Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BN6317

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-02-2009
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
260950 / HA RK 09-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 260950 / HA RK 09-11

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 9 februari 2009

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekster,

gemachtigde: mr. E.M.J. van Naaren, advocaat te Amsterdam,

tegen:

mr. [X], kantonrechter,

verder ook te noemen mr. Bí uerIe, verweerster.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief van 14 januari 2009 van haar gemachtigde, mr. E.M.J. van Haaren, heeft verzoekster mr. [X] gewraakt naar aanleiding van een in het openbaar gehouden zitting op 13 januari 2009.

1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust.

1.3. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 28 januari 2009. Voorts heeft de griffier de verweerster in de procedure waarin genoemde zitting heeft plaats gevonden, de Stichting Hogeschool Utrecht (nader de Hogeschool te noemen) en haar gemachtigde, mr. J.E. Hoetink, van de behandeling in kennis gesteld.

1.4. Mr. [X] heeft op 19 januari 2009 haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van deze rechtbank doen toekomen. De griffier heeft hiervan een afschrift gezonden aan mr. Van Haaren en mr. Hoetink voornoemd.

1.5. Op 26 januari 2009 heeft mr. Hoetink aan de griffier van de wrakingskamer een notitie toegezonden, waarin hij uiteen zet hoe volgens hem de zitting van 13 januari 2009 is verlopen. De griffier heeft hiervan een afschrift aan partijen gezonden.

1.6. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 28 januari 2009 plaats gevonden. Daarbij was verzoekster, vergezeld van haar gemachtigde, aanwezig. Tevens verscheen mr. [X] ter zitting. Voorts waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Hogeschool en haar gemachtigde.

1.7. Verzoekster heeft het verzoek tot wraking ter zitting door haar gemachtigde nader doen toelichten. Mr. Van Haaren heeft daartoe een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek overgelegd, die zij ten dele heeft voorgedragen. Mr. [X] heeft haar standpunt toegelicht en geconcludeerd dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen. Mr. Hoetink voornoemd heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het woord te voeren.

1.8. Na voortgezet debat is de uitspraak bepaald op heden.

2. Het verzoek

2.1. Het verzoek van [verzoekster] strekt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot wraking van mr. [X] gegrond zal verklaren. Hiertoe voert [verzoekster] het volgende aan.

2.2. Op 4 december 2008 heeft [verzoekster] bij de rechtbank te Utrecht, sector kanton een uitgebreid verzoek, voorzien van 45 producties, ingediend, strekkende tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met de Hogeschool, met toekenning aan haar van een ten laste van de Hogeschool komende ontbindingsvergoeding van €499.546,87 althans van € 147.377,37, van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-- en een vergoeding voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand van €5.000,--, kosten rechtens. De zaak is bij de sector kanton geregistreerd onder zaaknummer 604463 UE VERZ 08-1601.

2.3. Op 9 januari 2009 heeft de Hogeschool een verweerschrift, voorzien van 52 producties ingediend, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

2.4. Op 13 januari 2009 heeft de gelijktijdige mondelinge behandeling van de door [verzoekster] en de Hogeschool ingediende verzoeken plaats gevonden. De zitting heeft ongeveer 1 ½ uur in beslag genomen. Van het verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

2.5 [verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zich ter zitting van 13 januari 2009 feiten en omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Hiertoe voert [verzoekster] aan dat mr. [X] haar, nadat haar gemachtigde aan de hand van een pleitnota haar standpunt had toegelicht, meermalen `een gelukzoeker' heeft genoemd en mr. Van Haaren niet de gelegenheid heeft gegeven toe te lichten waarom zij daarover anders dacht. [verzoekster] heeft voorts gesteld dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt doordat zij, nadat [verzoekster] had doen betogen dat het tegenverzoek van de Hogeschool zo laat was ingediend dat het niet zou moeten worden toegestaan, heeft opgemerkt dat zij - mr. [X] - in die positie hetzelfde had gedaan. Voorts heeft [verzoekster] erover geklaagd dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunt uiteen te zetten.

3. Het standpunt van de rechter

3.1. Mr. [X] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd door erop te wijzen dat zij de term `gelukzoeker' slechts heeft gebezigd, omdat (de gemachtigde van) [verzoekster] niet leek te beseffen dat zij door de indiening harerzijds van een ontbindingsverzoek ingevolge (de toelichting op) de Aanbevelingen voor procedures ex artikel 7:685 BW, zoals vastgesteld

door de Kring van Kantonrechters (de zogenoemde `kantonrechtersformule'), de last op zich had genomen om te stellen en aannemelijk te maken dat de ontbindingsgrond in de risicosfeer van de werkgeefster ligt dan wel dat deze een relevant verwijt treft, bij gebreke waarvan de vergoeding op nihil wordt gesteld.

