Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8010

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-12-2009
Datum publicatie
31-12-2009
Zaaknummer
267771 / HA ZA 09-1198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontzetting uit lidmaatschap van moskeevereniging.

Het bestuur van de vereniging heeft besloten tot ontzetting. In het beroep bij de algemene ledenvergadering is dat besluit bekrachtigd. De eventuele vernietiging van besluit heeft tot gevolg dat beide besluiten zijn vernietigd, zodat het lidmaatschap herleeft.

Het toetsingskader bij het beroep op vernietiging wordt bepaald door artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW en 2:8 lid 1 BW. Marginale toetsing door de rechtbank. Het beroep op vernietiging faalt. Vorderingen afgewezen.

Artt. 2:35, 2:15 en 2:8 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 15
Burgerlijk Wetboek Boek 2 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 277
JIN 2010/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 267771 / HA ZA 09-1198

Vonnis van 30 december 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procesadvocaat mr. M. van den Brink,

advocaat mr. J. van Ravenhorst,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

MASJID EL FATH,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. G.A. Schoonderbeek.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Moskeevereniging genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 augustus 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 12 november 2009 waaraan is gehecht een akte vermeerdering van eis van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In een brief van 21 februari 2005 heeft de Moskeevereniging aan [eiser] onder meer geschreven:

“Betreft: Royement lidmaatschap en alle rechten die daaraan ontleend kunnen worden.

(…)

Op grond van ons intern reglement en de statuten van onze moskeevereniging die u grof geschonden heeft, royeren wij u per direct als lid. (…)

Korte historie:

Via verschillende leden hebben wij vernomen dat u, vanaf het moment dat u lid geworden bent april 2004 tot en met heden u zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan intimidatie en bedreigingen om uw wil aan de moskeevereniging op te leggen. Tot voor kort hadden wij hier onvoldoende bewijzen voor (…).

Bespreking 20 februari 2005:

Doordat het klimaat rondom u niet helder werd en dit de sfeer binnen de moskee niet ten goede kwam hebben wij u uitgenodigd voor een gesprek met het bestuur. (…) Het uitgangspunt op de vergadering zo deelden wij u mee was de orde herstellen binnen onze moskee. Hiervoor hebben wij u ter verduidelijking in het bijzonder nogmaals een aantal regels medegedeeld uit ons interne reglement en statuten met het verzoek u zich daaraan te houden.

Uit uw uitingen verbaal en non verbaal bleek dat u niet voornemens was zich aan de regels te houden. (…) U viel in herhaling en begon agressief te doen. In het bijzijn van alle aanwezigen dreigde u o.a. nadat u ging staan alles en iedereen te zullen bestrijden totdat u uw zin zou krijgen desnoods tot aan de dood. Daaraan voegde u toe dat u in de vereniging ruzie en chaos zou creëren. Met veel kabaal en gebaren verliet u de bestuurskamer,

Persoonlijke bedreigingen:

Dezelfde avond riep u op de binnenplaats van onze moskee dat u het bestuur één voor één zult uitroeien/ vermoorden dit gold ook voor de Imam.

Wat een verhelderend gesprek had moeten worden heeft u laten uitlopen op een uiterst trieste afloop.”

2.2. In het intern reglement van de Moskeevereniging is onder meer opgenomen:

“Verder dient éénieder zich uiteraard te houden aan de statuten en het intern reglement van de moskeevereniging El Fath (bekrachtigd door de leden tijdens de algemene ledenvergadering). Daarnaast is het Nederlands recht (wettelijke bepalingen) van toepassing. Dit houdt o.a. in dat bedreiging, geweldpleging, intimidatie, agressief gedrag, geweldpleging, smaad en anderszins strafbare feiten verboden zijn.”

2.3. [eiser] heeft de Moskeevereniging verzocht een algemene ledenvergadering uit te roepen waarop zijn beroep tegen het besluit van het bestuur tot zijn royement zou kunnen worden behandeld. De Moskeevereniging heeft dit geweigerd. [eiser] heeft zijn verzoek in kort geding herhaald en [eiser] is bij vonnis van 18 juni 2008 in het gelijk gesteld.

2.4. De Moskeevereniging heeft op 5 juli 2008 de algemene ledenvergadering gehouden waartoe zij ingevolgde het vonnis in kort geding verplicht was. In de uitnodigingsbrief schreef de Moskeevereniging aan haar leden:

“Geachte leden,

In een korte toelichting zullen wij u hieronder informeren over de redenen die tot ontzetting vanuit het lidmaatschap van [eiser] hebben geleid. (...)

