Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BM0304

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
16/6000992-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit voor primair: poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600992-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in Huis van Bewaring Demersluis te Amsterdam,

raadsman mr. H.E. Brink, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd –al dan niet met voorbedachten rade- [slachtoffer] te doden danwel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3. De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De raadsman heeft aangevoerd dat aangezien artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) voorschrijft dat de dagvaarding de wettelijke voorschriften vermeldt waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld, er slechts sprake is van de tenlastelegging van de feiten zoals omschreven in de artikelen 289 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) en de feiten zoals omschreven in de artikelen 301 en 302 juncto artikel 45 Sr.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het gegeven dat de vermelding van de artikelen 287 en 303 Sr. onder de tekst van de tenlastelegging ontbreekt, uit de tekst van de tenlastelegging voldoende blijkt wat de verdachte wordt verweten, waaronder het verwijt van poging tot doodslag (artikel 287 Sr.) en poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad (artikel 303 Sr.). De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk is omschreven is en overigens aan de eisen van artikel 261 van het wetboek van strafvordering voldoet. De dagvaarding is daarom geldig.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de volgende bewijsmiddelen: de verklaringen zoals afgelegd door het slachtoffer en door de verdachte ten overstaan van de politie, de medische verklaring inhoudende de beschrijving van de verwondingen van het slachtoffer en de plaats van de verwondingen van het slachtoffer. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de latere verklaring van verdachte ongeloofwaardig is, vanwege het feit dat de handelingen met het mes zoals verdachte die beschrijft technisch zeer moeilijk uitvoerbaar zijn en verdachte op vragen daarover geen antwoord wil geven.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde en concludeert tot vrijspraak. De verdediging heeft aangevoerd dat het enige bewijsmiddel waaruit het bewijs voor het tenlastegelegde uit zou kunnen volgen de verklaring en aangifte van het slachtoffer bij de politie is, maar dat zij niet alleen op deze verklaring is teruggekomen maar ook een duidelijke reden heeft opgegeven voor het feit dat zij in eerste instantie anders heeft verklaard over de opzet van verdachte met betrekking tot het steken in haar buik en been. Haar latere verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris past bij de verklaring van verdachte, aldus de raadsman. De verklaring afgelegd door de moeder van het slachtoffer is een de auditu verklaring waar -zo verdachte dit al heeft verklaard- naar het oordeel van de raadsman niets anders uit blijkt dan dat verdachte kort na het incident in het ziekenhuis zijn gevoelens van spijt en frustratie heeft geuit over wat de onbedoelde gevolgen waren van zijn handelingen in de auto. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de aard van de verwondingen van het slachtoffer eveneens past bij de consistente verklaring van verdachte. De verdediging voert tenslotte aan dat niet uit te sluiten valt dat de lezing van verdachte van hetgeen is gebeurd de juiste is en concludeert tot vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op 8 september 2009 omstreeks 00.07 uur krijgen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de regionale meldkamer de opdracht om te gaan naar de afdeling spoedeisende hulp van het UMC te Utrecht waar het slachtoffer zou liggen van een steekpartij. De verbalisanten treffen daar [slachtoffer] aan, die hen vertelt dat zij twee steekwonden heeft opgelopen, één in de buik net onder de navel en één op haar rechterbeen ter hoogte van haar lies. [slachtoffer] verklaart dat deze steekwonden haar zijn toegebracht door haar echtgenoot, terwijl zij in haar auto op de busbaan van de [adres] reed, ter hoogte van de kruising zonder verkeerslichten. [slachtoffer] verklaart voorts dat zij al enige tijd een conflict had met haar echtgenoot, omdat zij van hem wilde scheiden en hij dit niet kon verkroppen en dat zij in de afgelopen periode meermalen door hem is mishandeld en bedreigd. Ook verklaart zij dat haar echtgenoot -nadat hij haar had neergestoken- tegen haar had gezegd dat het zijn intentie niet was om haar neer te steken, maar om zichzelf wat aan te doen. Daarop vulde zij aan dat dit onzin was, omdat hij doelbewust met het mes in zijn hand stekende bewegingen maakte in haar lichaam. Later die dag –in een gesprek dat eindigt om 8.45 uur- doet [slachtoffer] aangifte van dit incident. Zij verklaart dat zij en haar echtgenoot met de kinderen bij haar moeder was en dat zij, [slachtoffer], op een gegeven moment in de auto is gestapt om weg te gaan. Haar echtgenoot is toen naast haar in de auto gaan zitten, ondanks dat zij dat niet wilde. Vervolgens is zij gaan rijden, terwijl haar man naast haar zat, tegen haar schreeuwde en zijn hand in zijn zij hield. Ze verklaart dan het volgende: “Hij pakt zo zijn mes. Hij richt echt zo op mij af. Later zegt ie ik wilde me zelf neersteken en zij hield mijn hand vast, zegt ie. Maar zo kwam het op mij niet over. De eerste twee kwamen naar mij toe en de derde keer probeerde hij het bij zichzelf.” [slachtoffer] wijst bij de verbalisant aan dat haar echtgenoot zijn rechterarm gebruikte en verklaart voorts: “Ik zag zijn mes en ik greep eigenlijk gelijk al zijn hand. Hij richtte het mes zo naar mij toe. Ik ga je afmaken. Eerst jou en dan mezelf zei hij. Hij deed dit, zeg maar, met het mes naar mij toe en ik probeerde zijn hand vast te houden. Eerst ging het op mijn been. En de tweede zag ik recht op mijn buik afkomen. Eigenlijk probeerde hij het nog hoger te doen, maar ik heb zijn mes weg kunnen douwen. Ik heb hem tegengehouden met twee handen. Ik heb de mazzel dat ik hem in mijn buik heb gekregen en de derde keer wilde hij het echt in zichzelf doen. En dat heb ik ook tegen gehouden.” De medische verklaring met betrekking tot [slachtoffer] vermeldt als letselomschrijving een steekwond op haar rechterbovenbeen (1 cm) en een steekwond in de buik (1,5 cm).

