Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BL3420

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
16/997003-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Illegaal vuurwerk: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 24 (oud) van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/997003-09

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 23 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats]

postadres [woonplaats], [woonadres]

raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Enschede

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzitting van 29 mei 2009, 9 november 2009, 12 november 2009 en 9 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

op 2 november 2006 samen met (een) ander(en) vuurwerk dat niet voldoet aan de voorschriften binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld;

feit 2

op 2 november 2006 samen met (een) ander(en) vuurwerk voor handelsdoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan een persoon die daartoe geen vergunning had

feit 3

op 2 november 2006 samen met (een) ander(en) vuurwerk dat niet voldoet aan de voorschriften binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad;

feit 4

in de periode tussen 12 oktober 2006 tot en met 6 november 2006 samen met (een) ander(en) 6500 kg vuurwerk dat niet voldoet aan de voorschriften binnen voorhanden heeft gehad en/of voor handelsdoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan een persoon die daartoe geen vergunning had.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het bewijs en de waardering daarvan

Wanneer in de hiernavolgende bewijsoverweging wordt verwezen naar een paginanummer, betreft dit (tenzij anders vermeld) een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal uit het betreffende zaaksdossier dan wel persoonsdossier behorende bij het proces-verbaal 2006335496, opgemaakt door verbalisanten werkzaam binnen het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Inlichtingen en Opsporingsdienst (VROM-IOD).

Aanleiding onderzoek

In 2004 is er strafrechtelijk onderzoek gedaan onder de naam ‘[x]’, waarin de naam [medeverdachte 1] naar voren kwam als importeur van Chinese rollen via Hamburg in 2003. In januari 2005 heeft de FIOD en later ook VROM-IOD onderzoek gedaan naar de administratie van [medeverdachte 1]. Daaruit rees het vermoeden, dat [medeverdachte 1] niet-toegelaten consumenten-vuurwerk aan particulieren ter beschikking stelde.

In 2005 en 2006 kwamen diverse CIE-info’s binnen met betrekking tot opslag door [medeverdachte 1] van illegaal vuurwerk in Duitsland en levering van dat vuurwerk aan Nederlanders, onder andere aan [medeverdachte 6]. Tevens staat in deze CIE-info dat [medeverdachte 6] illegaal ingevoerd vuurwerk aflevert aan klanten in Nederland.

Telefoon en fax van [medeverdachte 1] zijn vanaf half juli 2006 onder de tap gegaan. Vervolgens zijn ook de telefoons van [medeverdachte 6], [medeverdachte 2] vof, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] afgeluisterd en zijn zowel [medeverdachte 1], als [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] stelselmatig geobserveerd.

In dit onderzoek is een groot aantal personen als verdachte aangemerkt. De onderhavige zaak is ter zitting gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de verdachten [medeverdachte 2] vof, [medeverdachte 6], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5].

De rechtbank zal hen hierna steeds gezamenlijk aanduiden als ‘verdachten’ en ieder afzonderlijk met hun achternaam, zonodig voorzien van de voorletters.

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3

Uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 6] en [verdachte] op maandag 30 oktober 2006 met elkaar afspreken dat ze ‘het’ donderdag wel doen. Ze spreken af dat ze ’s morgens een beetje op tijd weggaan. Op donderdag 2 november 2006 om 09.25 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 6] en zegt dat hij er zo aan komt. Hij heeft de bus pas net.

Door het observatieteam wordt waargenomen dat op 2 november 2006 om 10.04 uur een bestelbus, merk Iveco met het opschrift KAV (kenteken [kenteken], hierna te noemen: de Iveco) arriveert bij de woning van [medeverdachte 6] aan de [adres] te Enschede. Twee personen stappen uit de bus en gaan de woning in. Om 10.44 uur vertrekken een bestelwagen Opel Vivaro (met het kenteken [kenteken], hierna te noemen: de Opel Vivaro) en voornoemde Iveco. [medeverdachte 6] bevindt zich in de Opel Vivaro. In de Iveco zitten twee personen. De Opel Vivaro wordt geparkeerd aan de [adres] te Glanenbrug en verlaat enkele minuten later deze straat weer, waarbij achter de Opel Vivaro een aanhangwagen (met kenteken [kenteken]) met een gesloten opbouw is gekoppeld. De Opel Vivaro passeert de grens met Duitsland, waarna de observatie wordt overgedragen aan de Duitse politie.

