Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BL7437

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
16/512348-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met een ander een overval heeft gepleegd op een woning, waarbij zij drie mensen hebben bedreigd met behulp van twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512348-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 03 november 2009

in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

Gedetineerd in R.I.J. Eikenstein te Zeist;

raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 oktober 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, tezamen met een ander een overval heeft gepleegd op een studentenwoning in Utrecht, waarbij zij drie studenten hebben bedreigd met behulp van twee op vuurwapens gelijkende voorwerpen.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlaste gelegde heeft gepleegd en baseert zich daarbij o.a. op de verklaringen van aangevers en de verklaringen van verdachten.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen

Vast is komen te staan dat verdachten op 16 juli 2009 in Utrecht met een smoes aanbellen bij de bewuste studentenwoning en vervolgens samen de woning binnendringen, waarbij zij op vuurwapens gelijkende voorwerpen gebruiken. Aangever [aangever 1] is degene die de voordeur opent. Hij geeft een signalement van de daders en verklaart dat beide daders een pistool hadden. De drie bewoners, studenten, worden naar één kamer gedirigeerd. Hierbij worden de “vuurwapens” niet alleen getoond, maar ook gericht op aangevers. Aangever [aangever 1] verklaart dat hij op enig moment richting de gang werd geduwd, waarbij één van de daders een pistool in zijn rug duwde. Ook meent aangever [aangever 2] te horen dat een wapen wordt doorgeladen. Aangever [aangever 2] verklaart dat beide daders redelijk professioneel te werk gingen, waarbij de rolverdeling van tevoren was afgesproken. Aangever [aangever 3] verklaart o.a. ook één van de daders te herkennen van een eerder moment waarop bij de woning was aangebeld met een soortgelijke smoes. Terwijl één van de daders de drie studenten bewaakt, doorzoekt de andere dader de woning. Daarbij is ook gevraagd: “waar is het geld”. Tijdens de overval worden de aangevers geïntimideerd en bedreigd met de dood wanneer zij niet doen wat er van hen wordt verwacht. Zo verklaart aangever [aangever 3] dat één van de overvallers geroepen heeft: “Ik schiet je door je hoofd, ik schiet je kapot, ik heb schijt aan alles, dus ik schiet je kapot als je beweegt” en vervolgens weer: “Kijk voor je, ik schiet je dood”. In een meegebrachte tas worden goederen gestopt, waarna de daders de woning verlaten. Aangevers hebben verklaard dat zij meerdere mobiele telefoons, laptops en portemonnaies met inhoud, alsmede een digitale fotocamera, missen.

Aangevers ondersteunen elkaars verklaring. Tijdens doorzoekingen in de woningen van beide verdachten worden in de woning van de medeverdachte gestolen goederen aangetroffen, afkomstig uit de studentenwoning, die door aangever [aangever 2] worden herkend. De medeverdachte heeft bij de politie bekend een aandeel gehad te hebben in de overval.

Verdachte heeft eveneens bij de politie bekend . Ter terechtzitting is verdachte bij zijn verklaring gebleven. Beide verdachten verklaren echter niet eensluidend over de rolverdeling. Verdachten wijzen naar elkaar wat betreft de vraag wie de initiatiefnemer was van de overval, en wie de leiding had ten tijde van de uitvoering.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 16 juli 2009 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen

aan de [adres] aldaar) heeft weggenomen meerdere

mobiele telefoons en meerdere laptops en meerdere

portemonnees en een digitale fotocamera, toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1]

en [aangever 2] en [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld

hierin bestond dat verdachte en zijn mededader voornoemde woning zijn binnengedrongen en een vuurwapen, althans een op

een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [aangever 1] en [aangever 2] en

[aangever 3] heeft/ hebben getoond en voorgehouden en gericht en daarbij

tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "Waar is je geld" en tegen die De

[aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft /hebben gezegd: "Ik schiet je dood"

en/of "Ik schiet je door je hoofd" en/of "Ik schiet je kapot als je beweegt",

althans telkens woorden van gelijk dreigende aard en/of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen geacht. Hij heeft hierbij opgemerkt het voor de strafmaat niet relevant te vinden wie van de verdachten welke rol heeft gehad. Naar de slachtoffers toe acht de officier het aandeel van beide verdachten vergelijkbaar. Voorts heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt de ernst van onderhavig feit, de inhoud van de ter zitting behandelde rapportages, waaronder die van de psycholoog, drs. A.H. Gallé en de overige persoonlijke omstandigheden te hebben meegewogen in zijn eis.

