorden.

2.14. Ieder van deze deskundigen heeft zich (telefonisch) bereid verklaard de benoeming te aanvaarden.

2.15. Aan de deskundigen zal worden verzocht om kennis te nemen van de rapporten, voor zover deze in de onderhavige procedure reeds zijn uitgebracht, deze mede te gebruiken voor het door ieder van hen in te stellen onderzoek en, indien noodzakelijk, zelf nader onderzoek te doen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de rapportage van drs. Van der Zwaag, genoemd in punt 4.4. van meergenoemd tussenvonnis, daarbij buiten beschouwing dient te blijven.

Aan de arbeidsdeskundige zal worden verzocht eerst het resultaat af te wachten van het door de verzekeringsarts in te stellen onderzoek alvorens zijn onderzoek te doen plaatsvinden en de bevindingen van de verzekeringsarts in zijn onderzoek te betrekken.

Aan ieder van de deskundigen zal voorts worden gevraagd om een met redenen omkleed en zo veel mogelijk gedocumenteerd antwoord te geven op de voor ieder van de deskundigen afzonderlijk geformuleerde vragen.

2.16. Omdat partijen in hun conclusies na deskundigenbericht voor wat betreft de vraagstelling een standpunt hebben ingenomen ([eiser]) en/of verwijzen naar een in een eerder stadium ingenomen standpunt (Zwolsche), zal de rechtbank thans overgaan tot het bevelen van de deskundigenberichten.

De rechtbank zal, gezien de door partijen voorgestelde vragen, de hierna in het dictum van dit vonnis opgenomen vragen (zie punt 3.1.) aan ieder van de deskundigen voorleggen. De vragen die verband houden met de eventuele behoefte aan huishoudelijke hulp en/of verzorging laat de rechtbank daarbij achterwege, omdat de vordering van [eiser] hierop niet ziet.

2.17. Gelijk de rechtbank in haar tussenvonnis van 22 november 2006 onder punt 4.13. heeft overwogen, dienen de voorschotten genoemd onder punt 3.4. en 3.5. van dit vonnis door [eiser] en Zwolsche ieder bij helfte te worden gedragen. Bij eindvonnis zal worden beslist ten laste van welke partij de kosten van de deskundigenberichten uiteindelijk zullen worden gebracht.

2.18. Zwolsche dient de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige te voorzien van de relevante (proces)stukken, met dien verstande dat dit vonnis alsmede het tussenvonnis van 22 november 2006 door de griffie van de rechtbank rechtstreeks aan ieder van de deskundigen zal worden toegezonden. De rechtbank verwacht van ieder van partijen dat zij er aan meewerken dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige de beschikking krijgen over het complete medische dossier van [eiser]. De griffier zal het door de verzekeringsarts vervaardigde deskundigenbericht na ontvangst aan de arbeidsdeskundige toezenden.

2.19. Na het uitbrengen van het rapport door de arbeidsdeskundige dient [eiser] als eerste te concluderen.

3. De beslissing

De rechtbank

het deskundigenonderzoek

3.1. beveelt een deskundigenonderzoek, eerst door een verzekeringsarts en vervolgens door een arbeidsdeskundige, ter beantwoording van de volgende vragen:

Aan de verzekeringsarts:

a. Kunt u op basis van de door de deskundigen Beijersbergen, neuroloog, en Bruins, neuropsycholoog, vastgestelde gegevens de beperkingen van [eiser] vaststellen?

b. In welke mate acht u deze beperkingen aanwezig? Kunt u de beperkingen zo uitgebreid mogelijk omschrijven in maat en getal en de beperkingen opnemen in een belastbaarheids- en beperkingenprofiel?

c. Wat is uw visie ten aanzien van de prognose?

d. Zijn er feiten en/of omstandigheden die u voor de beoordeling van het onderhavige geschil van belang acht en die u onder de aandacht van de rechtbank wilt brengen?