Het Duitse observatieteam neemt waar dat de beide voertuigen zich begeven naar een bunkercomplex in Lahn (Duitsland). Daar stappen drie personen uit de auto’s en gaan achtereenvolgens twee bunkers binnen. De personen laden beide voertuigen met meerdere pallets met dozen, afkomstig uit de bunkers, waarbij één van de personen de pallets vervoert op een kleine vorkheftruck naar de voertuigen. Nadat het laden is beëindigd stappen twee personen in de Opel Vivaro en de derde persoon stapt in de Iveco. Vervolgens verlaten de beide voertuigen het terrein. Op snelweg 31 neemt de Opel Vivaro afslag Gronau/Enschede en de Iveco rijdt richting Ahaus. De observatie van de Opel Vivaro wordt om 15.40 uur overdragen aan het Nederlandse observatieteam. Het Duitse observatieteam ziet dat de Iveco in Ahaus in de richting Gronau/Enschede rijdt en op de [adres] (de rechtbank begrijpt te: Enschede) wordt om 16.25 uur de observatie overgedragen aan het Nederlandse observatieteam.

Het team dat de observatie van de Opel Vivaro om 15.43 uur had overgenomen, verliest die auto om 15.45 uur het oog. De auto wordt vervolgens om 16.10 uur aangetroffen bij een benzinestation te Enschede. Op dat moment bevindt de aanhanger zich niet meer achter de Opel Vivaro. Bij het benzinestation voegt om 16.15 uur ook de Iveco zich weer bij de Opel Vivaro. Beide voertuigen parkeren vervolgens bij de woning van [medeverdachte 6]. Een aantal personen uit de auto’s gaat de woning van [medeverdachte 6] in. Korte tijd later komen twee personen uit de woning van [medeverdachte 6] , stappen in de Iveco en rijden naar de [adres] te Enschede. Daar stapt 1 persoon uit en rijdt de Iveco verder. De Iveco stopt bij een loods op het industrieterrein aan de [adres] te Enschede en daar stapt de bestuurder van de Iveco uit en gaat de loods binnen. De bestuurder heeft contact met de bestuurder van een Volkswagenbus. Vervolgens wordt de Iveco achteruit in de loods gereden. Na ca. 10 minuten, om 17.13 uur, vertrekt de Iveco weer.

Op 2 november 2006 om 17.59 uur vindt er telefonisch contact plaats tussen [medeverdachte 6] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), waarbij [betrokkene 1] vraagt hoeveel het ook weer was. [medeverdachte 6] zegt dat het in totaal € 3.380,-- is, namelijk 30 maal 61 en 1550 voor die ronde. [betrokkene 1] zegt dat hij na zeven uur langs zal komen. Om 19.24 uur die dag belt [medeverdachte 6] met [betrokkene 1] en zegt [betrokkene 1] dat hij er over 10 minuten zal zijn.

In de inbeslaggenomen administratie bij [medeverdachte 6] van [medeverdachte 2] vof, wordt ook een briefje aangetroffen waarop deze bedragen staan vermeld.

De Opel Vivaro staat op naam van [medeverdachte 2] vof.

De aanhangwagen met kenteken [kenteken] staat op naam van [betrokkene 1], [adres] te Enschede.

De Iveco met kenteken [kenteken] werd op 2 november 2006 gehuurd bij KAV te Enschede op naam van [betrokkene 2]. Afgesproken werd dat de bus op 3 november 2006 door [verdachte] terug gebracht zou worden. Uit de hierna genoemde verklaring van [betrokkene 2] begrijpt de rechtbank dat hiermede wordt bedoeld [verdachte].

Op 2 november 2006 omstreeks 21.15 uur wordt de aanhanger met kenteken [kenteken] aangetroffen voor het perceel [adres] te Enschede, het adres van [betrokkene 1]. In de aanhanger bevinden zich dozen met vuurwerk. In de schuur van de woning wordt, op aanwijzen van [betrokkene 1], eveneens vuurwerk aangetroffen.

