Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BM1863

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
247091 / HA ZA 08-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers in hoofdzaak en in beide vrijwaringszaken moeten over een machtiging van de kantonrechter beschikken om namens minderjarige zoon te procederen. Zaken aangehouden om eisers daartoe in de gelegenheid te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2011/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

247091 / HA ZA 08-757 4 november 2009

Sector handels- en familierecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 4 november 2009

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 247091 / HA ZA 08-757 van

1. [eiser sub 1]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon A],

wonende te Utrecht,

2. [eiseres sub 2]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon A],

wonende te Utrecht,

eisers,

advocaat: mr. J.L.A. van Eeuwijk,

tegen

1. [gedaagde sub 1]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon B],

wonende te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon B],

wonende te Utrecht,

gedaagden,

advocaat: mr. R. van Veen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 254860 / HA ZA 08-1883 van247091 / HA ZA 08-757 en 254860 / HA ZA 08-1883

1. [gedaagde sub 1]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon B],

wonende te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon B],

wonende te Utrecht,

eisers,

advocaat: mr. R. van Veen,

tegen

de naamloze vennootschap

FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 254861 / HA ZA 08-1884 van247091 / HA ZA 08-757 en 254860 / HA ZA 08-1883

1. [gedaagde sub 1]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon B],

wonende te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon B],

wonende te Utrecht,

eisers,

advocaat: mr. R. van Veen,

tegen

de stichting

STICHTING OPENBAAR VOORTGEZET ONDERWIJS UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat: mr. E.H. de Jonge-Wiemans.

Partijen zullen hierna respectievelijk [eisers], [gedaagden], Fortis en de Stichting genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 19 november 2009;

• het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2009;

• de brief van [eisers], mede namens [gedaagden], van 26 augustus 2009 met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254860

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 19 november 2009;

• het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2009.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De procedure in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254861

3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 10 december 2008;

• het proces-verbaal van comparitie van 11 juni 2009.

3.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

4. Feiten

4.1. De zoon van [gedaagden], [zoon B] (hierna: [zoon B]), was leerling op de toenmalige Dr. Vliegenthartschool in Utrecht. Dit is een school voor praktijkonderwijs. De zoon van [eisers], [zoon A] (hierna: [zoon A]), is nog steeds leerling op deze school.

4.2. Op 12 februari 2007, toen de leerlingen na de pauze in de richting van hun klaslokalen liepen, heeft [zoon B] (toen 16 jaar) in het schoolgebouw de pet van [zoon A] (destijds 13 jaar) afgepakt, waarna tussen beiden ruzie is ontstaan. Hierbij is [zoon A] door een ruit gegaan, waarbij hij ernstig letsel aan een oog heeft opgelopen waardoor hij aan dat oog blind is. De school heeft [zoon B] eerst geschorst. Na de schorsing is hij van school gestuurd.

4.3. Op 13 februari 2007 heeft de vader van [zoon A] namens zijn zoon aangifte wegens zware mishandeling gedaan bij de politie in Utrecht.

4.4. Nadat [zoon B] door de kinderrechter in de rechtbank Utrecht bij vonnis van 5 juni 2008 is veroordeeld wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, is hij op 8 april 2009 in hoger beroep gedeeltelijk vrijgesproken en veroordeeld wegens mishandeling. Hierbij heeft het hof aangenomen “dat aangever vervolgens met verdachte door de ruit is gegaan ten gevolge van gezamenlijk duwen en trekken.”

4.5. [gedaagden] is bij Fortis verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid. Op 10 april 2008 heeft de raadsman van [gedaagden] een schadeformulier samen met het proces-verbaal van politie aan Fortis gestuurd.

4.6. Bij brief van 5 juni 2008 heeft Fortis bericht dat geen dekking wordt verleend voor de aansprakelijkheid van [gedaagden]

5. Het geschil

in de hoofdzaak

5.1. [eisers] vordert samengevat:

• veroordeling van [zoon B] tot betaling van EUR 23.250,- ter zake van materiële schade en smartengeld, vermeerderd met rente vanaf 12 februari 2007 tot de dag van voldoening,

• een verklaring voor recht dat [zoon B] aan [zoon A] schade in de vorm van verlies aan verdienvermogen en schade vanwege vermindering van zelfwerkzaamheid dient te vergoeden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 februari 2007,

• veroordeling van [zoon B] in de kosten.

5.2. [gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254860

5.3. [gedaagden] vordert dat Fortis wordt veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen al hetgeen waartoe hij jegens [eisers] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Fortis in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

5.4. Fortis voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak met zaaknummer 254861

5.5. [gedaagden] vordert dat de Stichting wordt veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen al hetgeen waartoe hij jegens [eisers] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van de Stichting in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

5.6. De Stichting voert primair als verweer aan dat [gedaagden] op grond van artikel 1:253 k in samenhang met artikel 1:349 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) niet ontvankelijk is, omdat hij niet beschikt over de toestemming van de kantonrechter om als wettelijke vertegenwoordiger van zijn zoon [zoon B] in rechte op te treden.

5.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. De beoordeling

in de hoofdzaak en in beide vrijwaringszaken

6.1. Aangezien de onderhavige zaak het vermogensbeheer van [zoon B] betreft, is de rechtbank met de Stichting van oordeel dat [gedaagden] op grond van artikel 1:349 in samenhang met de artikelen 1:253 k en 1:253i BW de machtiging van de kantonrechter nodig heeft als hij namens [zoon B] als eiser in rechte optreedt. Ter zitting heeft de raadsman van [gedaagden] meegedeeld dat deze machtiging ontbreekt. Anders dan de Stichting aanvoert, leidt het ontbreken van een machtiging niet zonder meer tot niet ontvankelijkheid van [gedaagden], omdat een machtiging ook nog tijdens het geding kan worden verleend (zie onder meer HR 20 november 1987, NJ 1988, 279).

6.2. Hieraan voegt de rechtbank ambtshalve het volgende toe. Uit hetgeen de raadsman van [gedaagden] tijdens de comparitie heeft verklaard, leidt de rechtbank af dat [gedaagden] evenmin over een machtiging beschikt in de vrijwaringszaak tussen hem en Fortis. In de hoofdzaak dient ook [eisers] als eiser op grond van voornoemde artikelen over een machtiging te beschikken. Gesteld noch gebleken is echter dat [eisers] over een machtiging beschikt.

6.3. De rechtbank zal [eisers] en [gedaagden] in de gelegenheid stellen voornoemde machtigingen te verkrijgen en deze bij akte in het geding te brengen.

7. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

7.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 februari 2010 voor het nemen van een akte door [eisers] over hetgeen is vermeld in r.o. ?6.3,

7.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in beide zaken in vrijwaring

7.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 februari 2010 voor het nemen van een akte door [gedaagden] over hetgeen is vermeld in r.o. ?6.3,

7.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009. MaH