De moeder van [slachtoffer], [getuige], bevestigt op 21 september 2009, twee weken na het tenlastegelegde feit, dat [slachtoffer] samen met verdachte met de auto bij haar is weggereden, kort voor het incident plaatsvond. Ze verklaart dat ze al erg bezorgd was dat er wat zou gebeuren, dat ze hen telefonisch niet te pakken kreeg en dat verdachte een half uur daarna haar buurman belde, hem vertelde dat hij [slachtoffer] had neergestoken en dat hij in het ziekenhuis was. Ze verklaart dat de buurman letterlijk tegen haar heeft gezegd: “[verdachte] (verdachte) heeft [slachtoffer] ([slachtoffer]) neergestoken, laten wij naar het ziekenhuis gaan.”

Voorts verklaart ze dat ze aanvankelijk erg boos was op verdachte en dat ze op hem is afgelopen toen ze hem op een bankje voorovergebogen in de wachtkamer van het ziekenhuis zag zitten met beveiligingsmensen om zich heen en dat ze hem heeft gevraagd: “Waarom heb je dit gedaan, je hebt niet mijn dochter neergestoken, je hebt mij neergestoken, dit was een steek in mij.” Ze verklaart dat verdachte als reactie gaf: “het was zomaar opeens gebeurd, uit frustratie. Het spijt me.” Ze verklaart voorts dat ze op dit moment graag wil dat verdachte zo snel mogelijk uit de gevangenis komt en dat het ook dankzij hem is dat haar dochter nog leeft, omdat hij haar na het steekincident naar het ziekenhuis heeft gebracht. Haar verklaring wordt op onderdelen ondersteund door de waarnemingen van [betrokkene 1] van de beveiligingsdienst die verklaart dat hij die avond omstreeks 23.50 uur op een van de camera’s zag dat de moeder van het slachtoffer de verdachte -die in de wachtruimte van de Spoed Eisende Hulp zat- wilde aanvliegen. Hij verklaart dat hij toen direct met een collega naar de wachtruimte is gegaan om de gemoederen te sussen en dat de familie is verteld dat iedereen behalve de verdachte naar buiten moest. De verdachte werd vervolgens omstreeks 0.25 uur door de politie afgevoerd.

Tegenover deze verklaringen van aangeefster en haar moeder die daarin –onomwonden- spreken over het (neer)steken door de verdachte, staan de verklaringen van verdachte dat hij het slachtoffer per ongeluk heeft geraakt bij een poging om zichzelf wat aan te doen. Wat de rechtbank opvalt in deze verklaringen van verdachte is dat verdachte niet consistent verklaart omtrent de wijze waarop dit incident zou hebben plaatsgevonden. Op de hem gestelde vragen over hoe een en ander heeft plaatsgevonden verklaart hij wisselend op de punten 1. waar hij zichzelf wilde steken, 2. wat de intentie van zijn vrouw was in haar handelwijze ten opzichte van hem en 3. wat de oorzaak is geweest van het feit dat zijn vrouw gewond is geraakt in plaats van hijzelf. In latere verklaringen weigert verdachte zelfs een antwoord te geven op deze vragen.

Zo verklaart verdachte op 9 september 2009 bij de politie dat het mes in het been van zijn vrouw in plaats van in zijn eigen been terechtkwam, omdat zij met een zeer hoge snelheid reed. Toen zij daarop stopte om iets bij hem uit te halen raakte het mes haar buik.

Enkele minuten later verklaart verdachte echter dat hij met het mes zijn halsslagader wilde doorsnijden, omdat hij zichzelf wilde doden.