Dhr. [eiser] staat bekend als een gewelddadige en intimiderende persoon

Hij heeft in meerdere moskeeën problemen veroorzaakt, zo hebben moskeeën in respectievelijk Soest, Tilburg en Zwolle dit aan het bestuur bevestigt. Recentelijk heeft hij ook op de Islamitische basisschool [naam] grote problemen veroorzaakt.

Aanval op onze imam

[eiser] heeft de imam zowel schriftelijk als over de telefoon geïntimideerd en bedreigd. (…)

Bedreiging van islamitische gastsprekers

Er hebben meerdere door de moskeevereniging uitgenodigde gastsprekers afgezegd voor een bezoek, omdat ze werden bedreigd door dhr. [eiser] (...)

Doodsbedreigingen tegen het bestuur

(...) heeft de moskeevereniging dhr. [eiser] uitgenodigd voor een gesprek. (…) Dhr. [eiser] viel in herhaling en begon agressief te doen. In het bijzijn van alle aanwezigen dreigde hij o.a. nadat hij ging staan alles en iedereen te zullen bestrijden totdat hij zijn zin zou krijgen, desnoods tot aan de dood. Daaraan voegde dhr. [eiser] toe dat hij in de vereniging ruzie en chaos zou creëren. Met veel kabaal en gebaren verliet dhr. [eiser] de bestuurskamer. Dezelfde avond riep dhr. [eiser] in de moskee dat hij het bestuur één voor één zal uitroeien/vermoorden.

Doodsbedreigingen tegen leden van de moskee

Tevens heeft dhr. [eiser] verschillende leden bedreigd, nadat deze hem op zijn gedrag hebben aangesproken. Al deze leden zijn bereid om dit onder ede te verklaren.

Aangifte

Hij heeft de moskeevereniging en haar bestuur aangeklaagd d.m.v. een aangifte bij de politie. De politie heeft ons o.a. ondervraagd m.b.t. terrorisme en extremisme. De aanklacht heeft hij tijdens de bouwvergunning aanvraag gedaan zodat deze niet verleend zou worden. (...)

Afwijzen van pogingen tot verzoening van de Moskeevereniging

Op 7 maart is op verzoek van de commissie van verzoening een brief door het bestuur gestuurd naar dhr. [eiser] dat hij de moskee weer mag bezoeken. Hier heeft hij op gereageerd dat hij zich niet aan de interne regels en statuten van de moskee zal houden. Ook heeft hij aangegeven dat hij de commissie van verzoening niet erkent dan wel accepteert. (...)

Het zwart maken van de moskee en haar leden via de pers

Hij heeft in de krant van woensdag 25 juni 2008 jl. veel onwaarheden verteld over de moskee.”

2.5. Van de algemene ledenvergadering van 5 juli 2008 is een proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is onder meer opgenomen:

“Door de leden zijn uitgebracht ten aanzien van de ontzetting van de heer [eiser]: (…) 378 geldige stemmen. Voor het besluit tot ontzetting zijn uitgebracht: (…) 324 stemmen. Tegen het besluit van het bestuur tot ontzetting zijn uitgebracht: (…) 54 stemmen.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert na vermeerdering van eis, zakelijk weergegeven, vernietiging van het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van de Moskeevereniging en herstel in al zijn rechten als lid, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Moskeevereniging in de proceskosten.

3.2. De Moskeevereniging voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] vordert primair de vernietiging van het besluit van de algemene ledenvergadering van 5 juli 2008 (zie 2.5.) en subsidiair mede vernietiging van het bestuursbesluit van 21 februari 2005 (zie 2.1.).

4.2. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat in het algemeen de werking van een bestuursbesluit tot ontzetting - de wettelijke term voor royement - wordt opgeschort door het beroep bij de algemene ledenvergadering. De algemene ledenvergadering kan de ontzetting bekrachtigen. Slechts de rechter kan het besluit vervolgens vernietigen. Een vernietiging heeft tot gevolg dat daarmee zowel het besluit van de algemene ledenvergadering als dat van het bestuur is vernietigd, zodat een lidmaatschap in dat geval herleeft.