Aan de arbeidsdeskundige:

a. Betekenen de functiebeperkingen, zoals deze zijn beschreven in het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheids- en beperkingenprofiel, dat [eiser] arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid?

b. Is [eiser] als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten voor het eigen beroep (zie 2.2. van het vonnis van 22 november 2006) en zo ja, voor welk percentage?

c. Was [eiser] als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten voor het (samen met een ander) overnemen van het bedrijf van zijn vader?

d. Indien [eiser] geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is voor het eigen beroep:

is [eiser] wel geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt te achten voor ander passend werk, rekening houdende met de beperkingen, het opleidings- en arbeidsverleden en de belangstelling van [eiser]? Zo ja:

- hoeveel uur per week zou [eiser] met deze arbeid belast kunnen worden?

- welk bruto-inkomen kan [eiser] met deze arbeid verrichten?

- welke opleidingen zou [eiser] eventueel moeten volgen, hoe lang duren deze opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden?

- hoe groot zijn de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt voor dit soort werk bij bedrijven/instellingen in de omgeving van [eiser]?

e. Indien u van mening bent dat er bij [eiser] sprake is van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, ziet u dan nog mogelijkheden die tot een afname van die arbeidsongeschiktheid zouden kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld het benutten van hulpmiddelen?

f. Indien u voor een goede beantwoording van de aan u gestelde vragen hulponderzoek door een arbeidspsycholoog gewenst acht, gelieve u dit onderzoek door een arbeidspsycholoog van uw keuze te laten verrichten. Wilt u de resultaten van een eventueel op uw verzoek verricht arbeidspsychologisch onderzoek bij uw oordeelsvorming betrekken?

g. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

3.2. benoemt tot verzekeringsarts ter beantwoording van de vragen a. tot en met d. onder het kopje “Aan de verzekeringsarts” de heer mr. drs. G.J. Kruithof, verzekeringsarts, Laan van Westmolen 4, 3271 BK, Mijnsheerenland

en

benoemt tot arbeidsdeskundige ter beantwoording van de vragen a. tot en met g. onder het kopje “Aan de arbeidsdeskundige” de heer R. Heling, als arbeidsdeskundige verbonden aan Heling & Partners, Postbus 533, 9400 AM, Assen,

3.3. bepaalt dat het onderzoek zal worden verricht onder leiding van mr. A. van Maanen, die ten deze tot rechter-commissaris wordt benoemd,

de kosten

3.4. bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen het volgende:

- de deskundigen dienen binnen drie weken na de datum van dit vonnis een begroting van hun kosten op te geven aan mr. A. van Maanen, gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten;

- de civiele griffie zal bedoelde opgave toezenden aan partijen;

- partijen kunnen binnen twee weken daarna bij mr. A. van Maanen schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;

- indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundigen te begroten bedrag;

- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing;

3.5. bepaalt dat ieder van partijen de helft van het bedrag van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat zij een daartoe strekkend betalingsverzoek van de civiele griffie hebben ontvangen,

de werkwijze van de deskundigen

3.6. draagt de deskundigen op een schriftelijk en met redenen omkleed bericht met een duidelijke conclusie, en een gespecificeerde einddeclaratie in te leveren ter griffie van deze rechtbank,

3.7. bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie moet worden ingeleverd op drie maanden na de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundigen niet met het onderzoek behoeven te beginnen voordat deze van de griffie van de rechtbank bericht hebben ontvangen dat het voorschot is gedeponeerd,

3.8. schrijft de deskundigen voor dat zij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het rapport van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken,

3.9. bepaalt dat de deskundigen een concept van het rapport aan partijen zullen toezenden en hen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen over het concept te maken,

3.10. bepaalt dat uit het rapport van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen, en verzoekt de deskundigen om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen over het concept,

3.11. verzoekt de deskundigen in acht te nemen hetgeen is overwogen onder de punten 2.10., 2.11., 2.15. en 2.16. van dit vonnis,

de overige beslissingen

3.12. draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis en het tussenvonnis van 22 november 2006 toe te zenden aan de deskundigen,

3.13. bepaalt dat de verdere processtukken binnen één week na de datum van dit vonnis aan de deskundigen dienen te worden toegezonden door Zwolsche,

3.14. draagt de griffier op om na inlevering van het schriftelijk bericht door de arbeidsdeskundige de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenberichten aan de zijde van [eiser] en om partijen daarvan bericht te doen,

3.15. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2009. ?

w.g. griffier w.g. rechter