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar met als bijzondere voorwaarde de Maatregel Hulp & Steun, waarvan de eerste 6 maanden ITB +. Voorts vordert de officier van justitie de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen telefoon en de volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, hoofdelijk met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verweten handelingen van verdachte te maken hebben met zijn “onnadenkend meedoen” en het moeite hebben met “nee”- zeggen. Hij brengt naar voren dat het voor verdachte pleit dat deze na afloop allereerst dacht aan de gevolgen voor de slachtoffers, en vervolgens aan die voor zijn familie en hemzelf en dat verdachte zich vreselijk schaamt, met name naar zijn ouders toe. Verdachte doet er alles aan om zijn fout te herstellen, hetgeen onder meer blijkt uit zijn wens de vorderingen van de benadeelde partijen te vergoeden. De raadsman verwoordt vervolgens dat Eikenstein, waar verdachte momenteel verblijft, niet de juiste plek voor hem is. De raadsman geeft aan dat er positievere kanten zitten aan een ITB+ maatregel. De raadsman herhaalt zijn verzoek, gedaan bij aanvang van de zitting, om de behandeling van onderhavige zaak voor bepaalde tijd aan te houden om zo de begeleiding, in het kader van de ITB+, te starten en verdachte de kans te bieden zijn goede wil te tonen. Zo kan de begeleiding en het voornemen van verdachte zijn gedrag te veranderen worden getoetst aan de praktijk.

Indien de rechtbank desalniettemin van oordeel mocht zijn dat een vrijheidsbenemende straf van langere duur dan de duur van het voorarrest passend mocht zijn, dan verzoekt de raadsman een gematigder straf op te leggen dan het openbaar ministerie heeft gevorderd, zodat er een uitzicht is op een spoedig vertrek uit de Rijksinrichting.

Met betrekking tot het beslag verzoekt de raadsman de in beslag genomen telefoon terug te geven aan verdachte.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Hij is tezamen met zijn mededader op klaarlichte dag een studentenwoning binnengedrongen teneinde daar goederen van hun gading weg te nemen. Hierbij hebben zij beiden een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gebruikt om hun daad te vergemakkelijken en kracht bij te zetten. Zij hebben hierbij de drie bewoners, die niet konden weten of de wapens echt waren en of zij daadwerkelijk tegen hen zouden worden gebruikt, zwaar geïntimideerd.

Beiden maakten herkenning moeizaam nu zij ieder een muts, danwel een capuchon over het hoofd hadden getrokken. De rechtbank acht dit een zeer ernstig en brutaal feit, ook al is dit gepleegd door twee jeugdige daders. Een woning is een plek waar je je bij uitstek veilig wilt, mag en moet voelen. Het binnendringen hiervan mèt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dient niet te worden gebagatelliseerd. Dergelijke feiten brengen bij slachtoffers en in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid te weeg. Het spreekt voor zich dat een dergelijke overval voor slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest en dat zij van dergelijke feiten nog lange tijd nadien psychische gevolgen hiervan kunnen ondervinden. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen waarin duidelijk is verwoord welke impact dit feit op de slachtoffers heeft gehad. Het feit heeft ondermeer tot gevolg gehad dat de slachtoffers zich thuis zo onveilig voelden, dat zij onmiddellijk zijn verhuisd.

Over hun rolverdeling verklaren beide verdachten ieder in hun eigen voordeel. Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is verhandeld is het de rechtbank niet volkomen duidelijk geworden, welke dader welke rol heeft gespeeld. De rechtbank acht met de officier van justitie de exacte rolverdeling niet van doorslaggevend belang voor de strafmaat. Vaststaat immers dat beide daders een zeer kwalijk aandeel hebben gehad in de overval. Zij hebben in nauwe samenwerking gehandeld en vulden elkaars rol aan.

Verdachte heeft bekend en zegt erg veel spijt te hebben van zijn daad. Hij geeft daarnaast ook aan dat hij daadwerkelijk blij is dat hij is gepakt. Van dit laatste is de rechtbank echter nog niet geheel overtuigd, aangezien verdachte na de overval nog heeft getracht een vals alibi te regelen door zijn vriendin aan te zetten tot het afleggen van een valse verklaring.

Dat neemt niet weg dat de positieve berouwvolle proceshouding in zijn voordeel werkt.

