Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7659

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
24-12-2009
Zaaknummer
Schering-Plough B.V., gevestigd te Utrecht
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK. Wob.2.7 De rechtbank is van oordeel dat verweerster openbaarmaking van de weggelaten gedeelten mocht weigeren en dat verweerster daaraan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ten grondslag heeft mogen leggen. Ongegrond

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Wet openbaarheid van bestuur 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2010/21 met annotatie van Versteeg

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 07/1871

uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 2 oktober 2009

op het beroep van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

tegen het besluit van

de Commissie Farmaceutische Hulp (CFH),

verweerster.

Inleiding

1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 5 juni 2007, waarbij verweerster het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 30 augustus 2006 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerster eiseres meegedeeld gedeeltelijk te voldoen aan het verzoek van eiseres tot openbaarmaking van vergaderstukken en notulen van de vergaderingen van de CFH in de periode van maart 2006 tot juni 2006, voor zover betrekking hebbend op Noxafil alsmede van notities of memoranda van het secretariaat, inclusief de geneesmiddelenbeoordelaars werkzaam ten behoeve van de CFH, of de leden van de CFH, voor zover deze betrekking hebben op Noxafil.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 8 augustus 2008, waar eiseres is verschenen bij mr. J.R.A. Schoonderbeek en mr. H.J. van den Bos, advocaten te Amsterdam. Namens verweerster zijn verschenen drs. F. de Groot, plaatsvervangend secretaris, en mr. M. van Dijen, juridisch medewerker.

1.3 Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep verwezen naar de meervoudige kamer. Op 21 april 2009 heeft een nadere zitting plaatsgevonden, waarbij eiseres is verschenen bij mr. J.R.A. Schoonderbeek en mr. P.M. Waszink, advocaten te Amsterdam. Namens verweerster zijn verschenen dr. M. van der Graaff, secretaris, en mr. M. van Dijen, voornoemd.

Feiten

2.1 Eiseres heeft bij brief van 17 juli 2006 een verzoek als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij verweerster ingediend tot het openbaar maken van de onder rechtsoverweging 1.1. genoemde stukken.

2.2 Verweerster is bij het besluit van 30 augustus 2006 gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het verzoek van eiseres door de gevraagde documenten, deels met weglatingen, openbaar te

maken.

2.3 Eiseres heeft de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte passages.

Beoordeling van het geschil

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat de CFH een bestuursorgaan is in de zin van artikel

1, onder i, van de Wob. De rechtbank heeft geen aanleiding om daar anders over te oordelen.

2.5 Verweerster heeft verslagen van haar vergaderingen van 24 april 2006, 22 mei 2006 en 26 juni 2006 alsmede, voor zover in deze procedure van belang, een notitie van 20 juni 2006 van het secretariaat aan de CFH en een checklist “compleetheid proefdossier” ten dele openbaar gemaakt en ten dele geweigerd. Die weigering is gebaseerd op de artikelen 10, tweede lid, onder g, en 11, eerste en tweede lid, van de Wob. Gelet op hetgeen in het bestreden besluit is overwogen en mede gelet op hetgeen ter zitting van 8 augustus 2008 door verweerster nader is toegelicht, heeft verweerster aan de weglatingen beide weigeringsgronden ten grondslag gelegd.

