Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BM5072

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
16/712085-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brand tgv grove schuld, opzetten hennepkwekerij met groot brandgevaar (ondeugdelijk electrische installatie). De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712085-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. R.A.E. van Noort, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: brand heeft veroorzaakt waardoor gevaar is ontstaan voor personen en goederen,

feit 2: elektriciteit heeft gestolen,

feit 3: goederen van zijn werkgever heeft verduisterd,

feit 4: hennep heeft gekweekt.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op:

Ten aanzien van feit 1:

Het proces-verbaal van de technische recherche, de waarnemingen van de [bedrijf 1] met betrekking tot de wijze waarop de kwekerij is aangelegd en de verklaring van [betrokkene 1], bevelvoerder van de brandweer.

Ten aanzien van feit 2:

De bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van [aangever 1].

Ten aanzien van feit 3:

De aangifte van de benadeelde.

Ten aanzien van feit 4:

De bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal van de technische recherche.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten en dat verdachte ten aanzien van deze feiten vrijgesproken dient te worden.

Ten aanzien van feit 1:

De verdediging stelt zich op het standpunt dat op basis van het dossier niet met zekerheid is vast te stellen dat de brand is ontstaan door kortsluiting in de elektrische installatie van de hennepkwekerij. Verdachte is zelf installateur en ter zake kundig. Verdachte heeft naar zijn oordeel de hennepkwekerij op een vakkundige en veilige wijze met het juiste materiaal aangelegd. Niet uit te sluiten is dat de brand, door bijvoorbeeld een kortsluiting, is ontstaan in de slaapkamer van verdachte, nu deze slaapkamer is uitgebrand en de overige kamers op de eerste verdieping niet zijn uitgebrand. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij aan de voet van de trap naar zolder een houten schot had geplaatst. Indien de transformatoren van het houten bord bovenaan de trap zouden zijn gebrand/gevallen, dan hadden zij op de trap moeten liggen. Omdat de transformatoren op de overloop zijn aangetroffen is het mogelijk dat deze tijdens of na de brand naar beneden zijn gevallen.

Voorts stelt de verdediging dat er geen levengevaar voor anderen te duchten was nu zich ten tijde van de brand geen bewoners in het pand bevonden en de bewoner(s) van het naast gelegen pand tijdig hun woning hadden verlaten.

Ten aanzien van feit 3:

Verdachte had of ging er van uit dat hij toestemming had om de goederen te kopen en dat de verschuldigde bedragen zouden worden ingehouden van zijn loon. Deze gang van zaken is niet ongebruikelijk in deze branche. Er is een aantal malen ook geld ingehouden op het loon van verdachte. De goederen zijn geleverd aan en waren derhalve ook eigendom van verdachte en niet van aangever.

De goederen in de bus zijn teruggegeven of afgerekend, van enig misdrijf is hier geen sprake.

De verdediging refereert zich voor wat betreft de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Zij zal hem dan ook van feit 3 vrijspreken.

De rechtbank overweegt daarbij dat op basis van het dossier niet uit te sluiten is dat de goederen uit de bus van verdachte niet door verdachte zijn weggenomen, maar op een andere wijze zijn verdwenen.

Met betrekking tot de door verdachte aangekochte goederen is niet uit te sluiten dat verdachte met medeweten van de aangever de goederen heeft aangeschaft. Uit het dossier blijkt dat verdachte verschillende malen wel toestemming, of een zogenaamd inkoopnummer, had gekregen om goederen te kopen en voorts is er (hiervoor) geld ingehouden van het loon van verdachte.

De rechtbank acht de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1:

De aangifte van [aangever 1] , namens [bedrijf 1] Uit de waarnemingen van [aangever 1] blijkt dat:

De elektrische installatie van de kwekerij op zeer onprofessionele wijze was aangelegd. Er was sprake van een illegale aftakking in de hoofdaansluitkast vóór de hoofdbeveiliging. In deze situatie was de illegale aftakking dus niet beveiligd in de hoofdaansluitkast. Daardoor zou bij overbelasting de installatie niet op tijd worden uitgeschakeld waardoor er warmteontwikkeling kon ontstaan met als gevolg de kans op brand. Ook hingen op diverse plaatsen voedingskabels/snoeren onder de (brandende) lampen van de hennepkwekerij, hetgeen gevaar kan opleveren van smelten van de mantel. Er was gebruik gemaakt van ondeugdelijk materiaal, open verbindingen met kans op brand. Onder spanning staande delen waren niet deugdelijk afgeschermd. Daarnaast waren de installatiedelen in de regel niet deugdelijk geaard. Op de vloer van de hennepkwekerij was gebruik gemaakt van een soort materiaal dat het water vasthoudt, waardoor er een groter vochtgehalte kon ontstaan. Daardoor was de kans op elektrocutie vergroot.