3.2. Voorts heeft mr. [X] aangevoerd dat zij uitsluitend in reactie op de bezwaren van [verzoekster] tegen het door de Hogeschool ingediende tegenverzoek heeft gezegd dat zij hetzelfde zou hebben gedaan. Tenslotte benadrukt mr. [X] dat mr. Van Haaren ruimschoots de gelegenheid heeft gehad het standpunt van [verzoekster] naar voren te brengen.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van

mr. [X] jegens [verzoekster]. Onderzocht zal daarom slechts worden of er objectief bepaalde feiten en omstandigheden zijn die [verzoekster] grond geven te vrezen dat het mr. [X] aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.4. Uit het van de zitting van 13 januari 2009 opgemaakte proces-verbaal blijkt dat mr. Van Haaren ruimschoots de gelegenheid heeft gehad het standpunt van [verzoekster] uiteen te zetten en ook een pleitnotitie heeft voorgedragen en overgelegd. Het verwijt dat zij onvoldoende ruimte heeft gekregen om haar standpunt weer te geven wordt - voor zover dat overigens binnen de grenzen van rechterlijke onpartijdigheid kan worden beoordeeld - afgewezen.

4.5. Het tweede verwijt houdt in dat mr. [X], nadat mr. Van Haaren haar pleitnota had voorgedragen, [verzoekster] (meermalen) `een gelukzoeker' heeft genoemd. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt hieromtrent, als weergave van hetgeen mr. Van Haaren heeft gezegd: "... Ik betwist dat [verzoekster] een gelukszoeker is, zoals u suggereert. Dat wil ik u wel uitleggen, maar ik hoor u zeggen dat u dat niet nodig vindt..."

4.6. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. [X] verklaard dat zij nog wel weet dat zij de term heeft gebruikt, maar niet meer in welke precieze bewoordingen en in welke context. Gezien de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 13 januari 2009, moet het er voor worden gehouden dat zij dit in stellende zin heeft gedaan en dat [verzoekster] terecht heeft aangenomen dat zij als `gelukzoeker' werd aangeduid.

4.7. Het moge zo zijn dat mr. [X] met het gebruik van de term `gelukzoeker' niet heeft bedoeld [verzoekster] ervan te betichten slechts fortuin te willen zoeken, doch dit laat onverlet dat de term een negatieve connotatie heeft en ziet op werknemers die zonder een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende noodzaak om ontbinding en toekenning van een vergoeding verzoeken. Dit brengt mee dat licht de schijn van vooringenomenheid kan warden gewekt, indien de term in een zaak als die welke ter zitting aan de orde was, in een betrekkelijk vroeg stadium van de mondelinge behandeling en nog voordat de andere partij in het geding het woord heeft gevoerd, wordt gebezigd en de geadresseerde de gelegenheid wordt onthouden zich hiertegen te verweren.

4.8. Het derde, hierop aansluitende verwijt van [verzoekster] betreft de uitlating van mr. [X] dat zij ten aanzien van de indiening van het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gezegd dat zij hetzelfde zou doen. In het proces-verbaal van de zitting van 13 januari 2009 is hierover, als weergave van hetgeen door mr. Van Haaren is gezegd, opgenomen:

"...Ik merk op dat er een tegenverzoek is gedaan in het verweerschrift. Ik hoor u zeggen dat u als wederpartij hetzelfde had gedaan... ".

4.9. Ook deze opmerking - die op zichzelf genomen vaststaat - is gemaakt in een vroeg stadium van de mondelinge behandeling en voordat de Hogeschool haar standpunt uiteen had gezet. Door op dat moment zo te reageren op een klacht over de handelwijze van de Hogeschool heeft mr. [X] de indruk gewekt dat zij zich reeds een oordeel had gevormd en als het ware ging "meeprocederen".

4.10. Deze twee uitlatingen samen en in onderling verband beschouwd, leiden er dan ook toe dat - objectief - de schijn van partijdigheid is gewekt.

4.11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek wordt toegewezen.

5. De Beslissing

De rechtbank Utrecht:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] toe;

5.2. draagt de griffier op deze beslissing aan mr. Van Haaren, mr. [X], mr. Hoetink, alsmede aan de president en de sectorvoorzitter kanton van deze rechtbank toe te zenden.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, mr. G.A.M.E. van der Burg-van Geest en mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2009, in aanwezigheid van de griffier.