Weer een paar minuten later verklaart verdachte dat zijn vrouw zijn arm had vastgepakt om hem tegen te houden zichzelf te steken, waardoor het mes in haar buik terechtkwam. Hij verklaart dat hij het mes eerst met zijn rechterhand heeft vastgepakt en daarna met beide handen met de scherpe kant naar zijn buik toe had gericht.

In zijn verklaring van 10 september 2009 verklaart verdachte dat zijn vrouw zo hard reed met de auto dat hij had gezegd “als je me wilt doden, dan hoeft dat niet, dan doe ik het wel zelf”. Hij verklaart dat het een ongeluk was dat hij haar raakte.

In zijn latere verklaringen van 5 oktober 2009 en ter terechtzitting beroept verdachte zich op vragen met betrekking tot de wijze waarop hij het mes heeft vastgehouden en op welke manier het mes zijn vrouw heeft geraakt steeds op zijn zwijgrecht.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande de verklaring van verdachte dat zijn opzet niet gericht was op het doden van zijn vrouw, maar op het doden van dan wel schade toebrengen aan hemzelf, dan ook niet geloofwaardig. Verdachte verklaart niet alleen niet consistent over de wijze waarop hij zichzelf had willen ombrengen, aangezien hij het ene moment verklaart dat hij in zijn eigen been wilde steken en het andere moment verklaart dat hij zijn halsslagader wilde doorsnijden. Verdachte heeft ook geen inzicht willen verschaffen over de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de worsteling die in de auto zou zijn ontstaan tussen zijn vrouw en hem om het mes. Dit had, gelet op de zeer specifieke verklaring van zijn vrouw dat hij haar de eerste twee steken doelbewust toebracht (waarbij de tweede steek hoger zou zijn toegebracht wanneer zij dat niet had verhinderd) en dat hij pas de derde steek aan zichzelf wilde toebrengen, wel op zijn weg gelegen voor een afdoende feitelijke onderbouwing van zijn verweer.

De eerste verklaring van [slachtoffer], enkele uren later gevolgd door haar aangifte, acht de rechtbank wel betrouwbaar, nu deze zeer specifieke informatie bevat omtrent hetgeen is voorgevallen tussen haar en de verdachte, niet alleen ten tijde van het incident maar ook in de dagen voorafgaand aan het incident. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is deze verklaring dan wel de aangifte van [slachtoffer] kort nadien, niet het enige bewijsmiddel waaruit rechtstreeks voortvloeit dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken en dat de opzet van verdachte daar ook op gericht was. Dit blijkt namelijk evenzeer uit hetgeen getuige [getuige] heeft verklaard over wat de buurman haar heeft verteld over het telefoongesprek met verdachte kort na het incident en uit de reactie van verdachte wanneer getuige [getuige] hem in het ziekenhuis confronteert met het feit dat hij haar dochter – en daarmee haar- heeft neergestoken. Verdachte ontkent deze beschuldiging niet, maar voert slechts aan dat deze handeling hem min of meer ‘overkomen’ is. De rechtbank kan deze verklaring van verdachte zoals weergegeven door getuige [getuige] niet anders lezen dan dat verdachte daarmee aangeeft dat hij niet een vooropgezet plan heeft gehad om [slachtoffer] te steken, maar dat hij in een opwelling heeft gehandeld toen hij haar neerstak.