In de aanhangwagen bevonden zich (onder meer) 50 Chinese rollen, 100.000 klapper, type T809, die niet waren voorzien van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing, waarvan het brutogewicht per verpakking 12,4 kg bedroeg en de lading niet uitsluitend uit zwart buskruit bestond. Gelet hierop voldeed het vuurwerk niet aan het Vuurwerkbesluit en de Regeling Nadere Eisen Vuurwerk 2004 (hierna: RNEV).

Tevens werden in de aanhangwagen 87 vuurwerkpakketten aangetroffen bestaande uit 29 verpakkingen met 3 vuurwerkpakketten per verpakking, met een totaalgewicht van 490 kg. De gemeente Enschede heeft [betrokkene 1] geen vergunning verleend in het kader van de Wet Milieubeheer en tevens is door [betrokkene 1] geen melding gedaan in het kader van het Vuurwerkbesluit.

[betrokkene 1] heeft tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat hij vuurwerk had besteld bij [medeverdachte 6]. Hij sprak met [medeverdachte 6] af dat deze de aanhanger van [betrokkene 1] op 2 november 2006 voor de woning van [betrokkene 1] zou ophalen en later telefonisch te horen zou krijgen waar hij de aanhanger weer kon ophalen. Op 2 november 2006 omstreeks 15.30 uur werd [betrokkene 1] gebeld door [medeverdachte 6] en deelde deze mee dat [betrokkene 1] de aanhangwagen rond 4 uur kon ophalen bij een bepaalde supermarkt in Gronau (BRD). [betrokkene 1] trof op de parkeerplaats bij die supermarkt [medeverdachte 6] en zijn zoon [verdachte]. De aanhanger hing achter de bus van [medeverdachte 6] en werd losgekoppeld door [verdachte]. Vader en zoon zijn toen vertrokken en [betrokkene 1] heeft de aanhanger achter zijn auto gekoppeld en is daarmee naar zijn woning gereden. ’s Avonds is hij bij [medeverdachte 6] langs gegaan om te betalen. [betrokkene 1] verklaarde dat hij het vuurwerk met winst verkocht.

[medeverdachte 6] heeft tegenover de verbalisanten voornoemde verklaring van [betrokkene 1] bevestigd en toegevoegd dat hij ([medeverdachte 6]) wist dat [betrokkene 1] een Nederlander is en een particulier is. Hij wist niet of [betrokkene 1] een opslag had in Duitsland. Hij zou met [betrokkene 1] hebben afgesproken dat het vuurwerk in Duitsland zou blijven.

[betrokkene 1] verklaarde echter dat [medeverdachte 6] op de hoogte was van het feit dat [betrokkene 1] het vuurwerk in Nederland verkocht. Hij heeft dit met [medeverdachte 6] besproken. Ze wisten beiden heel goed dat deze handel verboden was.

Het standpunt van de verdediging

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat het opzet van verdachte niet was gericht op het binnen Nederland brengen van het vuurwerk. Verdachte wist niet beter dan dat [betrokkene 1] het vuurwerk naar zijn opslag in Duitsland zou vervoeren. Het opzet was enkel gericht op het ter beschikking stellen van vuurwerk aan [betrokkene 1] in Duitsland en niet op het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

Er is evenmin sprake van voorwaardelijk opzet. [medeverdachte 6] had de touwtjes in handen en [verdachte] was niet meer dan een hulpje dat het fysieke deel van zijn vaders werk uit handen nam. [medeverdachte 6] had [verdachte] verteld dat het vuurwerk in Duitsland zou blijven, zodat [verdachte] niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het vuurwerk door [betrokkene 1] naar Nederland zou worden gebracht.