Het proces-verbaal van de technische recherche , waaruit blijkt dat:

Tegen de zijmuur van de trap naar zolder een houten bord was gemonteerd met daarop een groot aantal transformatoren. Op zolder bevond zich een hennepkwekerij waarbij gebruik werd gemaakt van zogenaamde groeilampen. Deze lampen werden gevoed middels het bord met transformatoren. De stroomvoorziening naar de transformatoren liep via een – om de elektriciteitsmeter heen afgetakte – kabel vanaf de meterkast. Van het bord ontbraken 8 transformatoren, welke werden teruggevonden op de vloer van de overloop, vlak voor de voet van de trap. De plaatsen, waar deze transformatoren op het bord hadden gezeten, vertoonden diepe inbrandingen in het houten bord. Deze constatering deed vermoeden, dat een aantal transformatoren door overbelasting een zodanige hitte had ontwikkeld, dat het hout van de plaat, waarop ze bevestigd waren, was gaan smeulen, zodat tenslotte de oververhitte transformatoren uit het verkoolde hout losbraken en op de vloerbedekking op de overloop terecht kwamen. Daar vatte tenslotte de vloerbedekking vlam en kon de brand zich ontwikkelen op de overloop. Tenslotte was de brand via de grote slaapkamer aan de achterzijde naar buiten geslagen.

De verklaring van [betrokkene 1] , bevelvoerder brandweer – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudende: Ik zag dat er veel rook onder de dakpannen vandaan kwam en gaf aan de meldkamer “Middelbrand” door. Collega’s hadden op de eerste verdieping een brandhaard aangetroffen en geblust, er was nog veel rookontwikkeling en mogelijk zat de brand in het hout. Ik zag dat de onderste schotplaten van de trap, vanaf de overloop, naar de zolder volledig weggebrand waren. Op de overloop vertelde mijn collega over een jerrycan en een zak bemesting in de badkamer. Ik voelde dat ik op de overloop – naar later bleek – tegen transformatoren aanschopte. Vanaf de trap naar de zolder zag ik planten en mijn collega vertelde dat hij bedrading zag. Ik wist toen dat het om een hennepkwekerij ging. In de tuin waren gasflessen aangetroffen en omdat het mogelijk was dat deze zich ook op zolder zouden kunnen bevinden, besloot ik gelijk om met mijn mensen het pand te verlaten. De kans was heel groot dat de brand was overgeslagen naar zolder en wij gingen er vanuit dat het boven brandde. Het was een zeer bijzonder gevaarlijke situatie geworden. De officier van dienst besloot daarop, mede gelet op het mogelijke explosie gevaar, dat het een GRIP 1 situatie betrof. Hierbij worden diverse instanties en personen ingeschakeld. Na enkele minuten ontwikkelde de brand zich tot een uitslaande brand omdat de ramen van de slaapkamer op de eerste verdieping er uit sloegen en er zuurstof bij kwam.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van grove schuld nu verdachte met het - op zeer onprofessionele wijze - opzetten van een hennepkwekerij in een woonwijk een levensgevaarlijke situatie heeft gecreëerd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nooit stil heeft gestaan bij het (brand)gevaar dat een hennepkwekerij met zich meebrengt. De rechtbank is van oordeel dat hij uit hoofde van zijn beroep als installateur extra waakzaam had moeten zijn.

De raadsvrouw heeft gesteld dat het op basis van het dossier niet met zekerheid is vast te stellen waar en hoe de brand is ontstaan en dat niet is uit te sluiten dat de brand in de slaapkamer van verdachte is ontstaan.

De rechtbank overweegt dat uit het rapport van de technische recherche blijkt dat de transformatoren vlak voor de voet van de trap naar de zolderverdieping zijn aangetroffen.

Uit het verhoor van de bevelvoerder van de brandweer ter plaatse, [betrokkene 1] volgt dat men kort na het betreden van de woning een brandhaard heeft aangetroffen aan de voet van de trap naar de zolderverdieping. De schotplaten aan het begin van de trap waren weggebrand. [betrokkene 1] hoorde in de woning, nadat de brandhaard aan de voet van de trap naar de zolder was geblust, van de collega die naast hem op de overloop stond dat er op dat moment geen brand was in de drie slaapkamers welke zich op de eerste verdieping bevonden. De brand is weer opgelaaid nadat de brandweer het pand had verlaten in verband met mogelijk explosiegevaar.

Uit het dossier blijkt niet dat men een houten schot – of resten hiervan – , geplaatst aan de voet van de trap naar zolder, heeft aangetroffen.

De rechtbank concludeert derhalve dat het onaannemelijk is dat de brand is ontstaan op de slaapkamer van verdachte.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouwe.

