Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8638

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
16-500461-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot betaling van een geldboete van € 10.000,00. Dit voor overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 32, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/500461-08 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 29 december 2009

in de strafzaak tegen

[bedrijf 1]

[vestigingsadres]

[vestigingsplaats]

raadsman mr. L.P. Quist, advocaat te Zwijndrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 juli 2009 en 15 december 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte rechtspersoon in strijd heeft gehandeld met voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet dan wel schuld heeft aan de dood van [slachtoffer], doordat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden voor de verdachte rechtspersoon, een prefab wand is omgevallen waarbij deze [slachtoffer] ernstig letsel heeft opgelopen waaraan deze is overleden.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair ten laste gelegde.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op het navolgende.

Op 25 februari 2008 heeft in Woerden een noodlottig ongeval plaatsgevonden. Op een bouwplaats aldaar is bij de uitvoering van een bouwproject een prefab-wand van 12 ton omgevallen waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) die op dat moment werkzaamheden verrichtte voor de verdachte rechtspersoon, om het leven gekomen.

De hoofdaannemer, [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) heeft ter uitvoering van bovengenoemd bouwproject de verdachte rechtspersoon ingeschakeld voor de volgende (beton)werkzaamheden:

1. het maken van de fundering

2. het leggen en afstorten van de begane grondvloer

3. het stellen en afstorten van de wandbekisting

4. het leggen en afstorten van de verdiepingsvloeren

5. het plaatsen van de prefab toppen/wanden

[bedrijf 2] heeft de materialen ter beschikking gesteld.

De verdachte rechtspersoon heeft [slachtoffer] en [betrokkene 1] ( hierna: [betrokkene 1]), ingehuurd voor het zelfstandig plaatsen van de prefab-wanden. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), voorman-uitvoerder bij de verdachte rechtspersoon, is aangesteld voor het houden van toezicht op het werk en het plaatsen van de wanden. Namens de verdachte rechtspersoon is [betrokkene 2] op de bouwplaats aanwezig geweest als meewerkend uitvoerder en heeft meegeholpen met het plaatsen van de prefab-wanden.

De verdediging heeft als verweer gevoerd dat [slachtoffer] is opgetreden als onderaannemer en niet als zzp-er is ingeleend door de verdachte rechtspersoon. Hierdoor is zij, volgens de verdediging, niet verantwoordelijk voor [slachtoffer]. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [bedrijf 1], (hierna: [bedrijf 1]), directeur van de verdachte rechtspersoon, heeft verklaard dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] zijn ingehuurd als zzp-ers. Ook [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij ([slachtoffer] en [betrokkene 1]) gezamenlijk waren ingeleend door de verdachte rechtspersoon.

Ook [betrokkene 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] en [betrokkene 1] ingeleende zzp-ers zijn die namens de verdachte rechtspersoon aan het werk zijn geweest. De rechtbank gaat op grond van deze verklaringen er dan ook van uit dat de werkzaamheden zijn verricht door ingeleend personeel, zodat er sprake is van “werkgever en werknemer” op grond van artikel 1, eerste lid onder a, 2e en artikel 1, eerste lid onder b van de Arbeidsomstandighedenwet.

De arbeidsinspectie heeft onderzoek verricht naar het ongeval en heeft haar bevindingen opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal en het aanvullend proces-verbaal. De bevindingen naar aanleiding van het onderzoek zijn - kort gezegd - de navolgende.

Het beton was niet voldoende uitgehard

[betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) uitvoerder bij [bedrijf 2], heeft verklaard dat hij weet dat de standaard uithardingstijd voor beton 28 dagen is. In dit geval waren er 5 dagen verlopen vanaf het storten van de betonnen vloer op 20 februari 2008. [bedrijf 1] heeft ter zitting verklaard dat door hen het beton niet is gemeten, terwijl zij wisten dat het zou worden opgewaardeerd.

[bedrijf 1] heeft verklaard dat zij zich niet hebben afgevraagd of het beton hard genoeg was omdat [bedrijf 2] de metingen zou doen. Zij vertrouwden er op dat [bedrijf 2] dit zou hebben gemeten.

Echter, uit hoofde van de algemene zorgplicht in de zin van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet was de verdachte rechtspersoon verantwoordelijk voor de zorg van haar werknemers, waar [slachtoffer] en [betrokkene 1] zoals hierboven is overwogen onder vielen. Met de wetenschap dat het beton korter was uitgehard dan de standaard uithardingstijd die er voor staat, mocht van de verdachte rechtspersoon - zeker omdat zij in beton is gespecialiseerd - meer van haar worden verwacht, bijvoorbeeld het laten berekenen of het beton sterk genoeg was.

Er zijn verkeerde materialen geleverd en er was sprake van een verkeerde montage

Uit de Gebruikershandleiding Schoorstempels volgt dat de schoorstempels moeten worden vastgezet met twee boutverbindingen en M16 bouten. Ook [betrokkene 4], leverancier van de wanden, heeft verklaard dat de standaardverankering ten behoeve van de schoorvoorzieningen M16 is.