Gelet hierop dient [verdachte] te worden vrijgesproken van het binnen het grondgebied van Nederland brengen, zodat slechts het voorhanden hebben / ter beschikking stellen van niet toegelaten consumentenvuurwerk in Duitsland over blijft. [verdachte] weet niet beter dan dat zijn vader, [medeverdachte 6], beschikt over alle benodigde papieren en aan alle vereisten voldoet om in Duitsland vuurwerk op te slaan, te vervoeren en te verhandelen, zodat er geen sprake is van strafbaar handelen in Duitsland. Derhalve ontbreekt de rechtsmacht, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging van de feiten 1 en 2, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feit 1 en 2. Er is immers sprake van één aanhanger met vuurwerk geleverd aan één persoon te weten [betrokkene 1], hetgeen een overtreding van dezelfde bepalingen uit het vuurwerkbesluit oplevert.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat beide feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Teneinde tot een bewezenverklaring te komen voor het medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van vuurwerk is het niet noodzakelijk dat verdachte daadwerkelijk alle handelingen zelf heeft gepleegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. [betrokkene 1] woont en werkt in Nederland. Hij verklaarde dat hij vuurwerk bestelde bij [medeverdachte 6] en daartoe een aanhanger ter beschikking stelde aan [verdachte]. De aanhanger is voor de deur van de woning van [betrokkene 1] in Enschede opgehaald. Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij niet heeft meegeholpen met het laden van de aanhanger. Dit komt niet overeen met de observaties, nu uit het betreffende proces-verbaal blijkt dat de drie aanwezige personen beide voertuigen met dozen laadden. Verdachte heeft ter zitting niet aangegeven dat hij een bijzondere reden had om alleen de bus te laden en niet de aanhanger, terwijl hij wel heeft verklaard dat hij in de veronderstelling was dat het vuurwerk in de aanhanger in Duitsland zou blijven.

Nu [medeverdachte 6] in zijn eerste verklaring heeft gezegd dat hij niet wist of [betrokkene 1] over opslagruimte in Duitsland beschikte en [betrokkene 1] ook zelf heeft verklaard dat [medeverdachte 6] wist dat hij het vuurwerk in Nederland zou gaan verkopen en voorts dat [verdachte] samen met [medeverdachte 6] vuurwerk heeft geladen en kort voor de grens het vuurwerk aan [betrokkene 1] heeft overgedragen, terwijl in ieder geval [medeverdachte 6] wist dat dat vuurwerk in Nederland verkocht zou gaan worden, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] medepleger is van het binnen het grondgebied brengen van Nederland van het vuurwerk dat is aangetroffen bij [betrokkene 1].

De hieromtrent gevoerde verweren worden dan ook verworpen.

De rechtbank kan zich voorts niet verenigen met de stelling van de verdediging dat sprake is van een eendaadse samenloop, nu naar haar oordeel geen sprake is van één feit als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. Het gaat immers om twee verschillende partijen vuurwerk, die weliswaar in dezelfde aanhanger zijn aangetroffen, maar die los van elkaar kunnen worden beschouwd en daarmee afzonderlijke strafbare feiten opleveren. Het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal derhalve niet worden gekwalificeerd als eendaadse samenloop.

