Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK9272

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
16-600519-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 56 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Veroordeling ter zake openlijk geweld en bedreiging. Verweer m.b.t. onbetrouwbare verklaringen van aangever(s) en getuige(n) verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600519-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres],

raadsman mr. R.G.J. Booij, advocaat te De Meern.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 november 2009, waarbij de officier van justitie, mr. A.S. Bijleveld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

- samen met anderen openlijk geweld gepleegd heeft tegen personen;

feit 2:

- samen met anderen personen met de dood heeft bedreigd en daarbij met een mes of een scherp voorwerp heeft gezwaaid.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op:

Ten aanzien van feit 1 en 2:

De verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, het geconstateerde letsel en de verklaring van [getuige 4].

De officier van justitie vordert vrijspraak ten aanzien van het openlijk geweld tegen [getuige 3].

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

De verdediging wijst er daarbij op dat verdachte en zijn medeverdachten ontkennen ten tijde van het beweerde geweld ter plaatse te zijn geweest, hetgeen wordt bevestigd door de alibi’s van verdachten.

Voorts stelt de verdediging dat de verklaringen van aangevers ongeloofwaardig onbetrouwbaar zijn, nu deze verklaringen innerlijk tegenstrijdig en inconsistent zijn. Daarnaast hebben zij, gelet op een eerdere confrontatie, een motief aan een valse aangifte te doen. Op basis van de stukken kan niet vastgesteld worden wat de aard van het letsel bij het slachtoffer was en wanneer hij dit had opgelopen. Er kan derhalve geen verband gelegd worden tussen het beweerde letsel en het beweerde geweld, aldus de verdediging. Voorts zijn ter plaatse geen sporen en wapens aangetroffen die wijzen op een mogelijke vechtpartij.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en de getuigen ongeloofwaardig onbetrouwbaar zijn nu deze inconsistent zijn en onderling op essentiële punten verschillen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen die de aangever [getuige 2] en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] en deels [getuige 4].

bij de politie en de rechter-commissaris hebben afgelegd inhoudelijk, zowel in grote lijnen als in diverse details, consistent zijn en elkaar bevestigen, onder andere waar het betreft de betrokken verdachten, de gebruikte slag- en steekwapens en de feitelijke geweldshandelingen. Voorts passen de bij [getuige 2] geconstateerde verwondingen en het feit dat de scooter van [getuige 1] door de politie beschadigd is aangetroffen op de plaats ( [adres]) waar het openlijk geweld zich heeft afgespeeld bij de verklaringen van aangever en getuigen . Hetzelfde geldt ten aanzien van het gegeven dat uit buurtonderzoek naar voren is gekomen dat een bewoonster van de [adres] op 4 mei 2009 rond 23.30 uur een hoop geschreeuw heeft gehoord vanaf de straatkant van de [adres]. Zij vermoedde dat er een vechtpartij plaatsvond.

De omstandigheid dat de verklaringen van de aangever(s)/getuigen op diverse punten niet geheel overeenkomen is naar het oordeel van de rechtbank niet ongewoon, gelet op de hectische en chaotische situatie, de paniek bij de slachtoffers en het korte tijdbestek waar binnen de incidenten zich hebben afgespeeld en doet daarom naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de geloofwaardigheid betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.

De rechtbank constateert voorts dat er geen enkele feitelijke aanwijzing is dat de aangever(s)/getuigen een en ander zelf in scène zouden hebben gezet. Hetzelfde geldt ten aanzien van de door de verdediging geuite veronderstelling dat de aangevers)/getuigen er belang bij zouden hebben gehad om anderen als daders aan te wijzen dan de werkelijke daders.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte, dat hij op 4 mei 2009 niet bij de bushalte op de [adres] is geweest, niet geloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat hij op 4 mei 2009 om 22.30 uur na zijn werk met de bus naar huis is gegaan en dat hij vervolgens [medeverdachte 1] heeft opgehaald en dat zij om ongeveer 23.15/23.30 uur in de winkel van zijn oom aan de [adres] waren. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem rond 22.30/23.00 uur heeft opgehaald en dat zij rond 23.30 uur in de winkel waren.

