Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7580

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
16-711816-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit voor onder andere medeplegen van afpersing en medeplegen van iemand opzettelijk wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711816-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats]

gedetineerd in PI Utrecht – Huis van Bewaring locatie Wolvenplein, Utrecht

raadsvrouw mr. F.A. ten Berge, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 14 april 2009 en 28 mei 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander met geweld en bedreiging met geweld iemand heeft gedwongen tot afgifte van een bankpas en pincode;

Feit 2: samen met een ander iemand van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden;

Feit 3: samen met een ander een diefstal heeft gepleegd.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten behoort te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangever ongeloofwaardig en niet betrouwbaar is. De verklaring van aangever wordt niet onderbouwd door ander bewijs. Nu deze verklaring het enige bewijs is en op grond van het bovenstaande dient te worden uitgesloten van het bewijs, zal vrijspraak moeten volgen.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op volgende bewijsmiddelen.

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsmiddelen voorkomen, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm ambtsedig opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0940/08-016152 tot en met PL0940/08-016152G.

Aanleiding van de zaak is een zakelijk geschil tussen aangever en verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij door dit geschil met aangever in de financiële problemen zat en dat hij het opgelost wilde zien. Op de avond van 6 oktober 2009 zijn verdachten naar aangever in Amersfoort gegaan om dit geschil te beslechten.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 oktober 2008 betrokken was bij de ontmoeting met aangever in Amersfoort en de daarop tot in de vroege ochtend van 7 oktober 2008 volgende autoritten met aangever door Nederland naar onder andere Velp en Arnhem. De historische printgegevens van de mobiele telefoons van aangever en verdachten bevestigen de verklaring van de aangever over de route die zij hebben gereden.

Op hoofdlijnen komen de verklaringen van aangever en de verdachten overeen, echter met betrekking tot details verschillen de lezingen van aangever aan de ene kant en de verdachten aan de andere kant. De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat de verklaringen van aangever niet op alle punten geloofwaardig zijn. Dat brengt echter niet met zich dat de verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, maar dat deze met meer dan normale behoedzaamheid gehanteerd moeten worden. De rechtbank zal slechts gebruik maken van zijn verklaringen, voor zover deze door andere bewijsmiddelen worden ondersteund.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard dat aangever vrijwillig met hen is meegegaan vanaf de woning van aangever in Amersfoort. De rechtbank acht dit echter ongeloofwaardig. Verdachte en zijn mededader hebben verklaard dat aangever met hen zou zijn meegegaan met hen om facturen (in het kader van het zakelijke geschil) te bekijken, die bij verdachte thuis in Velp lagen. De rechtbank vraagt zich af waarom verdachten de facturen niet meteen hebben meegenomen naar de woning van aangever in Amersfoort. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachten en aangever die avond daadwerkelijk de facturen in de woning van verdachte zijn gaan bekijken, hoewel zij wel korte tijd in de woning van verdachte in Velp zijn geweest. Verder heeft verdachte verklaard dat aangever heeft geroepen dat hij niet meewilde. Ook medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat aangever riep dat hij niet met hen mee wilde en dat hij om de politie heeft geroepen. Voorts heeft hij verklaard dat aangever bang was, om hulp schreeuwde en dat hij bang was dat hij zou worden vermoord. Voorts past het letsel van aangever niet bij de verklaring van verdachten, maar ondersteunt het de verklaring van aangever dat hij onder dwang en met geweld is meegenomen. Dat een vuurwapen is gebruikt volgt echter enkel uit de verklaring van aangever en wordt niet ondersteund door enig ander bewijs. Het standpunt van de officier van justitie dat steunbewijs kan worden gevonden in het tapgesprek waarin verdachte aangeeft dat zijn huis brandschoon is en zij alles hebben laten verdwijnen, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De verklaringen van aangever en verdachten komen overeen waar het gaat om het feit dat aangever de sleutel van de bus naar buiten heeft gegooid. Gezien de moeite die aangever derhalve heeft genomen om te zorgen dat ze met deze bus niet verder konden rijden, acht de rechtbank de verklaring van verdachten dat aangever vervolgens de sleutel van de andere bus, die nog voor zijn woning stond en waarmee de autorit is voortgezet, vrijwillig heeft afgegeven volstrekt ongeloofwaardig.

Op de foto’s in het dossier zijn verder striemen in de nek van aangever te zien . Dit ondersteunt de verklaring van aangever dat hij een autogordel om zijn nek gedraaid kreeg. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij gezien heeft dat de autogordel om de nek van aangever zat gebonden.