Voorts ten aanzien van feit 3

[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij door [verdachte] werd benaderd om met een bus vuurwerk van Duitsland naar Nederland te rijden. Bij KAV-autoverhuur werd een bus gehuurd op naam van [betrokkene 2]. (De rechtbank begrijpt dat gedoeld wordt op de hiervoor genoemde Iveco-bus.) De borg werd betaald door [verdachte] en [betrokkene 2] bestuurde de bus. [verdachte] en [medeverdachte 6] haalden met de Opel Vivaro nog een aanhanger op in de buurt van Glanerbrug. Vervolgens is men naar het bunkercomplex in Duitsland gereden, waar het vuurwerk werd ingeladen. [verdachte] gaf aan wat er werd ingeladen en laadde de Iveco en de aanhangwagen die achter de Opel Vivaro hing. [betrokkene 2] hielp hem daarbij. [medeverdachte 6] hield bij wat er geladen werd. In de aanhanger werden bijna uitsluitend 100.000 klappers geladen. In de Opel Vivaro zelf werd niets geladen. [verdachte] had [betrokkene 2] gezegd dat zijn vader niet met vuurwerk over de grens wilde rijden, omdat hij bang was om gepakt te worden. [verdachte] reed met zijn vader in de Opel Vivaro en de aanhanger terug en [betrokkene 2] bestuurde opnieuw de Iveco en reed achter de Opel Vivaro aan. Nog in Duitsland belde [verdachte] met [betrokkene 2] en zei dat zij een afslag zouden nemen, maar dat [betrokkene 2] door moest rijden naar een parkeerplaats in Ahaus en daar moest wachten. [verdachte] zou als hij de grens over was en het veilig was, waarmee hij bedoelde dat er geen controle was, naar [betrokkene 2] bellen. [betrokkene 2] volgde de instructies op en [verdachte] belde met de mededeling dat hij richting de grensovergang Knalhutte kon komen. [betrokkene 2] reed via die grensovergang Nederland binnen en zag dat [verdachte] en [medeverdachte 6] ongeveer 10 meter na de grens op een zandweg stonden te wachten. De aanhanger hing op dat moment niet meer achter de Opel Vivaro. Vervolgens zijn de beide voertuigen naar de woning van [medeverdachte 6] gereden. [verdachte] nam vervolgens het stuur van [betrokkene 2] van de Iveco over en zette [betrokkene 2] bij zijn woning af. [verdachte] zou het vuurwerk gaan afleveren en [betrokkene 2] zou iets krijgen van de dozen die overbleven, als betaling voor het helpen.

Bij observatie is het volgende vastgesteld.

Op 2 november 2009 te 17.55 uur staat voornoemde Iveco bus (met kenteken [kenteken] en opschrift KAV) geparkeerd op een parkeerplaats te Hengelo en stopt een Suzuki (met kenteken [kenteken], hierna: de Suzuki) naast de Iveco. De bestuurder van de Suzuki stapt en loopt in de richting van de Iveco. Er stappen twee personen uit de Iveco. Direct daarna wordt er weer in de Iveco en de Suzuki gestapt en vertrekken beide voertuigen. De Iveco rijdt naar een loods op het perceel [adres] te [woonplaats]. De Suzuki parkeert op het parkeerterrein van Seats en Sofas aan de [adres] te Hengelo. De bestuurder van de Suzuki stapt uit en gaat het pand van Seats en Sofas in. Deze bestuurder wordt door het observatieteam herkend als de persoon die kort daarvoor de Iveco bestuurde. Vijf minuten later komt de persoon het pand van Seats en Sofas weer uit en neemt weer plaats in de Suzuki. Om 19.10 uur arriveert de Iveco op het parkeerterrein van Seats en Sofas en parkeert de bus naast de Suzuki. De bestuurder van de Suzuki stapt uit en neemt plaats op de bijrijdersstoel van de Iveco.

Op 2 november 2006 om 19.15 uur worden op de parkeerplaats aan de [adres] te Hengelo in de Iveco aangehouden [verdachte] en [getuige]. [verdachte] bevond zich voor de aanhouding achter het stuur van de Iveco en [getuige] op de bijrijdersstoel.

In de laadruimte van de Iveco wordt totaal ruim 678 kilo vuurwerk aangetroffen. Het betreft:

- 14 stuks Chinese rollen, zogenaamde 100.000 klappers type T809, met een brutogewicht van 12,3 kilogram en een lading die niet uitsluitend uit zwart buskruit bestond en ontbrak een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing;

- 7 stuks cakebox nr. 145, 1 cakebox nr. 144, 2 cakebox nr. 120, 1 cakebox nr. 210, 10 cakebox nr. 129, waarbij een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ontbrak en het bruto gewicht van deze cakeboxen meer dan 10 kg betrof (namelijk respectievelijk 19,9 kg, 23 kg, 20 kg, 16 kg en 14.2 kg);

- 60 stuks Romeinse kaarsen, waarbij een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ontbrak;

- 600 stuks vlinders met de naam Big Spanish Cracker TX6019. Soortgelijke vlinders zijn door het NFI onderzocht en bevatten niet uitsluitend zwartbuskruit. De aangetroffen vlinders zijn qua afmeting en uiterlijke kenmerken vergelijkbaar met de onderzocht vlinders. De vlinders waren bovendien niet voorzien van een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing.

