Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BL0596

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-12-2009
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
16/711329-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Er is bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast. Dit voor het medeplegen van oplichting en het medeplegen van valsheid in geschrift dan wel het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711329-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats] (Suriname)

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 december 2009, waarbij de officier van justitie haar standpunt kenbaar heeft gemaakt.Mr. de Jong, de raadsman van verdachte, heeft –nadat een verzoek tot aanhouding door de rechtbank was afgewezen-er voor gekozen geen verdediging te voeren.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 juni 2005 tot en met 10 juli 2007 zich te Utrecht heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en het medeplegen van valsheid in geschrift dan wel het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem onder 1 en onder 2 primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 01 juni 2005 tot en met 10 juli 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en /of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf] en/of [bedrijf 1] heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, te weten het aangaan van het verstrekken van een hypothecaire geldlening en tot de afgifte van een geldbedrag (Euro 178.000,-), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - telkens opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, zoals uit de door verdachte aan de [bedrijf 2] te Utrecht en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf] verstrekte werkgeversverklaring en salarisstrook over de maand juni 2005 blijkt, de hoedanigheid aangenomen van een bonafide werknemer van [bedrijf 3] door zich voor te doen alsof hij, verdachte,

- een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste

dienst bij [bedrijf 3] sinds 09 januari 2004, in de functie van

meewerkend voorman en

- een maandsalaris had van (ongeveer) Euro 2.239,00 en

- een brutoloon SV (jaarsalaris) had van (ongeveer) 17.345,62 en

- de uitbetaling van de hiervoor genoemde salaris/tegoeden plaatsvond op

rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van hem, verdachte,

waardoor [bedrijf] en/of [bedrijf 1] werd bewogen tot bovenomschreven

afgifte;

2.

Primair

hij in de periode van 01 juni 2005 tot en met 10 juli 2007 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, schriftelijke documenten, te weten een werkgeversverklaring

en een salarisstrook over de maand juni 2005 verstrekt aan de [bedrijf 2] te Utrecht en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf], ten behoeve van een aanvraag voor een hypothecaire geldlening - zijnde geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zijn mededader valselijk

en in strijd met de waarheid in die geschriften vermeld dat hij, verdachte

- een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste

dienst bij [bedrijf 3] sinds 09 januari 2004, in de functie van

meewerkend voorman, en

- een maandsalaris had van (ongeveer) Euro 2.239,00 en

- een brutoloon SV (jaarsalaris) had van (ongeveer) 17.345,62 en

- de uitbetaling van de hiervoor genoemde salaris plaatsvond op rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van hem, verdachte,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1 en onder 2 primair telkens meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Medeplegen van oplichting;

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan heeft de rechtbank met name acht geslagen op de ernst van het feit, te weten het op geraffineerde wijze door het aannemen van een valse hoedanigheid en het verstrekken van valse gegevens de benadeelde bewegen een hypothecaire geldlening van een aanzienlijk bedrag aan verdachte te geven en de schade die daardoor aan de benadeelde is toegebracht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 oktober 2007, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten als ten laste gelegd en bewezen verklaard in aanraking met politie en/of justitie is geweest.

7. De benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 4]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de ten laste gelegde feiten.

Nu niet is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezenverklaarde feiten, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5.1 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van DRIE MAANDEN.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van ÉÉN HONDERD EN ZESTIG uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 80 dagen, indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf 4] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mrs M.C. Oostendorp, voorzitter, P. Bender en J. Schukking, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee,, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 december 2009.