Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8645

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
16/710303-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Dit voor primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710303-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats] (Algerije)

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

verblijvende te [woonadres], [woonplaats], België

raadsvrouw mr. M.S.F. Ilahibaks-Gulzar, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De wijziging houdt in dat in de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 in de tweede regel na “in het arrondissement Utrecht” wordt ingevoegd: ”en/of in België” en dat ten aanzien van feit 2 in de derde regel na “in elk geval in Nederland” wordt ingevoegd: “en/of in België”.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 februari 2000 tot en met 30 juni 2000 valsheid in geschrift heeft gepleegd;

feit 2: in de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 november 2001 en/of 1 augustus 2003 tot en met 19 september 2007 uitkeringsfraude heeft gepleegd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank voor de ten laste gelegde valsheid in geschrift slechts deels tot een bewezenverklaring kan komen. Zij heeft vrijspraak bepleit voor een deel van de periode, te weten: de maand april 2000, nu de Inkomstenverklaring (hierna: IV) over deze maand in het dossier ontbreekt. Voorts acht de verdediging niet wettig bewezen dat verdachte zijn hoofdverblijf had in België en dat hij inkomsten uit onderhuur had van zijn woning aan de [adres] te Utrecht, waardoor zij ook hiervoor vrijspraak heeft bepleit. Ten aanzien van de ten laste gelegde uitkeringsfraude is de verdediging van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen. Zij heeft echter bepleit dat de periode dient te worden beperkt doordat veel IV’s ontbreken, waardoor voor die periodes wettig bewijs ontbreekt.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Algemene overweging

Aan verdachte is vanaf 28 november 1999 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm van alleenstaande.

Op grond van artikel 65, eerste lid van de Abw heeft verdachte een inlichtingenplicht inhoudende dat hij op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht van bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand dat aan hem wordt betaald, mededeling dient te doen. Op grond van het tweede lid van bovengenoemd artikel zijn door de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Utrecht maandelijks voor de verstrekking van bovengenoemde gegevens formulieren (IV’s) aan verdachte verstrekt. Deze IV’s zijn geschriften als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Om het recht op en de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen moeten op de IV’s vragen worden beantwoord en/of eventuele veranderingen aangegeven worden met betrekking tot onder andere de gezins-, woon-, arbeids- en inkomensomstandigheden.

Bij besluit van 12 januari 2000 is aan verdachte medegedeeld dat hij verplicht is alles te melden wat van invloed kan zijn op zijn uitkering, onder andere wijzigingen in zijn persoonlijke en financiële omstandigheden.

Verdachte heeft deze IV’s na invulling, dag- en ondertekening terugbezorgd bij de gemeente Utrecht. Op grond van de door verdachte verstrekte informatie heeft de gemeente Utrecht maandelijks de betalingen gecontinueerd.

Bij beschikking van 18 september 2007 heeft de gemeente Utrecht verdachte bericht de bijstandsuitkering van verdachte met ingang van 28 november 1999 in te trekken en per 1 september 2007 te beëindigen omdat verdachte niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij binnen Nederland geen voldoende middelen heeft om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien.

Verdachte is op 19 september 2007 verhoord door sociale rechercheurs en heeft ten aanzien van de uitkering van de gemeente Utrecht verklaard dat hij nooit de vragen naar waarheid heeft ingevuld en derhalve nooit recht heeft gehad op de uitkering.

Overweging ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht de ten laste gelegde valsheid in geschrift wettig en overtuigend bewezen, gelet op het navolgende.

In de periode van 1 februari 2000 tot en met 30 juni 2000 heeft verdachte op de IV’s de vraag of hij in de betreffende periode inkomsten uit arbeid heeft gehad, ontkennend beantwoord door het vakje NEE aan te kruisen.

Uit de jaaropgaaf van [bedrijf 1] te Zaventum (België) blijkt echter dat verdachte in bovengenoemde periode inkomsten uit arbeid heeft verkregen. Ter terechtzitting heeft verdachte dit bevestigd en verklaard dat hij deze inkomsten in het weekend heeft verdiend en dat hij later pas hoorde dat hij deze inkomsten bij de gemeente Utrecht had moeten opgeven.