- 300 stuks lawinepijlen, waarbij een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ontbrak en uit onderzoek van het NFI blijkt dat de lading van dergelijke lawinepijlen of signaalraketten niet uitsluitend uit zwart buskruit bestaat. De aangetroffen lawinepijlen zijn qua afmeting en uiterlijke kenmerken vergelijkbaar met de onderzochte lawinepijlen.

Voornoemd vuurwerk voldoet daarmee niet aan het RNEV 2004.

In de cabine van de Iveco worden 2 shells aangetroffen. Deze shells worden ook wel mortieren of mortierbommen genoemd en zijn, blijkens de deskundigenrapportage van het NFI, herlaadbaar en voldoen daarmee niet aan de RNEV 2004.

[medeverdachte 6] heeft tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat hij op 2 november 2006 samen met zijn zoon [verdachte] in zijn Opel Vivaro naar de bunkers in Lahn is gereden. Een maatje van [verdachte] reed met een gehuurde bus achter hen aan. In Lahn gaf dat maatje van [verdachte] aan wat hij wilde hebben en wees [medeverdachte 6] aan wat ze precies moesten pakken. [medeverdachte 6] telde de spullen bij elkaar op. [verdachte] en zijn maat hebben samen de gehuurde bus volgeladen. [verdachte] is met [medeverdachte 6] weer naar Nederland gereden en die maat van [verdachte] is met de gehuurde bus vertrokken.

[verdachte] heeft tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat hij op 2 november 2006 in Duitsland vuurwerk heeft geladen in een op naam van [betrokkene 2] gehuurde KAV-bus. Hij had afgesproken [getuige], te ontmoeten in Hengelo. Daar heeft hij met [getuige] vuurwerk uitgewisseld. [verdachte] leverde vuurwerk aan [getuige] en [getuige] leverde vuurwerk aan [verdachte]. Het door [verdachte] geleverde vuurwerk is door [getuige] uit de bus geladen, terwijl [verdachte] op een parkeerterrein bij de auto van [getuige] wachtte. [getuige] heeft de door [verdachte] bij hem bestelde Romeinse kaarsen en lawinepijlen in de bus geladen en is met die bus weer naar [verdachte] gereden.

[getuige] heeft tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat [medeverdachte 6] in vuurwerk handelt en aan hem levert via zijn zoon [verdachte]. Hij heeft zowel bij [medeverdachte 6] als bij [verdachte] in de weken voorafgaand aan 2 november 2006 vuurwerk besteld. Hij heeft daarvoor aan [medeverdachte 6] € 3000,-- betaald. Omdat niet alles leverbaar was kreeg hij slechts een gedeelte geleverd. Op 2 november 2006 werd het vuurwerk geleverd wat nog ontbrak.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen op 2 november 2006 opzettelijk vuurwerk, te weten 14 stuks Chinese rollen en 21 stuks cakeboxen, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het invoeren van de Romeinse kaarsen, vlinders, lawinepijlen en de shells, nu uit de verklaringen van [verdachte] en [getuige] blijkt dat dit vuurwerk afkomstig is uit de voorraad van [getuige]. Wel is op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voornoemd vuurwerk voorhanden had.

Ten aanzien van feit 4

Op 2 november 2006 is bij [naam] te Didam een hoeveelheid vuurwerk aangetroffen. Vervolgens is op aanwijzen van die [naam] een aantal dagen later een grotere partij aangetroffen in twee andere panden te Didam. [naam] heeft verklaard dat hij in 2006 een aantal malen vuurwerk geleverd heeft gekregen van [medeverdachte 6]. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij in 2006 vuurwerk voor [medeverdachte 6] heeft bezorgd bij een klant in Didam, genaamd [naam].

In het dossier bevindt zich één afgeluisterd telefoongesprek waaruit de betrokkenheid van [verdachte] bij deze levering zou kunnen worden afgeleid. Uit het dossier is echter niet op te maken of op deze dag (12 oktober 2006) daadwerkelijk aan [naam] is geleverd. Ook [medeverdachte 6] heeft verklaard dat [betrokkene 3] de chauffeur was die het vuurwerk bij [naam] bracht.