4.3. Bij de beoordeling of het besluit in dit geval kan worden vernietigd, wordt getoetst aan artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Het kan worden vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. Volgens artikel 2:8 lid 1 BW moeten een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Wanneer deze artikelen worden ingevuld voor het onderhavige geschil geven zij als toetsingskader de vraag of de algemene ledenvergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen, waaronder ook die van [eiser], in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit tot bekrachtiging van de ontzetting heeft kunnen komen.

4.4. De woorden “als zodanig” in artikel 2:8 lid 1 BW brengen met zich dat het antwoord op de vraag of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen niet los kan worden gezien van de tussen de leden bestaande relatie. Dit betekent dat door die (bijzondere) relatie de door de vereniging bij haar belangenafweging in acht te nemen redelijkheid en billijkheid een andere invulling kan krijgen dan de redelijkheid en billijkheid die willekeurige partijen jegens elkaar in acht dienen te nemen.

4.5. De redelijkheid en billijkheid in de relatie tussen vereniging en lid wordt mede vorm gegeven door het feit dat het lidmaatschap van een vereniging met zich kan brengen dat een minderheid van de leden, of een individueel lid, van die vereniging zich geconfronteerd ziet met een hem onwelgevallig besluit. Die mogelijke confrontatie is inherent aan het democratische karakter van de vereniging. Dat karakter brengt bovendien mee dat genoemde minderheid zich in beginsel, ook al is hij het er niet mee eens, heeft te voegen naar het besluit. Het enkele feit dat de algemene ledenvergadering voorbij gaat aan de wens van die minderheid betekent dan ook niet dat het besluit tot stand is gekomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.6. Verder kunnen deze redelijkheid en billijkheid niet los worden gezien van de (voorzienbare) gevolgen van het besluit: de door de vereniging te maken belangenafweging bij een besluit dat voor alle leden van de vereniging in (ongeveer) dezelfde mate positieve of negatieve gevolgen heeft is een andere dan de afweging die bij een besluit waarvan de negatieve gevolgen slechts een beperkte, zich tegen het besluit verzettende groep raken, of maar één lid, zoals in het onderhavige geval.

4.7. Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd dat het besluit is genomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Die stelling treft geen doel. Van de ontzetting bij het bestuursbesluit is [eiser] spoedig en schriftelijk in kennis gesteld, dat staat niet ter discussie. Nu sprake is van een beroepsmogelijkheid binnen de vereniging, is het beginsel van hoor en wederhoor voldoende ingevuld doordat [eiser] vervolgens bij de behandeling van dat beroep op genoegzame wijze zijn verweer daartegen naar voren kan brengen. Dat [eiser] daarvoor de gelegenheid heeft gekregen en deze bovendien ook heeft benut, is niet in geschil.

4.8. [eiser] betoogt voorts dat het bestuur aan de algemene ledenvergadering meer feiten heeft voorgelegd dan de twee gronden die het bestuur destijds aan haar eigen besluit ten grondslag heeft gelegd. Zoals hierna nader uiteen zal worden gezet, leidt dat er niet toe dat de algemene ledenvergadering niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.

4.9. [eiser] voert ook aan dat de inhoud van het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

4.10. Overwogen wordt dat zowel aan het bestuursbesluit als aan de bekrachtiging van het bestuursbesluit door de algemene ledenvergadering - in hoofdlijnen - ten grondslag ligt dat sprake zou zijn van bedreiging en intimidatie van bestuursleden en andere verenigingsleden door [eiser]. [eiser] heeft niet betwist dat bij bedreiging en intimidatie sprake is van handelen in strijd met het reglement. Het handelen in strijd met (de statuten en) reglementen is op grond van de wet een reden voor ontzetting uit het lidmaatschap. [eiser] betwist echter bedreigend en intimiderend te hebben opgetreden.

