Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BL0567

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
607986 UC EXPL 08-18886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beding in arbeidsovereenkomst vernietigd op grond van dwaling aan de zijde van de werknemer; gevolgen daarvan ex art. 6:230 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0075
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 607986 UC EXPL 08-18886 SL

vonnis d.d. 16 december 2009

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. C.A.B. van der Weijden-Zeevenhooven,

tegen:

de besloten vennootschap

Ascom Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Ascom ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. dr. E.J.A. Franssen.

Verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 24 juni 2009.

Ingevolge dat vonnis hebben [eiser] en Ascom een akte genomen waarop Ascom en [eiser] schriftelijk hebben gereageerd.

Thans zal eindvonnis worden gewezen.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1.

Bij meergenoemd tussenvonnis d.d. 24 juni 2009 heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen aan te passen in verband met de gevolgen van de totale vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens dwaling.

2.

[eiser] heeft verlangd primair wijziging van de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van nadeel als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, in dier voege dat de kantonrechter Ascom veroordeelt tot het compenseren van het door [eiser] geleden netto nadeel, als zou de 30-procentsregeling vanaf mei 2002 zijn toegepast op de zogenaamde ”Fortis methode” en subsidiair vernietiging van dat deel van de arbeidsovereenkomst waarbij de onderhavige 30-procentsregeling conform de zogenaamde “Ascom-methode” werd uitgevoerd, onder de verplichting van Ascom tot betaling van de volledige netto schadevergoeding aan [eiser] conform de vorderingen van [eiser] wegens toerekenbare onrechtmatige daad en/of op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Aan dit verlangen wordt ten grondslag gelegd dat de vordering van [eiser] geheel in overeenstemming is met de ratio en de strekking van de 30-procentsregeling die er juist voor bedoeld is om het voor buitenlandse werknemers zo aantrekkelijk mogelijk te maken om in Nederland te komen werken.

3.

Ascom stelt zich op het standpunt dat er door [eiser] geen nadeel in de zin van artikel

6: 230 lid 2 BW geleden is. Ascom wijst op de omstandigheid dat zij bevoegd was om de

30-procentsregeling toe te passen en dat er verscheidene, wettelijk toegestane, manieren zijn om de 30-procentsregeling toe te passen. Ascom heeft voor een van die manieren gekozen.

Verder voert Ascom aan dat indien zij [eiser] destijds, voordat zij de 30-procentsregeling ging toepassen, wel voldoende zou hebben geïnformeerd, Ascom nog steeds zou hebben aangegeven dat zij de regeling gaat toepassen zoals zij het heeft gedaan. [eiser] had dan uiteraard kunnen aangeven dat hij dat niet wilde, maar dat zou tot gevolg hebben gehad dat Ascom aan [eiser] gewoon het overeengekomen loon zou hebben betaald, dus zonder toepassing van de 30-procentsregeling. Bijgevolg heeft [eiser] dus nooit nadeel gehad, maar alleen maar voordeel met de afspraak dat de 30-procentsregeling wordt toegepast.

Tot dusver de nader aangevoerde argumenten van partijen.

4.

De kantonrechter komt het volgende oordeel.

4.1.

Ascom miskent dat nadeel in de zin van art. 6:230 BW ook kan worden geleden doordat een groter voordeel dan het al verkregen voordeel niet wordt behaald. De kantonrechter is evenwel desondanks van oordeel dat onvoldoende door [eiser] is aangetoond dat, indien partijen, gezamenlijk uitgaande van de juiste voorlichting en informatie door de werkgever van de mogelijkheden binnen de 30-procentsregeling, zouden hebben overeengekomen dat de 30-procentsregeling zou worden toegepast, dan voor de variant zou zijn gekozen dat de onkostenvergoeding boven op het overeengekomen loon door [eiser] zou zijn ontvangen. Er is door [eiser] onvoldoende aangetoond dat er waarom de werkgever met die variant in de 30-procentsregeling akkoord zou zijn gegaan en dat die afspraak zou hebben moeten zijn gemaakt. [eiser] heeft (vervolgens) ook niet aan de orde gesteld dat er, behoudens de twee in de stukken genoemde varianten, nog een andere variant zou zijn waardoor zijn nadeel zou kunnen worden opgeheven en dat aannemelijk is dat die variant tussen partijen zou zijn overeengekomen indien [eiser] correct over de 30-procentsregeling zou zijn voorgelicht.

Ten slotte is de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheid dat de 30-procentsregeling is ontworpen om de uit het buitenland komende werknemers fiscaal te bevoordelen nog niet zonder meer ertoe leidt dat de meest gunstige regeling geacht moet worden telkens te worden overeengekomen. In dit verband is terecht door Ascom erop gewezen dat de staatssecretaris van Financiën in zijn besluit van 26 november 2001 (VN 2001/62.20), waarin hij op een aantal gestelde vragen over de 30-procentsregeling antwoorden geeft, onder punt 14 een voorbeeld geeft van wat tussen partijen arbeidsrechtelijke overeengekomen kan worden en daarbij schrijft : ” a. Indien en voorzover de werknemer op grond van artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een vrije vergoeding van extraterritoriale kosten kan ontvangen, wordt het met de werknemer overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking op zodanige wijze arbeidsrechtelijk verminderd dat 100/70 van het aldus nader overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking gelijk is aan het oorspronkelijk overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

b. Indien en voor zover onderdeel a toepassing vindt, ontvangt de werknemer van de werkgever een vergoeding van extraterritoriale kosten, gelijk aan 30/70 van het aldus nader overeengekomen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.” Dit voorbeeld geeft naar het oordeel van de kantonrechter nu juist niet het door [eiser] beoogde voordeel en het is ook niet, zonder meer, het meest aannemelijke te behalen voordeel.

Op dit alles stuit uiteindelijk de vordering af.

4.2.

Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter termen de proceskosten te compenseren in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten geheel.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.