Aan de nadien afgelegde verklaring van [slachtoffer] ten overstaan van de rechter-commissaris en bij brief van de raadsman overgelegd, waarbij zij verklaart dat zij in eerste instantie heeft verklaard dat verdachte haar heeft gestoken omdat zij wilde dat verdachte meteen zou worden opgepakt zodat hij zichzelf niets aan kon doen, hecht de rechtbank geen geloof. De rechtbank overweegt dat het niet alleen een veelvoorkomend verschijnsel is in zaken van huiselijk geweld dat slachtoffers van huiselijk geweld hun verklaring gedurende het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting wijzigen, maar dat in dit concrete geval de door aangeefster opgegeven reden voor de wijziging van haar in eerste instantie afgelegde verklaring niet voldoet. Op het moment dat [slachtoffer] aangifte deed tegen haar echtgenoot, zat deze immers al enkele uren vast, hetgeen blijkt uit het meldingsformulier assistentie-agressie. Het moge zo zijn dat zij als gevolg van het incident veel pijn heeft geleden en dat zij om die reden ook nog woedend op de verdachte was, dit verklaart echter niet waarom het dossier een verklaring van getuige [getuige] bevat die twee weken na het incident is afgelegd en die de verklaring van [slachtoffer] ondersteunt, juist op het punt dat van het opzettelijk neersteken van [slachtoffer] door de verdachte. Van genoemde verklaring staat bovendien vast dat deze niet alleen is gegrond op door [slachtoffer] verstrekte informatie, maar ook op door verdachte middels de telefoon verstrekte gegevens en op een door verdachte ten overstaan van getuige [getuige] afgelegde verklaring in de wachtkamer van het ziekenhuis. De rechtbank merkt daarbij nog op dat getuige [getuige] in dezelfde verklaring waarin zij spreekt over ‘het neersteken van haar dochter door verdachte’, de hoop uitspreekt dat verdachte zo snel mogelijk in vrijheid zal worden gesteld. De rechtbank leidt hieruit af dat getuige [getuige] er kennelijk geen belang bij heeft een belastende verklaring ten aanzien van verdachte af te leggen, hetgeen haar verklaring een hoge mate van betrouwbaarheid verschaft.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gestoken met een mes, éénmaal in haar bovenbeen en éénmaal in haar buik. [slachtoffer] heeft bovendien verklaard dat de tweede steek in haar buik terecht is gekomen omdat zij het mes weg heeft kunnen duwen, maar dat verdachte deze steek aanvankelijk hoger op haar lichaam richtte. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in de buikstreek en de borststreek van het menselijk lichaam vitale organen bevinden waarvoor geldt dat perforatie daarvan door een mes of een ander scherp voorwerp dodelijk kan zijn. Uit de handelwijze van verdachte die, gebruikmakend van een scherp mes dat hij niet alleen richtte op de borst- dan wel buikstreek van [slachtoffer], maar waarmee hij ook daadwerkelijk heeft gestoken in het lichaam van [slachtoffer], leidt de rechtbank af dat verdachtes opzet was gericht op de dood van [slachtoffer]. Dat deze als gevolg van niet alleen van verdachte afhankelijke omstandigheden, maar ook door de alerte reactie van [slachtoffer], niet is ingetreden maakt dat hier sprake is van een poging tot doodslag en niet van een voltooide doodslag. Van voorbedachte raad is de rechtbank niet gebleken en zij zal verdachte daarom daarvan vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 07 september 2009 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de buikstreek en een bovenbeen van die [slachtoffer] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: Poging tot doodslag

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde de verplichting tot het opvolgen van de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de invrijheidstelling van de verdachte.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. In dit geval gaat het om een poging tot doodslag, waarbij verdachte in een auto heeft geprobeerd zijn vrouw met een mes van het leven te beroven. Ook wanneer het gaat om een poging tot doodslag geldt dat in beginsel alleen een gevangenisstraf een passende straf is. Hier is het de echtgenote van verdachte die het slachtoffer is geworden van het bewezenverklaarde feit. Dit heeft tot gevolg dat zij niet alleen het slachtoffer is van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen van de messteken van verdachte heeft moeten dragen, maar dat zij bovendien omdat zij tevens de partner van de verdachte is en de relatie tot op heden in stand lijkt te zijn gebleven, ook de gevolgen van de detentie van verdachte voor het gezamenlijke inkomen en het gezinsleven moet ondergaan.

De rechtbank neemt hier kennis van, maar overweegt voorts dat het gegeven dat de relatie tussen verdachte en zijn echtgenote inmiddels lijkt te zijn hersteld, niet kan afdoen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit. Ook het belang dat verdachte zelf heeft bij zijn invrijheidstelling vanwege het behoud van zijn werk, het belang van het gezin en het financiële belang van het voorkomen van verdere schulden, wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang dat de maatschappij heeft bij de bestraffing van dergelijke ernstige delicten.

De rechtbank houdt er bij het vaststellen van de strafmaat rekening mee dat uit de op 13 november 2009 met betrekking tot de persoon van de verdachte uitgebrachte psychiatrische rapportage naar voren komt dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar was. Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met het feit dat verdachte na het toebrengen van de verwondingen zijn vrouw onmiddellijk naar het ziekenhuis heeft gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 8 maanden voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7. Het beslag

7.1. De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

7.2. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen kleding aan verdachte en aangeefster, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van de onder primair impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: poging tot doodslag

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een meldingsgebod bij Reclassering Nederland en een behandelverplichting bij De Waag;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen keukenmes, zwart handvat, zilverkleurig lemmet;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen kleding, te weten: een paar schoenen: merk La Coste, kleur wit, een blauwe spijkerbroek, een paar zwarte sokken, een zwarte Björn Borg onderbroek, een bruine riem, een zwart T-shirt en een grijze winterjas;

- gelast de teruggave aan aangeefster van de inbeslaggenomen kleding, te weten: een grijs T-shirt en een witte lange broek.

Dit vonnis is gewezen door mrs. L.M.G. De Weerd, voorzitter, Y.A.T. Kruijer en M.S. Koppert-van Beek, rechters, in tegenwoordigheid van E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 december 2009.

Mrs. Kruijer en De Weerd zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.