4.11. Partijen hebben over de gestelde bedreigingen en intimidatie door [eiser] een groot aantal verklaringen in het geding gebracht. Een zeer substantieel deel van de verklaringen strekt in eerste instantie ten voordele van de ene partij, waarna er een verklaring van de andere partij is overgelegd waarin de eerdere verklaring wordt herroepen, omdat - zo wordt gesteld - de eerdere verklaring onder druk is afgelegd. Vervolgens zijn verklaringen in het geding gebracht waarin de intrekking weer wordt ingetrokken. Tot slot zijn van één verklaring twee - zo wordt gesteld - officiële vertalingen in het geding gebracht die elk een andere duiding geven aan het verklaarde, de ene verklaring in het voordeel van de ene partij de andere ten voordele van de andere partij. Gelet op dit een en ander is het voor de rechtbank niet aanstonds duidelijk welke verklaringen op waarheid berusten en welke niet. Wel blijkt er duidelijk uit dat sprake is van ernstig verslechterde verhoudingen tussen partijen waarbij over en weer sprake is van voortdurende forse beschuldigingen die aan beide zijden worden ondersteund door verklaringen, uitdrukkelijk daargelaten wat de waarde van die verklaringen is. Vanwege de marginale toets die de rechtbank dient toe te passen, ligt het niet op haar weg om, bijvoorbeeld, alle verenigingsleden als getuigen te horen en zich een oordeel te vormen over de juistheid van alle beschuldigingen.

4.12. Het feit dat het besluit van de algemene ledenvergadering marginaal moet worden getoetst brengt mee dat uitsluitend moet worden beoordeeld of dit orgaan van de vereniging er in redelijk heeft toe kunnen komen om het besluit van het bestuur tot ontzetting van [eiser] uit zijn lidmaatschap te bekrachtigen, gelijk hiervoor onder 4.3. al is overwogen. In het kader van deze beoordeling zijn de navolgende omstandigheden van belang. De taak van het bestuur van een vereniging is mede om de orde en rust binnen die vereniging te handhaven, en indien verstoord, te herstellen. Dit heeft er in de onderhavige zaak toe geleid dat het bestuur van de Moskeevereniging het nodig vond om [eiser] uit zijn lidmaatschap te ontzetten, waarbij als kernargument is genoemd dat [eiser] bedreigingen heeft geuit en intimiderend is opgetreden. De specifiek genoemde redenen die door het bestuur voorafgaand aan de algemene ledenvergadering zijn gegeven ter onderbouwing van dit besluit (zie 2.4.) zijn met dit algemene verwijt in overeenstemming. Dat het besluit tot ontzetting voor [eiser] onwelgevallig is, brengt niet zonder meer mee dat dit besluit moet worden vernietigd (zie 4.5.). Redengevend hiervoor is onder meer dat naast het bestuur ook de (andere) leden van de Moskeevereniging in het algemeen een klimaat nastreven waarbinnen zij in orde en rust uitvoering aan hun geloofsovertuiging kunnen geven. De algemene ledenvergadering heeft tijdens de vergadering van 5 juli 2008 geoordeeld dat met de aanwezigheid van [eiser] als lid deze orde en rust niet is gewaarborgd. De stemverhouding toen, 324 stemmen voor ontzetting en 54 tegen, ondersteunt deze gevolgtrekking. Met andere woorden: het overgrote deel van de leden van de Moskeevereniging heeft in het handelen van [eiser] aanleiding gezien om het eerder door het bestuur genomen besluit tot ontzetting te bekrachtigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit op democratische wijze genomen besluit in strijd te achten met de redelijkheid en billijkheid. Dit oordeel zou anders luiden, indien het individuele belang van [eiser] zich tegen het algemeen verwoorde belang van de Moskeevereniging zou verzetten. Hoewel de ontzetting uit het lidmaatschap ontegenzeggelijk een zware maatregel is, is hiervan geen sprake. Hiervoor geldt in zijn algemeenheid dat het karakter van een vereniging tot gevolg heeft dat het individuele belang van één lid niet snel prevaleert boven een daarmee strijdig belang van de vereniging en haar andere leden, althans het merendeel daarvan (zie 4.5.). Meer specifiek wordt acht geslagen op het feit dat niet gesteld of gebleken is dat de ontzetting het voor [eiser] onmogelijk maakt zijn geloof (eventueel binnen een andere moskeevereniging) te belijden. Samenvattend is dan ook de conclusie (marginaal toetsend) dat het door de algemene ledenvergadering bekrachtigde besluit tot ontzetting van [eiser] niet in strijd is met de door de Moskeevereniging en haar organen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid.

4.13. Gelet op het voorgaande zal de primaire vordering van [eiser] tot vernietiging van het besluit van de algemene ledenvergadering worden afgewezen. Daaruit vloeit voort dat de subsidiaire vordering tot vernietiging van het besluit van het bestuur evenmin voor toewijzing in aanmerking komt en dat ook de vordering om in alle rechten als lid te worden hersteld zal worden afgewezen.

4.14. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Moskeevereniging worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 262,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Moskeevereniging tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2009.?

F.v.G.