Uit de foto’s ter plaatse blijkt echter dat het gebruikte M12-anker uit de betonvloer is getrokken en de M16-bout uit het muuranker is gekomen.

[betrokkene 3] heeft verklaard te hebben gekozen voor M12-verankeringsbouten. Hij weet dat er in de wand M16-ankers zijn geplaatst. Het anker in de vloer is niet berekend en er is geen overleg over M12-verankering geweest. Het is volgens hem in de bouw gebruikelijk dat er maar één bout wordt gebruikt.

[betrokkene 5], technisch adviseur ten aanzien van het gebruik van verankeringen bij [bedrijf 3] , heeft verklaard dat je pas kunt spreken van constructief beton na 28 dagen uitharding, zodat beton, 5 dagen na de stort, voor hem nog vers beton is.

Indien in dit geval een M12- anker is toegepast, dan is voor het verkeerde anker gekozen. Ook is het volgens hem heel belangrijk dat het anker wordt aangedraaid met een momentsleutel.

Uit de verklaring van [betrokkene 2] volgt echter dat zij hiervoor nooit een momentsleutel gebruiken.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat de schoren dienen te worden bevestigd aan de wand en aan de betonvloer. In dit geval is de schoor aan de muur bevestigd met een dikke bout en op de vloer met een M12-bout. Omdat de schoor al aan de muur zat, kon er maar één gat in de vloer worden geboord zodat de schoor maar aan één anker vast zat.

[betrokkene 6], tekenaar en constructeur bij [betrokkene 7], heeft verklaard dat het uit het beton getrokken M16-anker niet 65 mm in beton lijkt te hebben gezeten, maar maximaal 40 mm. Ook is niet berekend of de schoren de druk- en trekkrachten konden dragen waaraan zij bloot stonden. De verdachte rechtspersoon ging er van uit dat deze van goede kwaliteit waren en sterk genoeg, hetgeen onvoldoende is om te voldoen aan haar algemene zorgplicht.

Er zijn onvoldoende instructies gegeven

Volgens [betrokkene 2] staan de procedures van het stellen en nastellen van de betonnen muren niet op schrift.

Volgens [betrokkene 2] gebeurt het te lood zetten van de wand nadat de hijshaak van de kraan van de wand is losgemaakt. [bedrijf 1] heeft volgens [betrokkene 2] nooit met hem gesproken over het feit dat de wand niet meer te lood kan worden gesteld, als hij niet meer aan de kraan is bevestigd. [bedrijf 1] heeft ter zitting van 15 december 2009 verklaard dat [betrokkene 2] sinds 2002 bij de verdachte rechtspersoon in dienst is en dat de bedrijfsleider dit soort instructies normaal gesproken met zijn medewerkers bespreekt. [bedrijf 1] doet dit zelf dus niet, maar hij gaat ervan uit dat dit wel is gebeurd.

Dat de werkwijze van het plaatsen van een prefab-wand zou moeten zijn: de prefabwand plaatsen over de stekken, één schoor plaatsen, de wand te lood zetten, tweede schoor plaatsen en dan pas de ketting van de prefab wand verwijderen, was [betrokkene 1] niet bekend. Hij is van mening dat de leidinggevende op de bouwplaats dit had moeten aangeven.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat op de dag van het ongeval de hijskraan wegging, omdat er een andere wand verkeerd geplaatst was. [betrokkene 1] plaatste vervolgens zijn waterpas tegen de muur en zag de muur bewegen en omvallen. Doordat de wand was omgevallen kon hij de wand niet meer te lood stellen, wat hij wel van plan was op dat moment.

[betrokkene 8], timmerman bij [bedrijf 2] verklaart hier ook over. Volgens hem was [betrokkene 2] vóór de val van de wand geïrriteerd omdat hij een wand weer opnieuw moest plaatsen nu die verkeerd om stond. Daarom wilde hij dat ook snel doen. Hij heeft de wand, die later is omgevallen, losgekoppeld van de hijskraan.

Inspecteur-specialist [betrokkene 9] concludeert in zijn rapport d.d. 5 november 2009 , ten aanzien van het voorkomen van het ongeval nog - kort gezegd - het volgende:

1. Het ongeval had voorkomen kunnen worden als voor het vloeranker een ander ankertype zou zijn toegepast dat geschikt was voor toepassing in gescheurd beton en men bovendien het vloeranker goed gemonteerd had.

2. Het ongeval had vrijwel zeker voorkomen kunnen worden als het plaatsen van de wand met de hijskraan had plaatsgevonden volgens de gangbare veilige werkwijze. De wand positioneren met een deel van het gewicht nog in de kraan, daarna het volledige gewicht op de ondersteuning (de stelplaten) laten rusten met de hijskettingen nog aangeslagen en bijna strak, waarbij de wand als deze niet geheel in het lood komt te staan (bijvoorbeeld door vervorming van de excentrisch gepositioneerde stelplaten) met de schoren te lood gesteld wordt. Correct gekozen/berekende ankers die goed gemonteerd zijn, zouden (voorzienbare) afwijkingen kunnen opvangen.

