Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BL7439

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
16-600054-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorzetting ISD-maatregel, verslavingsproblematiek, terugval in middelengebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/600054-09

Datum uitspraak: 24 december 2009

Beslissing ex artikel 38s Wetboek van Strafrecht

Beslissing van de meervoudige raadkamer voor strafzaken, naar aanleiding van het onderzoek ex artikel 509aa van het Wetboek van Strafvordering, betrekking hebbend op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opgelegd aan:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1983],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) Utrecht, locatie Wolvenplein te Utrecht.

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier van de veroordeelde bevindende stukken, waaronder:

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 20 maart 2009 waaruit blijkt dat aan de veroordeelde is opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar en waarbij de rechtbank heeft bepaald dat het openbaar ministerie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel;

- een voortgangsverslag tenuitvoerlegging ISD-maatregel, opgemaakt door mevr. J. Haitjema, trajectbegeleider ISD in de PI Utrecht, locatie Wolvenplein, en ondertekend door de directeur van de inrichting d.d. 10 december 2009 omtrent de stand van uitvoering van het plan van aanpak van de veroordeelde.

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 18 december 2009, waarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie,

- de veroordeelde,

- de raadsvrouw van de veroordeelde mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht,

- de getuige-deskundige J. Haitjema als individueel trajectbegeleider ISD.

OVERWEGINGEN:

Uit het onderzoek ter zitting is gebleken dat voor de veroordeelde naar aanleiding van de uitkomsten van een RISC onderzoek (onderzoek Recidive Inschatting SChalen) een plan van aanpak is opgesteld dat is gericht op de behandeling van zijn verslavingsproblematiek en op het gebied van maatschappelijk herstel met een speciale aandacht voor de gebieden financiën en schuldsanering, arbeid, studiebegeleiding en huisvesting. In het kader van dit traject is veroordeelde geïndiceerd voor de Piet Roordakliniek. De indicatiestelling is door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) afgegeven en de veroordeelde is in afwachting van het intakegesprek bij de Piet Roordakliniek. Binnen de PI Utrecht heeft de veroordeelde deelgenomen aan assessments op het gebied van werk en scholing en psychologie en aan een leefstijltraining en een afdelingsgespreksgroep. Op dit moment volgt de veroordeelde een module met betrekking tot zelfcontrole over druggebruik en voert hij wekelijks mentorgesprekken. De conclusie van de rapporteur is dat er een positieve verandering gaande is bij de veroordeelde gedurende zijn verblijf op de ISD-afdeling, waardoor de veroordeelde zich richt op zijn eigen leerdoelen, beter contact onderhoudt met het personeel en zijn (verslavings)problematiek serieuzer neemt. Onlangs, op 2 december 2009 werd de veroordeelde een rapport aangezegd vanwege de uitslag van een urinecontrole, die een positieve score gaf op middelengebruik. Vanuit de kliniek wordt geadviseerd de ISD-maatregel van de veroordeelde voort te zetten omdat de veroordeelde niet eerder aan een afkickprogramma heeft deelgenomen en tot voor kort zijn verslavingsproblematiek ontkende of bagatelliseerde. Wanneer de ISD-maatregel niet zal worden voortgezet, is de kans dat veroordeelde terugvalt in gebruik van verdovende middelen en delictgedrag groot. De officier van justitie heeft zich bij dit standpunt aangesloten en voortzetting van de ISD-maatregel gevorderd.

De veroordeelde heeft zich verzet tegen de voortzetting van de ISD-maatregel.

De veroordeelde heeft aangevoerd dat het erg lang duurt voordat hij zijn behandeling bij de Piet Roordakliniek kan starten en dat de onzekerheid over het moment van aanvang van zijn behandeling hem erg veel stress bezorgt. Die stress heeft ervoor gezorgd dat hij eenmaal is teruggevallen in middelengebruik, aldus de veroordeelde. De veroordeelde heeft aangevoerd dat er binnen de kliniek te weinig gebeurt om zijn problemen aan te pakken en hij is van mening dat hij met de training die hij heeft gevolgd in staat is om een baan te gaan zoeken en daarmee te werken aan zijn schuldenproblematiek. De behandeling van zijn verslavingsproblematiek zou volgens de veroordeelde ambulant kunnen plaatsvinden.

Zijn raadsvrouw heeft gesteld dat de spanning die de veroordeelde ervaart grotendeels te maken heeft met de onzekerheid die er bestaat rond de aanvang van zijn plaatsing bij de Piet Roordakliniek en zij heeft verzocht om beëindiging van de ISD-maatregel om de verdere behandeling van de veroordeling in een vrijwillig kader te doen plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat wanneer de ISD-maatregel van de veroordeelde op dit moment zou worden beëindigd dit een groot risico op onveiligheid en overlast voor de maatschappij betekent. De rechtbank constateert dat de veroordeelde vooruitgang boekt binnen het ISD-traject en dat de veroordeelde zeer gemotiveerd is om met zijn problematiek aan de slag te gaan. De rechtbank constateert voorts, gelet op het feit dat de veroordeelde net iets meer dan twee weken voor de terechtzitting nog is teruggevallen in middelengebruik, dat de veroordeelde op dit moment nog niet stabiel genoeg is in het hanteren van zijn verslavingsproblematiek om te kunnen terugkeren in de maatschappij. De rechtbank begrijpt dat juist de onzekerheid over zijn toekomst een grote spanningsbron is voor de veroordeelde, maar zij acht het van groot belang dat de veroordeelde op een goede manier leert omgaan met zaken die hem stress bezorgen omdat op het moment dat de veroordeelde weer terugkeert in de maatschappij daar ook, zij het andere, factoren aanwezig zullen zijn die de veroordeelde spanning zullen geven. De veroordeelde zal dan geheel zelfstandig in staat moeten zijn om ook onder deze spanningsdruk niet terug te vallen in het middelengebruik. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat een verdere begeleiding en behandeling zoals is voorgesteld in de voortgangsrapportage van de kliniek zal bijdragen aan de oplossing van de (verslavings)problematiek van de veroordeelde en daarmee aan een verantwoorde terugkeer van de veroordeelde in de maatschappij. Er is dan ook geen aanleiding om op dit moment de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders te beëindigen.

De rechtbank heeft gelet op artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

De rechtbank verstaat dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, opgelegd aan [verdachte] voornoemd, wordt voortgezet.

Aldus gedaan door mrs Y.A.T. Kruijer, L.M.G. de Weerd en M.S. Koppert-van Beek, bijgestaan door E.M. Scheffer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 24 december 2009.

Mrs. Kruijer en De Weerd zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.