Dit maakt dat de rechtbank, met de verdediging, van oordeel is dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat [verdachte] medepleger is van het ter beschikking stellen van vuurwerk aan [naam]. Hij dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

3.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

(Zaak 01)

hij op 02 november 2006 in de gemeente Enschede, (nabij een grensovergang) tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten

50, Chinese rol(len) type T809, (zogenaamde 100.000

klapper)

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft

gehad en/of aan een ander ter beschikking heeft gesteld ten aanzien waarvan

niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter

uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet

milieugevaarlijke stoffen (thans artikel 9.2.2.1. Wet milieubeheer) gestelde

regels, immers had(den)

voormelde Chinese rol(len), T809, zijnde vuurwerk vallend onder categorie A2

van bijlage III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

een lading welke niet uitsluitend zwart buskruit bestond en/of

-bedroeg het brutogewicht van voormelde Chinese rol(len), T809, in strijd met

artikel 6, lid 5, van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 meer dan

10 kg en/of

-was voormeld vuurwerk niet voorzien van:

een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of

waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade

bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan;

2.

(Zaak 01)

Hij op 02 november 2006 in de gemeente Enschede,

tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk, consumentenvuurwerk (te weten 87

vuurwerkpakketten (29 dozen à 3 vuurwerkpakketten) voor handelsdoeleinden ter

beschikking heeft gesteld aan een ander dan degene die een inrichting drijft

als bedoeld in de artikelen 2.2.1 en 2.2.2 van het Vuurwerkbesluit (aan [betrokkene 1]);

3.

(Zaak 04)

hij op 02 november 2006 te Enschede en/of Hengelo,

tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk, consumentenvuurwerk, dat is aangetroffen in de bestelauto IVECO,

kenteken [kenteken], te weten

14 stuks, Chinese rol(len) type T809, (zogenaamde

100.000 klapper) en/of

7 stuks, cakeboxen nr.145 en/of

1 cakebox nr. 144 en/of

2 stuks cakeboxen nr. 120 en/of

1 cakebox nr. 210 en/of

10 stuks, cakeboxen nr.129 en/of

60 stuks, Romeinse kaarsen en/of

600 stuks, vlinders Big Spanish Cracker TX6019

en/of

300 stuks, lawinepijlen en/of

2 Shells (mortierbommen) (6 inch (Red Falling Leaves) en 2,5 inch

(Chrysortiment))

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of voorhanden heeft

gehad ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit

gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel

24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (thans artikel 9.2.2.1 Wet

Wet milieubeheer ) gestelde regels, immers

I)

was voormeld vuurwerk niet voorzien van:

een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of

waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade

bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan en/of

II)

-had(den):

voormelde Chinese rol(len), T809, zijnde vuurwerk vallend onder categorie A2

van bijlage III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 en/of

voormelde vlinders Big Spanish Cracker TX6019, zijnde vuurwerk vallend onder

categorie A1 van bijlage III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

en/of

voormelde lawinepijlen, zijnde vuurwerk vallend onder categorie D1 van bijlage

III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004

een lading welke niet uitsluitend zwart buskruit bevatte en/of

III)

-bedroeg het brutogewicht van:

voormelde Chinese rol(len), T809 en/of

vorenvermelde cakeboxen artikelnr.129 en/of 144 en/of 145 en/of 210

in strijd met artikel 6, lid 5, van de Regeling Regeling nadere eisen aan

vuurwerk 2004 meer dan 10 kg en/of

IV)

was/waren die Shells aan te merken als herlaadbaar vuurwerk;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van alle feiten:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of

krachtens artikel 24 (oud) van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich aan alle tenlastegelegde feiten heeft schuldig gemaakt en heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte een extreem lange periode in onzekerheid heeft verkeerd over de onderhavige zaak, hetgeen behoort mee te wegen in de op te leggen straf.

Voorts heeft hij een ondergeschikte rol gespeeld. Zijn vader, [medeverdachte 6], was sinds zijn beroerte voor een groot deel afhankelijk van de hand- en spandiensten van verdachte. Naast een eventueel op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf, is een taakstraf op zijn plaats.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden.