2.6 Verweerster heeft gemotiveerd uiteengezet waarom persoonlijke beleidsopvattingen in de notitie van 20 juni 2006 en de checklist van 27 februari 2006 niet openbaar zijn gemaakt. Daarbij heeft verweerster gesteld dat het gaat over ambtelijke notities met persoonlijke opvattingen ten behoeve van de CFH-leden. De CFH gebruikt deze stukken om een goede discussie te kunnen voeren en het door de fabrikant aangeleverde dossier op compleetheid te controleren, alvorens er een concept-rapport of een definitief rapport aan de fabrikant kan worden toegezonden. De concept-rapporten en rapporten van de CFH, waarop de besluitvorming van de minister is gestoeld, zijn wel openbaar en zijn ook in dit geval nog tijdens de CFH-procedure aan eiseres toegezonden. Hierdoor heeft eiseres volledig inzage gekregen in de overwegingen, aldus verweerster. Over de notulen heeft verweerster betoogd dat het besloten kunnen vergaderen een belang is dat onevenredige bevoordeling of benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden voorkomt. Het belang van vertrouwelijk vergaderen is volgens verweerster een belang dat onder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob valt en in dit geval zwaarder moet wegen dan het belang gemoeid met openbaarheid van de desbetreffende stukken. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerster openbaarmaking van de notulen niet mocht weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob en dat verweerster persoonlijke beleidsopvattingen in de stukken voor intern beraad niet zonder meer heeft mogen weglaten.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat verweerster openbaarmaking van de weggelaten gedeelten mocht weigeren en dat verweerster daaraan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ten grondslag heeft mogen leggen. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet (eveneens) achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. De rechtbank is van oordeel dat verweerster terecht het belang van de leden van de commissie en van de commissie zelf om vrijelijk te vergaderen als een te respecteren belang heeft aangemerkt. Het vrijelijk kunnen vergaderen komt de kwaliteit van de advisering door de commissie ten goede. Verweerster heeft zich er in dat kader ook op mogen beroepen dat openbaarmaking een negatief effect zal hebben op een adequate advisering over de opname van geneesmiddelen in het Geneesmiddelen Vergoedingen Systeem, een betaalbaar basispakket onder de zorgverzekering en de financiële omvang daarvan. De rechtbank betrekt daarbij dat, gelet op het feit dat diverse specialismen in de vergadering slechts met één of enkele personen zijn vertegenwoordigd, verweerster zich er terecht op heeft beroepen dat openbaarmaking een negatief effect zal hebben op de mogelijkheid om nieuwe commissieleden aan zich te kunnen binden. Verweerster heeft de genoemde belangen zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarheid. Dat wordt niet anders doordat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) volgens eiseres vergaderstukken wel openbaar maakt. De rechtbank acht in dat verband van belang dat artikel 126 ter van EG-Richtlijn 2001/83 in dit geval niet van toepassing is. Ook gelet op de taak en werkzaamheden van verweerster, te weten advisering over het basispakket onder de zorgverzekering, in vergelijking met de aan het CBG opgedragen taak en werkzaamheden, beoordeling van geneesmiddelen ter bescherming van de menselijke gezondheid en veiligheid, de van toepassing zijnde regelgeving zoals in het bestreden besluit vermeld, en voorts gelet op de meer nationale setting waarbinnen advisering door verweerster plaatsvindt, vergeleken met de, meer internationale, setting waarin de beoordeling door het CBG plaatsvindt, gaat de door eiseres gemaakte vergelijking naar het oordeel van de rechtbank mank. Indien al juist zou zijn de stelling van eiseres dat andere organen royaler zijn in het openbaar maken, betekent dat niet dat verweerster om die reden gehouden zou zijn de gevraagde stukken openbaar te maken.

2.8 Over het weglaten van namen van de aanwezigen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verweerster, gelet op het feit dat openbaarmaking van de namen van de leden ertoe zal leiden dat de inbreng van een individueel lid tot de betreffende persoon zal kunnen worden herleid, openbaarmaking van deze namen, waaronder ook de aan en afwezigheid van de leden van de commissie, heeft mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob.

2.9 Ook hetgeen is weggelaten in de checklist compleetheid proefdossier en de notitie van 20 juni 2006 van het secretariaat aan de CFH mocht verweerster geheim houden. Ook deze weglatingen zijn in het belang van het vertrouwelijk kunnen vergaderen. Daaraan doet niet af dat de weggelaten passages de voorbereiding van vergaderingen betreffen. Hetgeen over het belang van het vertrouwelijk kunnen vergaderen in overweging 2.5. is overwogen, geldt dus ook voor deze weglatingen.

2.10 Omdat openbaarmaking van de stukken reeds op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geweigerd mocht worden komt de rechtbank niet toe aan toetsing van het bestreden besluit aan artikel 11, van de Wob.

2.11 Ook hetgeen verder door eiseres is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. ter Brugge als voorzitter en mr. B.J. van Ettekoven en

mr. D.A. Verburg als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2009.

De griffier: De rechter:

mr. P. Ruitenberg mr. M. ter Brugge

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Let wel: De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerster een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.