Hetzelfde geldt voor het feit dat hij geen strafblad heeft, afgezien van een transactie in 2007 ter zake van een gekwalificeerde diefstal.

Anderzijds heeft verdachte op zeer jeugdige leeftijd reeds een zeer ernstig delict gepleegd. Het plegen van geweldsdelicten op dergelijke jeugdige leeftijd baart de rechtbank zorgen.

Die zorgen blijken ook uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Uit die rapporten alsmede uit de toelichting ter zitting blijkt voorts dat er tegenstrijdige signalen zijn, die vraagtekens oproepen. Enerzijds is sprake van grensoverschrijdend agressief en antisociaal gedrag dat heeft geleid tot een verwijdering van zijn voormalige school en wordt op Eikenstein een wisselend beeld gezien, anderzijds wordt op de huidige school een bijna voorbeeldig gedrag gezien tijdens het voorarrest in de vorm van nachtdetentie. Onduidelijk is of de door verdachte getoonde positieve gedragsverandering tijdens zijn voorarrest voortkomt uit daadwerkelijke bewustwording. De vertegenwoordigster van de Raad geeft aan dit niet met zekerheid te kunnen zeggen. Voorts is sprake van stemmingswisselingen. Zowel de Raad als de Jeugdreclassering geven aan zich te kunnen vinden in het voorstel van de raadsman om de behandeling van de zaak te schorsen teneinde het verloop van de ITB+ te kunnen toetsen. Anderzijds kan de Raad zich ook voorstellen dat het goed is de zaak nu af te sluiten.

Beide instanties adviseren de maatregel Hulp & Steun op te leggen, waarvan de eerste zes maanden de ITB+.

Uit het psychologische rapport van drs. A.H Gallé blijkt dat er geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is geconstateerd. Verdachte wordt geacht volledig toerekeningsvatbaar te zijn. De psycholoog onderschrijft de begeleiding in het kader van de ITB+-maatregel met de nadruk op de punten van het opleidingstraject, de vrijetijdsbesteding en de hulp aan de ouders. Voorts wordt geadviseerd herstelbemiddeling in te zetten welke mogelijk een helende werking kan uitoefenen op verdachte.

De rechtbank neemt bovenstaande overwegingen en adviezen over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank is van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie gevorderd is op zichzelf recht doet aan de ernst van het feit. Hierbij past een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank weegt in het bijzonder ten voordele van verdachte mee zijn proces-houding en de mogelijkheden voor hulpverlening. Voorts neemt de rechtbank de leeftijd van verdachte mee in haar overweging. De jeugdige leeftijd leidt tot een matiging van de straf, zij het in mindere mate dan voor zijn mededader. Verdachte is ruim anderhalf jaar ouder dan zijn mededader en van hem had om die reden meer dan van zijn mededader verwacht mogen worden dat hij de gevolgen van zijn daden zou inzien. De rechtbank acht het, mede gezien de vraagtekens over de authenticiteit en de bestendigheid van de recente verbetering van het gedrag wenselijk een groter voorwaardelijk deel op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd teneinde verdachte te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van de behandeling af. De ernst van het feit brengt immers met zich dat niet met een vrijheidsbenemende straf gelijk aan de duur van het voorarrest kan worden volstaan, ook niet bij een eventueel gunstig verloop van de ITB+ -maatregel.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een:

- Jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 1] vorderen een schadevergoeding van

€ 855,56 respectievelijk € 773,- voor onderhavig feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De rechtbank zal deze vorderingen tot deze bedragen hoofdelijk toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vorderingen benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7. Het beslag

7.1. De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen telefoon is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu deze aan verdachte toebehoort en er blijkens de tapgesprekken door verdachte mee is gebeld naar onder meer zijn vriendin om een vals alibi te construeren en er zodoende de opsporing mee te belemmeren.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 33, 33a, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

- Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen

die in het kader van de Maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, arrondissement Utrecht, waarvan 6 maanden ITB+.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een Nokia 6300 mobiele telefoon, kleur zwart;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 855,56, waarvan € 82,56 ter zake van materiële schade en € 773,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 773,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen:

- benadeelde partij [aangever 3], € 855,56, bij niet betaling te vervangen door 17 dagen vervangende hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende maatregel de betalingsverplichting niet opheft;

- benadeelde partij [aangever 1], € 773,-, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen vervangende hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende maatregel de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. Wassing en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van B.E.M. Bruckner, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 03 november 2009.