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van levensgevaar voor een ander.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een dermate brandgevaarlijke situatie heeft gecreëerd dat er op elk moment brand kon ontstaan. Daarmee onderscheidt zich deze situatie van de door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie over brandstichting. Verder volgt uit het dossier dat de aangrenzende woning bewoond werd en uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij een kamer verhuurde aan een ander en dat zijn eigen dochter eens in de twee weken bij hem verbleef. Voor het aanwezig zijn van levensgevaar voor een ander is hier voldoende dat wordt vastgesteld dat de (naastgelegen) woning bewoond werd, niet uitdrukkelijk hoeft te worden vastgesteld dat de bewoners ook daadwerkelijk thuis waren op het moment van brand.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is geweest van een situatie waarbij levensgevaar voor een ander te duchten was.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Ten aanzien van feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 26 juni 2009;

- de aangifte van [aangever 1] , namens [bedrijf 1]

Ten aanzien van feit 4:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 26 juni 2009;

- het proces-verbaal van de technische recherche .

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 20 november 2007 te Houten, grovelijk onvoorzichtig brand heeft veroorzaakt, immers heeft hij, verdachte:

in een woning gelegen aan de [adres] nummer 1 een stroomvoorziening voor een hennepkwekerij aangelegd, waarvoor gebruik werd gemaakt van zogenaamde groeilampen die werden gevoed door transformatoren en hiervoor buiten de meter om elektriciteit met een hoge stroomsterkte afgetapt en waarna/waardoor een aantal transformatoren op een houten transformatorbord tegen de zijmuur van de houten zoldertrap werden overbelast en waarna een aantal transformatoren een zodanige hitte had ontwikkeld dat het hout van de plaat waarop deze transformatoren waren bevestigd was gaan smeulen zodat tenslotte de oververhitte transformatoren uit het verkoolde hout los waren gebroken en op de vloerbedekking op de overloop terecht waren gekomen en waarna vervolgens de vloerbedekking vlam vatte, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat het pand gelegen aan de [adres] nummer 1 geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor panden gelegen in de nabijheid van het pand gelegen aan de [adres] nummer 1, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen, ontstond;

2.

hij omstreeks de periode van 09 oktober 2007 tot en met 20 november 2007 te Houten, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [bedrijf 1];

4.

hij omstreeks de periode van 9 oktober 2007 tot en met 20 november 2007 te Houten opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] nr. 1 een hoeveelheid van in totaal ongeveer 365 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact;

- een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek;

- gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank de strafmaat te matigen gelet op het standpunt van de verdediging ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich beziggehouden met het illegaal kweken van hennep, hetgeen een zeer lucratieve criminele bezigheid is, waarmee grote financiële belangen zijn gediend. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als hiervan sprake is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij waarbij op illegale

wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving en omwonenden. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een hoekwoning was opgezet en er daadwerkelijk brand is uitgebroken door oververhitting van de voor de kwekerij gebruikte transformatoren, waarbij levensgevaar voor andere personen is ontstaan. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag, om op een snelle manier van zijn schulden af te komen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf dient te worden opgelegd.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 3.459,66 voor feit 2.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat niet [benadeelde 1], maar [bedrijf 1] de eigenaar van de weggenomen stroom is.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 1.308,72 voor feit 1.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de familie [benadeelde 2] niet op de dagvaarding staat vermeld en daarom niet valt onder de kring van gerechtigden die in een strafproces een vordering kunnen indienen.

Subsidiair is de post “cadeau’s” geen rechtstreekse schade en komt derhalve niet in aanmerking voor vergoeding.

Ten aanzien van het gevorderde smartengeld stelt de verdediging zich op het standpunt dat dit deel van de vordering niet eenvoudig is en dat de ondersteunende jurisprudentie betrekking heeft op een totaal andere casus.

De rechtbank is van oordeel dat de materiele en immateriële schade een rechtstreeks gevolg zijn van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De rechtbank overweegt daarbij dat de benadeelden, als buren van verdachte, de door de brand veroorzaakte rook- en stankschade, zelf met behulp van buren hebben hersteld. Zij hebben hiermee de kosten om de schade te herstellen sterk beperkt, nu zij hier voor geen professionele hulp hebben ingeschakeld. Dat er daarbij kosten gemaakt worden om de hulpverleners te bedanken acht de rechtbank aannemelijk en vanzelfsprekend. De rechtbank overweegt voorts dat het de verdediging zou hebben gesierd, indien zij op dit punt geen verweer zou hebben gevoerd.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelden met hun kinderen ’s ochtends vroeg hun woning hebben moeten verlaten en werden ondergebracht in een andere woning. Kort daarop moest ook deze woning worden verlaten in verband met mogelijk explosiegevaar. Zij hebben gezien hoe de brand zich ontwikkelde en hebben enige tijd moeten vrezen dat hun eigen woning verloren zou gaan. Zij en ook hun kinderen, ondervinden nog dagelijks de psychische gevolgen van de brand.

Dat de bij de vordering gevoegde jurisprudentie betrekking heeft op andere en niet soortgelijke casus, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 158 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 3 is ten laste gelegd.

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

Feit 2: Diefstal;

Feit 4: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] en [benadeelde 2] van € 1.308,79 waarvan € 308,79 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] en [benadeelde 2], € 1.308,79 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 26 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. S.C. Hagedoorn en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juli 2009.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.