Voorts heeft verdachte bankrekeningen op zijn naam gehad die verdachte niet heeft opgegeven aan de gemeente Utrecht. Het betreft de bankrekening bij [bedrijf 2] met rekeningnummer [rekeningnummer], waarmee verdachte de huur betaalde van de woning in België. Verder heeft verdachte drie bankrekeningen bij [bedrijf 3] op zijn naam gehad. Verdachte had op grond van de zijn inlichtingenplicht aan de gemeente Utrecht moeten melden dat hij bovengenoemde bankrekeningen op zijn naam had, nu dit betrekking had op zijn financiële omstandigheden en van belang was voor het kunnen vaststellen van zijn aanspraak op een uitkering. Op deze rekeningen hebben mutaties plaatsgevonden en deze bankrekeningen gaven inzicht in de vermogenspositie van verdachte op dat moment.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken voor het overige tenlastegelegde op grond van het volgende. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn hoofdverblijf had in België. Enkel de verklaring van verdachte dat hij in weekend in België verbleef, op die dagen daar werkte, in België stond ingeschreven en een verblijfvergunning had, zijn daartoe onvoldoende.

Dat verdachte in de in feit 1 tenlaste gelegde periode inkomsten en of tegoed had uit kinderbijslag in België volgt evenmin uit het dossier. Uit de administratieve bevolkingsgegevens volgt enkel de inschrijving van [betrokkene 2][betrokkene 1] als dochter van verdachte op 27 juni 2000. Uit het dossier volgt niet dat verdachte in de ten laste gelegde periode inkomsten dan wel tegoed had uit hoofde hiervan. Verder ontbreekt wettig bewijs ten aanzien van de belastingteruggaven. In het dossier bevindt zich enkel bewijs dat verdachte over de jaren 2002, 2003 en 2004 recht had op belastingteruggaven en niet over de in feit 1 ten laste gelegde periode. Hetzelfde geldt voor de inkomsten uit onderhuur van zijn woning aan de [adres] te Utrecht. Het dossier bevat bewijs hiervan over de periode 2006-2007. Ten slotte ontbreekt bewijs voor het feit dat verdachte voertuigen in de hier ten laste gelegde periode op zijn naam had.

Aan het verweer van de verdediging dat wettig bewijs ontbreekt voor de maand april 2000, nu de IV over deze maand niet in dossier zit, gaat de rechtbank voorbij.

Er is immers niet gebleken dat er over de maand april 2000 een wijziging heeft plaatsgevonden in de hoogte van de uitkering, hetgeen wel het geval zou zijn geweest indien verdachte de gemeente Utrecht in de IV van april 2000 middels het aankruisen van het juiste vakje op de hoogte had gesteld van zijn inkomsten uit arbeid in die periode. Om diezelfde reden is onaannemelijk dat verdachte over de maand april 2000 in het geheel geen IV heeft ingevuld en ingestuurd, nu het invullen en insturen van de IV een voorwaarde is voor continuering van de uitkering. Zonder nadere onderbouwing gaat de rechtbank er dan ook van uit dat deze IV door verdachte – overeenkomstig de overige IV’s – is ingevuld en ingeleverd bij de gemeente Utrecht.

Overweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht de ten laste gelegde uitkeringsfraude wettig en overtuigend bewezen, gelet op het navolgende.

In de periode van 1 juli 2000 tot en met 30 november 2000 en 1 augustus 2003 tot en met

19 september 2007 heeft verdachte op de door hem ingevulde en ingeleverde IV’s de vragen of er - kort gezegd - wijzigingen zijn in zijn persoonlijke dan wel financiële omstandigheden, en of hij inkomsten uit arbeid of overige inkomsten heeft ontvangen ontkennend beantwoord door de vakjes NEE aan te kruisen.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat wettig bewijs ontbreekt doordat veel IV’s ontbreken, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in dit kader onder feit 1 heeft overwogen, hetgeen hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Verdachte heeft verklaard zijn woning aan [adres] te Utrecht in 2006 en 2007 te hebben onderverhuurd. Dit in combinatie met het feit dat verdachte in België stond ingeschreven, een verblijfvergunning daar had en zijn verklaring dat hij in de weekenden in België verbleef en werkte, maakt dat de rechtbank voor deze periode bewezen acht dat hij zijn hoofdverblijf in België had.

Verdachte heeft van 17 november 1997 tot en met 2 februari 2002 gewerkt voor [bedrijf 1] te Zaventum en hieruit inkomsten ontvangen, hetgeen door verdachte ter terechtzitting van 11 december 2009 is bevestigd. Ook heeft verdachte bevestigd dat hij deze inkomsten niet heeft opgegeven bij de gemeente Utrecht.

Verdachte heeft in de periode van 15 april 2002 tot en met 30 september 2002 en van

7 januari 2005 tot en met 15 september 2006 een werkloosheidsuitkering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in België ontvangen. Ter terechtzitting heeft verdachte dit bevestigd. Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dit wel te hebben doorgegeven aan de gemeente Utrecht, maar heeft dit niet nader onderbouwd met stukken. De rechtbank acht dit dan ook onaannemelijk. Hierbij komt dat een dergelijke mutatie in beginsel tot een wijziging van de (hoogte van de) bijstandsuitkering van verdachte zou hebben geleid, waarvan niets gebleken is.