Het noodlottige ongeval heeft derhalve kunnen plaatsvinden door een opeenstapeling van fouten, vergissingen en onachtzaamheden. Nog daargelaten de rol van anderen, -de rechtbank verwijst in dit verband naar de opmerkingen daarover gemaakt door de Officier van Justitie- is de rechtbank van oordeel dat is vast komen te staan dat door de verdachte rechtspersoon essentiële fouten zijn gemaakt, waardoor zij niet heeft voldaan aan de algemene zorgplicht ex artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank dan ook het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon

op 25 februari 2008 te Woerden, als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, handelingen heeft verricht of heeft nagelaten in strijd met voornoemde wet of de daarop berustende bepalingen, aangezien zij toen en aldaar door haar werknemers arbeid deed verrichten als bedoeld in artikel 1, lid 3, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 aan een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1, lid 3, onder h, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, bestaande die arbeid uit het plaatsen van prefab- wanden, terwijl

- zij, in strijd met artikel 8, lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet haar betrokken werknemers onvoldoende voorlichting en instructie heeft gegeven over de aard en de risico’s van de uit te voeren werkzaamheden door onvoldoende aanwijzingen gegeven te hebben over de werkwijze van het te lood stellen van de gebruikte prefab-wanden en de wijze waarop de gebruikte schoren bevestigd dienden te worden en over het te gebruiken gereedschap bij het bevestigen van de gebruikte ankers, en

- zij, in strijd met artikel 3.3, lid 2 van het arbeidsomstandighedenbesluit een arbeidsplaats, te weten de plaats waar prefab-wanden stonden opgesteld met twee schoren, zodanig had ingericht dat de daar aanwezige voorwerpen gevaar voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers konden opleveren door omvallen, en

- zij, in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bij de hiervoor genoemde werkzaamheden het gevaar te worden getroffen en geraakt door voorwerpen en het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen niet had voorkomen en indien dat niet mogelijk was, zoveel mogelijk had beperkt door onjuiste/verkeerde ankers te laten gebruiken en deze ankers verkeerd te laten plaatsen en door onjuist/verkeerd gereedschap ter beschikking te stellen en door de gebruikte schoren niet te laten plaatsen volgens het instructieboek en door niet te laten berekenen of de schoren de druk- en/of trekkrachten konden dragen waaraan zijn bloot stonden, en

- zij, in strijd met artikel 3.31, lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit met gevaar voor de werknemers schoren heeft geplaatst die niet de krachten konden dragen waaraan zij blootstonden, en

- zij, in strijd met artikel 7.3, lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit op de arbeidsplaats arbeidsmiddelen ter beschikking van werknemers heeft gesteld die niet uitsluitend waren gebruikt voor het doel en op de wijze waarvoor zij zijn bestemd door onjuiste/verkeerde ankers te laten gebruiken en deze ankers verkeerd te laten plaatsen en onjuist/verkeerd gereedschap ter beschikking te stellen en door de gebruikte schoren niet te laten plaatsen volgens het instructieboek en

- zij, in strijd met artikel 7.3, lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit geen zodanige maatregelen heeft getroffen dat de gevaren tijdens het plaatsen van een prefab wand zoveel mogelijk werden beperkt door na te laten te bepalen of de juiste ankers werden gebruikt op de juiste wijze en door na te laten te controleren of de werknemers voldoende geïnstrueerd waren om de schoren en de ankers te plaatsen volgens de instructies van de leverancier, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van voornoemde werknemers ontstond of te verwachten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte rechtspersoon zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 32, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De verdachte rechtspersoon is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte rechtspersoon op te leggen een geldboete van € 10.000,00.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de (bedrijfseconomische) omstandigheden van de verdachte rechtspersoon.

De verdachte rechtspersoon heeft door haar nalatigheid een onveilige arbeidsplaats laten ontstaan op de wijze als in de bewezenverklaring is omschreven. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte rechtspersoon aldus is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van de door haar ingeleende arbeidskrachten bij het uitvoeren van de hun opgedragen werkzaamheden. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het noodlottige ongeval, waarbij het slachtoffer om het leven is gekomen. De verdachte rechtspersoon had de verplichting om de omstandigheden op de bouwplaats zo veilig mogelijk te maken. Ook ingeleende arbeidskrachten moeten er – naast hun eigen verantwoordelijkheid op het gebied van veiligheid - op kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen zijn genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met de arbeid te waarborgen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte rechtspersoon blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 14 december 2009 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegend wordt de na te noemen geldboete passend en geboden geacht.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 8 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 3.3, 3.17, 3.31 en 7.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt de verdachte rechtspersoon vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 32, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon

- verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte rechtspersoon tot betaling van een geldboete van € 10.000,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en

mr. J. Schukking, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 december 2009.