Deze verklaringen sluiten echter geenszins uit dat verdachte rond het tijdstip waarop het incident heeft plaats gevonden (omstreeks 23.15 uur) bij de bushalte op de [adres] is geweest, nu beide locaties zich met de auto slechts enkele minuten van elkaar bevinden .

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

Op 4 mei 2009 om ongeveer 23.00 uur staan de broers [getuige 2] en [getuige 1], hun neef [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] bij een bushalte aan de [adres] in Utrecht. Tijdens het wachten op de bus ziet [getuige 4] twee auto’s, waaronder een zwarte of blauwe Opel Corsa, voorbij rijden. Hij herkent als inzittenden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 4]. De Opel Corsa wordt ook opgemerkt door [getuige 1]. Hij herkent deze auto als de auto van [verdachte]. Uit politieonderzoek blijkt dat [verdachte] inderdaad in het bezit is van een blauwe Opel Corsa . Als de bus arriveert, stappen [getuige 4] en [getuige 5] in. Na hun vertrek blijven [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] nog wat napraten bij de bushalte .

Enige ogenblikken later komt er een groep jongens naar hen toe. Tot deze groep behoren onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 4] loopt direct op [getuige 2] af en slaat hem met een vuist vol op zijn oor. Vervolgens ontstaat er een vechtpartij tussen [medeverdachte 4] en [getuige 2], waarbij er over en weer wordt geslagen en geduwd en getrokken wordt aan kleding. [medeverdachte 4] geeft [getuige 2] een stomp in de buik en op diens gezicht en pakt [getuige 2] bij de voorzijde van zijn jas vast. Tijdens dit gevecht loopt [medeverdachte 3] zwaaiend met een ploertendoder naar [getuige 2] toe en maakt daarmee een slaande beweging richting zijn lichaam. [getuige 2] slaat de ploertendoder uit de hand van [medeverdachte 3], waarna [medeverdachte 3] de ploertendoder weer oppakt, daarmee naar [getuige 3] rent en daarmee slaande bewegingen maakt in diens richting. [getuige 3] rijdt hierop weg op zijn scooter .

Ongeveer tegelijkertijd staat [medeverdachte 2] vlak voor [getuige 1]. Hij houdt twee messen in zijn handen en zegt: “Gipsy, ik maak je dood.” [medeverdachte 2] maakt met de messen stekende bewegingen naar het bovenlichaam van [getuige 1]. [getuige 1] rent hierop weg. [medeverdachte 2] rent een stukje achter [getuige 1] aan en schreeuwt daarbij: “Ik maak je dood.” [getuige 1] springt vervolgens bij [getuige 3] achter op de scooter.

[getuige 2] blijft achter bij de bushalte. Hij ziet dat [verdachte] een stanleymes uit zijn zak haalt, daarmee op hem afloopt en zegt: “Zie je deze mes, ik ga je steken.” Ook [medeverdachte 4] pakt een mes uit zijn zak en roept naar [getuige 2]: “ik ga je steken kutzigeuner” [getuige 2] wordt vervolgens twee maal met een mes gestoken in de rug, de eerste maal door [medeverdachte 4]. Wie de tweede maal heeft gestoken heeft [getuige 2] niet gezien, maar hij heeft wel gezien dat [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op dat moment in zijn buurt waren . [getuige 1] heeft gezien dat [medeverdachte 2] een steekbeweging maakt met een van de messen naar de rug van [getuige 2].

[getuige 2] rent hierna weg. Tijdens zijn vlucht wordt hij achterna gerend door [medeverdachte 4], die hem met een mes in de rug steekt .

Een stukje verderop voegt [getuige 2] zich bij [getuige 1] en [getuige 3]. Met zijn driëen op één scooter rijden ze naar politiebureau Paardenveld. De scooter van [getuige 1] blijft bij de bushalte achter. Zeer kort nadat [getuige 2], [getuige 1] en [getuige 3] zich bij de politie hebben gemeld bij is deze scooter door de politie aangetroffen bij bushalte aan de [adres]. De scooter had een platte achterband, met daarin drie kepen . Onderweg naar het politiebureau komen zij een auto met daarin onder meer [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] tegen. [medeverdachte 2] draait het raam open en roept: “gypsies jullie gaan dood.”