Uit de bankafschriften van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] bij [bedrijf 2] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 juni 2007 blijkt de ontvangst van bovengenoemde werkloosheidsuitkering.

Uit informatie van de Federale Gerechtelijke Politie in België blijkt dat verdachte in de periode 23 juni 2001 tot en met 17 september 2005 getrouwd is geweest met [betrokkene 2].

Ter terechtzitting heeft verdachte dit bevestigd. Verdachte heeft op de IV noch anderszins een melding gemaakt van dit huwelijk bij de gemeente Utrecht. Hiertoe was hij wel verplicht te meer deze wijziging van zijn burgerlijke staat in beginsel gevolgen heeft voor (de hoogte van) zijn uitkering.

Voorts blijkt uit bovengenoemde informatie dat [betrokkene 2] over 2002 een inkomen had van

€ 11.984,00, over 2003: € 15.070,00 en over 2004: € 10.799,51. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zijn toenmalige echtgenote in die periode inderdaad heeft gewerkt, maar dat zij toen apart woonden. Dit laatste maakt het naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders nu feit blijft dat verdachte deze inkomsten niet heeft opgegeven aan de gemeente Utrecht, terwijl dit wel had gemoeten.

Het verzwijgen van de ontvangst van de kinderbijslag in België acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen. Uit de administratieve bevolkingsgegevens volgt – zoals reeds onder feit 1 is overwogen – op 27 juni 2000 de inschrijving van [betrokkene 2][betrokkene 1] als dochter van verdachte in België. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [betrokkene 2] zijn nichtje is en dat zij nooit bij hem heeft gewoond. Hij heeft echter wel kinderbijslag voor haar ontvangen en heeft haar bewust in België ingeschreven om deze uitkering te kunnen ontvangen. Uit de bankafschriften van de bankrekening met rekeningnummer

[rekeningnummer] bij [bedrijf 2] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 juni 2007 blijkt de ontvangst van bovengenoemde kinderbijslag.

Uit informatie van de Federale Gerechtelijke Politie in België volgt dat verdachte recht had op belastingteruggaven. Over het jaar 2002 had verdachte recht op een belastingteruggave van € 1.069,96, over 2003: € 1.349,67 en over 2004: € 1.876,43. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of hij deze bedragen heeft ontvangen, maar dat als het op zijn naam stond en op zijn bankrekening is gestort, dit zou kunnen. Hij heeft verklaard deze belastingteruggave in ieder geval niet te hebben opgegeven aan de gemeente Utrecht.

Verdachte heeft in 2005 inkomsten genoten uit handel in kopieermachines, zoals hij heeft verklaard tijdens de verhoren in 2006 en 2007.

Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij winst gemaakt heeft met de handel in kopieermachines, maar met de kanttekening dat waar in de processen-verbaal van de verhoren in 2006 en 2007 wordt gesproken over netto opbrengst ad € 10.100,00 hij eigenlijk bedoelde te zeggen: omzet. Deze kanttekening van verdachte die enkel van invloed is op de hoogte van inkomsten, maakt de beoordeling van het strafbare feit niet anders, nu het gaat om het feit dat hij inkomsten uit handel niet heeft opgegeven aan de gemeente Utrecht en dit wel had gemoeten.

Ten aanzien van de inkomsten uit onderhuur van zijn woning aan de [adres] te Utrecht heeft verdachte verklaard dat hij (in 2006) zijn woning heeft onderverhuurd aan ene [naam]. Verder heeft hij in februari 2007 bovengenoemde woning voor 5 à 6 maanden onderverhuurd aan studentes [naam] en [naam]. In beide gevallen heeft verdachte € 250,00 per maand als onkostenvergoeding ontvangen.

In tegenstelling tot zijn eerdere verklaringen in 2006 en in september 2007, heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij van [naam] geen onkosten heeft ontvangen. Als reden voor deze andersluidende verklaring heeft de verdachte aangegeven dat [naam] zijn vriendin was en dat haar familie niet mocht weten dat zij samenwoonden. De rechtbank acht deze verklaring in het licht van zijn eerdere verklaringen uit 2006 en 2007 niet geloofwaardig.

Uit informatie van de RDW blijkt dat verdachte van 8 november 2003 tot 24 september 2004 een Mercedes-Benz 308 en van 5 november 2003 tot 10 november 2003 een Mercedes-Benz 307 op zijn naam heeft gehad. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze auto’s in gebruik heeft gehad en ook een Ford Focus en een Peugeot. Voorts volgt uit informatie van de Federale Gerechtelijke Politie in België dat verdachte nog enkele voertuigen op zijn naam heeft gehad. In dit kader heeft verdachte verklaard dat hij de auto’s op zijn naam heeft gehad en dat hij hiervoor een vergoeding kreeg. Verdachte heeft verklaard deze informatie niet bewust te hebben achtergehouden voor de gemeente Utrecht.