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij met anderen een aanzienlijke hoeveelheid consumentenvuurwerk dat niet voldeed aan de Nederlandse vuurwerkvoorschriften binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en voorhanden heeft gehad. Een gedeelte van dit vuurwerk is aangetroffen in een bestelbus die verdachte een gedeelte van het traject in Nederland zelf bestuurd heeft. Het overige illegale vuurwerk is diezelfde dag aangetroffen in een aanhanger voor de woning van een particulier. In deze aanhanger bevond zich op dat moment ook vuurwerk dat op zichzelf is toegestaan, maar voor het bezit waarvan genoemde particulier geen vergunning had. Verdachte is zelf betrokken geweest bij het inladen van dit vuurwerk in Duitsland.

In de bestelauto bevonden zich onder meer 300 lawinepijlen. Dit betreft zwaar vuurwerk, dat massa-explosief is. Dit houdt in dat als, om welke reden dan ook, een stuk ontploft, de andere stukken die daarbij in de buurt zijn, tegelijkertijd mee ontploffen, waardoor een massale explosie ontstaat. Verdachte was van plan dit vuurwerk aan particulieren te leveren en heeft op deze wijze grote risico’s gecreëerd voor de volksgezondheid. Bovendien waren hij en de chauffeurs niet gediplomeerd om vuurwerk te vervoeren, was het transport niet bij het LMIP aangemeld, en was ook bij de verdere opslag van het vuurwerk op geen enkele wijze rekening gehouden met de geldende veiligheidsvoorschriften.

Verdachte, die geen vergunning had om in Nederland vuurwerk te verhandelen, heeft doelbewust de Nederlandse regelgeving genegeerd door op deze wijze illegaal vuurwerk te importeren. Het belang van deze regelgeving en de grote risico’s die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van vuurwerk dat niet aan de regels voldoet, mag inmiddels bij een ieder bekend worden verondersteld. Door te handelen als bewezen verklaard, heeft verdachte een onaanvaardbaar risico in het leven geroepen voor de veiligheid van anderen. Verdachte heeft zijn eigen financieel gewin gesteld boven zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Uit het dossier is het beeld ontstaan dat verdachte het in het algemeen niet zo nauw nam met de regels betreffende vuurwerk. Om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw de fout in gaat, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals geëist op zijn plaats. Hoewel de rechtbank het bewezen verklaarde feit als ernstig beschouwt, zal zij daarnaast geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zoals door de officier van justitie geëist.

In plaats daarvan wordt verdachte een werkstraf opgelegd van na te melden duur omdat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, het onder 4 tenlastegelegde feit niet bewezen acht. Meer nog dan de officier van justitie houdt de rechtbank bovendien rekening met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten alle op dezelfde dag hebben plaats gevonden en daarmee als één geheel te beschouwen zijn. Ook houdt de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf in het voordeel van verdachte rekening met de rol van verdachte, die ondergeschikt wordt geacht aan zijn vader, alsmede met zijn strafblad waar weliswaar meerdere veroordelingen op staan, maar niet voor soortgelijke feiten. Ten slotte weegt de rechtbank nog mee dat het bewezen verklaarde geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden.

6. Het beslag

6.1. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat feit 3 is begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Het in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 1.560,-- dat aan verdachte toebehoort, zal worden verbeurd verklaard, aangezien met behulp van dit geldbedrag het onder 3 bewezen verklaarde is begaan of voorbereid.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a(oud), 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten, artikelen 1.2.2 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 6 en 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 ,zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 4 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van alle feiten:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of

krachtens artikel 24 (oud) van de Wet milieugevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde hechtenis;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 st vuurwerk, te weten een mortierbom 6 inch;

- 1 st vuurwerk, te weten een mortierbom 2,5 inch;

- 678.6 kg vuurwerk, te weten Chinesche rollen, Cakeboxen, Romeinse kaarsen, vlinders en lawinepijlen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.560,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick voorzitter, mr. A.J.P. Schotman, en mr. I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 december 2009.