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat bij [getuige 2]- op het moment dat hij zich op 4 mei 2009 om ongeveer 23.40 uur het politiebureau meldde – werd geconstateerd dat hij een kras-/snijwond had tussen zijn schouderbladen, een ondiepe snij/-vleeswond onderaan zijn rug, een kras op zijn rechterhand en een kleine snee in zijn linker bovenarm en dat zijn shirt aan de rugzijde bebloed is. De verwondingen zijn ter plaatse verzorgd door een verbalisant. Vervolgens is het slachtoffer voor behandeling van de wonden naar het ziekenhuis gebracht, waar de wonden zijn gehecht.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1.

hij op 4 mei 2009 te Utrecht met een ander of anderen op de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [getuige 2] en [getuige 1] en [getuige 3], welk geweld bestond uit

- het stompen en/of slaan tegen/op het oor en/of gezicht van die [getuige 2] en

- het bij de jas vastpakken van die [getuige 2] en trekken aan de jas van die [getuige 2] en

- het met een ploertendoder maken van een of meer slaande/zwaaiende bewegingen naar, althans in de richting van die [getuige 2] en [getuige 3] en

- het met een of meer messen maken van stekende bewegingen naar die [getuige 2] en/of [getuige 1] en

- het met een of meer messen in de onderrug en tussen de schouderbladen/bovenrug steken en prikken van die [getuige 2],

ten aanzien van feit 2.

hij op 4 mei 2009 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen [getuige 2] en [getuige 1] en [getuige 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben verdachte en een of meer van zijn mededaders opzettelijk dreigend een mes getoond en zwaaiende en/of stekende bewegingen gemaakt en die [getuige 2] en [getuige 1] en [getuige 3] dreigend de woorden toegevoegd:

- "Zie je deze mes, ik ga je steken" en

- "Gypsy, ik maak je dood" en

- "Gypsies, jullie gaan binnenkort dood" en

- "Jullie zijn dood",

althans telkens woorden mede in hun samenhang bezien van gelijke dreigende aard of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1.De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling;

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 56 dagen met aftrek, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de gehele tenlastelegging. Subsidiair stelt de verdediging dat bij een veroordeling kan worden volstaan met een straf die gelijk is aan het voorarrest van verdachte.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op 4 mei 2009 heeft verdachte samen met anderen de slachtoffers aangevallen op de openbare weg. Daarbij heeft men onder andere gebruikt gemaakt van messen, waardoor [getuige 2] diverse steek/snijwonden heeft opgelopen. Voorts heeft men de slachtoffers bedreigd.

Feiten als ten laste gelegd en bewezen verklaard veroorzaken door hun openbaarheid gevoelens van onrust en van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft met zorg geconstateerd dat gebleken is dat de groep waartoe verdachte behoort regelmatig de confrontatie opzoekt met de groep waartoe de slachtoffers behoren en vice versa. Men aarzelt daarbij niet om gebruik te maken van aanzienlijk lichamelijk geweld en zich te voorzien van allerlei slag- en steekwapens en deze ook te gebruiken. Het is niet aan betrokkenen te danken dat dat nog niet heeft geleid tot ernstigere gevolgen dan de letsels en schade die dat tot op heden tot gevolg heeft gehad.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 21 september 2009, waaruit blijkt dat verdachte in 2006 al eens is veroordeeld voor een soortgelijk feit;

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten, mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat zij het niet noodzakelijk acht dat verdachte opnieuw vast komt te zitten en zal derhalve aan verdachte, naast de door de officier van justitie gevorderde - deels voorwaardelijke - gevangenisstraf, een hogere werkstraf opleggen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 80 uur passend en geboden is.

6. Het beslag

6.1. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen GSM (Nokia, kleur grijs) aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 56 dagen, waarvan 51 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een GSM, merk Nokia, kleur grijs;

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. J. Schukking, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 november 2009.