Ten slotte acht de rechtbank ook het verzwijgen van de bankrekeningen op naam van verdachte wettig en overtuigend bewezen. Zij verwijst hierbij naar hetgeen zij onder feit 1 in dit kader reeds heeft overwogen hetgeen hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Uit de bankafschriften van de bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] bij [bedrijf 2] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 7 juni 2007 blijkt dat verdachte kinderbijslag en werkloosheidsuitkering heeft ontvangen en dat hij door middel van mutaties in zijn levensonderhoud in België heeft voorzien. Ook heeft verdachte een bankrekening bij de [bedrijf 4] bank geopend per 30 mei 2006 waarop onder andere stortingen zijn verricht en betalingen zijn verricht. Ook heeft verdachte bij de [bedrijf 5] op zijn naam (gehad), waarop op 17 maart 2004, 14 februari 2007 en

3 april 2007 door verdachte geldbedragen zijn gestort.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 01 februari 2000 tot en met 30 juni 2000 te Utrecht en/of België (telkens) als degene aan wie - op grond van de bepalingen van de Algemene Bijstandswet - bijstand was toegekend, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, - te weten een formulier van de Gemeentelijke Sociale Dienst van de gemeente Utrecht, waarop ter vaststelling door die Dienst of en zo ja tot welk bedrag een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet aan hem, verdachte diende te worden toegekend of voortgezet, door hem, verdachte over de periode voornoemd opgave moest worden gedaan van (gewijzigde) omstandigheden/gegevens die van invloed zouden kunnen zijn op die bijstandsverlening -

valselijk heeft opgemaakt, althans heeft doen of laten opmaken, immers (telkens) opzettelijk valselijk niet op dat formulier heeft vermeld of doen vermelden dat hij, verdachte, in de betreffende periode inkomsten had, uit hoofde van een arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] te Zaventem en bankrekeningen op zijn, verdachte’s, naam heeft gehad,

en dat formulier met zijn naam heeft ondertekend ter bevestiging van de juistheid der daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om dat aldus opgemaakte en ondertekende geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2.

in de periode van 01 juli 2000 tot en met 30 november 2001en/of in de periode van

01 augustus 2003 tot en met 19 september 2007, te Utrecht en/of in België, telkens, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Abw/WWB, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering ingevolge de Abw/WWB, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, telkens, in voornoemde periode opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte,

* zijn hoofdverblijf had in België, en

* inkomsten had uit hoofde van:

- een arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] te Zaventem en

- een werkloosheidsuitkering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening België en

- inkomsten van zijn, verdachte's toenmalige echtgenote, [betrokkene 2], en

- kinderbijslag voor [betrokkene 2][betrokkene 1], geboren [1998] van de Belgische autoriteiten en

- belastingteruggave van de Belastingdienst in België en

- inkomsten uit de onderhuur van zijn, verdachte's, woning aan de [adres] te Utrecht) en

- handel in kopieermachines en

* gehuwd was en gescheiden is (met/van [betrokkene 2]) en

* voertuigen op zijn, verdachte's, naam heeft gehad en

* bankrekeningen op zijn, verdachte's, naam heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 2: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft deels vrijspraak bepleit en een strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk geen melding te maken van inkomsten, vermogen en overige informatie van belang voor de toekenning/ hoogte van zijn uitkering. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een uitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen doet afbreuk aan de solidariteit en ondermijnt het sociale stelsel. Hiervan worden uiteindelijk de mensen die op dit stelsel zijn aangewezen de dupe. Wat de rechtbank de verdachte ernstig verwijt, is dat hij gedurende een lange periode fors en bewust heeft gefraudeerd.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte is in 1994 veroordeeld voor valsheid in geschrift en in 1998 voor uitkeringsfraude. Deze feiten hebben weliswaar langer dan vijf jaar geleden plaatsgevonden, en zullen daarom in het algemeen geen rol spelen bij het vaststellen van de strafmaat. In dit geval houdt de rechtbank wel rekening met de veroordeling uit 1998 nu deze verdachte er krap twee jaar later niet van weerhouden heeft om weer voor een lange periode fors uitkeringsfraude te plegen.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het feit dat de inhoudelijke behandeling van de zaak nu pas heeft plaatsgevonden, terwijl verdachte al in september 2007 voor dit feit is aangehouden.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) past de rechtbank een korting toe van 5% op de straf die zij zou hebben opgelegd wanneer de zaak binnen een redelijke termijn zou zijn behandeld. De rechtbank acht alles afwegend een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel acht de rechtbank op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 225 en 227b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 2: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 december 2009.