Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BM5062

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-06-2009
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
16-601005-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar voorwaardelijk en tot een werkstraf van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601005-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1961] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. A.R. Jaarsma, advocaat te Vinkeveen

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 mei 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een meisje jonger dan 16 jaar heeft aangerand, dan wel ontucht met dat meisje heeft gepleegd.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt daartoe dat de dwang die het jonge meisje heeft ervaren bij de ontuchtige handelingen die zij heeft ondergaan naar het oordeel van de rechtbank zal zijn uitgegaan van het onverhoedse karakter daarvan, mede gelet op het feit dat zij daardoor werd opgeschrikt uit haar slaap. Deze feitelijkheid is evenwel niet ten laste gelegd. De officier van justitie heeft in de tenlastelegging de omschrijving van de feitelijkheid immers beperkt tot “misbruik te maken van (een) uit feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht en/of het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht”.

Vanwege dit gebrek in de omschrijving in de tenlastelegging moet verdachte daarom van het primair tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 25 mei 2009;

- de aangifte van [aangever 1];

- de samengevatte verklaring van [slachtoffer].

3.2. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 13 juni 2008 tot en met 14 juni 2008 te Woudenberg, met [slachtoffer], geboren op [1998], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig (meermalen)

- kussen van de billen van die [slachtoffer] en het knijpen in de billen van die [slachtoffer] en

- betasten/aanraken van de billen en schaamstreek van die [slachtoffer] en het wrijven/aaien over de billen en schaamstreek van die [slachtoffer] en

- het beetpakken van de hand van die [slachtoffer] en vervolgens het brengen van

haar hand in de richting van zijn, verdachtes, penis en het houden van

haar hand tegen zijn, verdachtes, penis.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Over de geestvermogens van verdachte is door drs. J. Heerschop, psycholoog, een rapport gedateerd 6 oktober 2008 uitgebracht. Voormeld rapport geeft de volgende psychologische beschouwing, voor zover hier van belang:

‘Betrokkene is in zijn ontwikkeling onvoldoende tot rijping gekomen. Hij functioneert in emotioneel opzicht op een kinderlijk niveau. Een intern kompas lijkt hem te ontbreken, hij heeft nauwelijks sturing over zijn gedrag. Daarbij ontbreekt een normbesef, betrokkene heeft onvoldoende kennis van wat toelaatbaar is en wat niet. De alcohol nam bij betrokkene, bij wie toch al sprake is van een gebrekkige sturing van het gedrag, alle remmen weg’.

Op grond van de in dit rapport beschreven bevindingen is voornoemde deskundige van mening dat de psychische problematiek van verdachte niet van dusdanige aard is dat betrokkene belemmerd werd in zijn keuzevrijheid tot handelen. Ten aanzien van het plegen van het bewezenverklaarde concludeert de deskundige dan ook dat dit feit verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met de conclusie wat betreft de toerekenbaarheid verenigen en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd voor de duur van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat zou inhouden ambulante behandeling bij De Waag of Centrum Maliebaan. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit geen voorwaardelijke straf van een duur en met een proeftijd, zoals gevorderd door de officier van justitie, aan verdachte op te leggen. De raadsman acht de gevorderde werkstraf passend.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer.

Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 augustus 2008, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- een omtrent verdachte opgemaakt psychologisch rapport d.d. 6 oktober 2008 van drs. J. Heerschop, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit - indien bewezen - weliswaar lijdende was aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, maar dat deze psychische problematiek niet dusdanig van aard was dat betrokkene werd belemmerd in zijn keuzevrijheid tot handelen, zodat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht;

- een adviesrapport betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 20 mei 2009, opgemaakt door J.M.W. Liebrand, reclasseringswerker.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een werkstraf passend en geboden. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat de kans aanwezig is dat verdachte zonder behandeling opnieuw soortgelijke misdrijven zal plegen. De rechtbank zal daarom verplicht reclasseringscontact opleggen, ook indien dit behandeling bij De Waag of Centrum Maliebaan inhoudt. De rechtbank zal aan deze bijzondere voorwaarde een proeftijd van drie jaren verbinden.

5.4. Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit: schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, gepleegd in de periode van 13 tot en met 14 juni 2008.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

7. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 jaar voorwaardelijk;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit ambulante behandeling bij De Waag of Centrum Maliebaan inhoudt en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. E.F. Bueno en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 juni 2009.