Ook de tapgesprekken ziet de rechtbank als ondersteuning van de verklaring van aangever. Verdachte heeft in de telefoongesprekken gezegd dat: “hij hem onderweg heeft geslagen en dat hij hem van huis heeft meegenomen”. Verdachte is ter zitting met deze tapgesprekken geconfronteerd. Zijn reactie was enkel dat hij het niet zo bedoeld had. De rechtbank is van oordeel dat verdachte in voormeld telefoongesprek kennelijk heeft bedoeld te zeggen dat hij aangever tegen diens wil vanaf zijn woning in Amersfoort heeft meegenomen en dat hij en/of zijn medeverdachte aangever onderweg heeft geslagen.

Ten slotte heeft de rechtbank het volgende nog meegewogen in haar oordeel dat aangever niet vrijwillig met verdachten is meegegaan. Verdachten hebben tot twee keer toe van auto gewisseld en zij hebben de bus in een zodanige toestand achtergelaten naast de vluchtstrook van de snelweg dat de politie bij het aantreffen van die situatie direct uitging van een misdrijf. Voorts wilden verdachte en zijn mededader kennelijk koste wat het kost de politie ontlopen (en hebben om die reden de woning van verdachte in Velp korte tijd na aankomst daar weer verlaten). Daarnaast moest aangever van verdachte zijn capuchon over zijn hoofd houden tijdens de autorit, zodat hij niet kon zien waar zij heen gingen. Ook de plaats van de inzittenden in de verschillende bussen/auto geeft naar het oordeel van de rechtbank aan dat er van vrijwilligheid aan de kant van aangever geen sprake was. Aangever zat daar of tussen verdachten in of naast een van de verdachten, maar nooit naast een deur.

Mede gezien de hierboven gegeven omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat aangever evenmin vrijwillig de pinpas en de pincode aan verdachten heeft afgegeven. Gelet op de verklaring van verdachte dat aangever hem vrijwillig zijn bankpas en pincode gaf, vraagt de rechtbank zich af waarom verdachte de overboeking dan alleen ging doen als het toch vrijwillig was. Het had haar logischer geleken wanneer aangever dit zelf had gedaan en was meegegaan met verdachte. Verdachte heeft hier ter zitting geen verklaring voor kunnen geven. Verdachte heeft ten slotte op 7 oktober 2008 omstreeks 03:00 uur bedragen van

€ 10.000,00, € 1.000,00 en € 10,00 van de rekening van aangever naar zijn eigen rekening overgeboekt. In het dossier zitten bankafschriften waaruit deze overboekingen blijken.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

omstreeks 6 oktober 2008 te Amersfoort en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld, [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas en een (bijbehorende) pincode, toebehorende aan [benadeelde 1], welk geweld en welke bedreiging hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader,

- die [benadeelde 1] heeft geslagen en vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] (aldus) heeft gedwongen in te stappen in een auto en/of

- een autogordel om de keel/hals van die [benadeelde 1] heeft gedraaid/gedrukt/gehouden en/of

- die [benadeelde 1] heeft meegenomen naar een (flat)woning en/of

- die [benadeelde 1] de woorden heeft toegevoegd: “Als de politie hierbij komt, schiet ik je dood”, en

- (aldus) een zeer bedreigende sfeer/situatie heeft/hebben gecreëerd;

2.

omstreeks 6 oktober 2008 te Amersfoort en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers, heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader, opzettelijk wederrechtelijk

- die [benadeelde 1] geslagen en vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] (aldus) gedwongen in te stappen in een auto en/of

- een autogordel om de keel/hals van die [benadeelde 1] gedraaid/gedrukt/gehouden en/of

- die [benadeelde 1] (in een andere auto/bestelbus) meegenomen naar een (flat)woning en/of

- die [benadeelde 1] de woorden toegevoegd: “Als de politie hierbij komt, schiet ik je dood”, en (aldus) een zeer bedreigende sfeer/situatie heeft/hebben gecreëerd;

3.

omstreeks 6 oktober 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 11.010,00 euro, waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een bankpas en de daarbij behorende pincode, welke onrechtmatig (door geweld en bedreiging met geweld jegens deze [benadeelde 1]) waren verkregen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Medeplegen van afpersing;

Feit 2: Medeplegen van iemand opzettelijk wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

Feit 3: Medeplegen van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit door aangever van zijn vrijheid te beroven en vervolgens een paar uur van zijn vrijheid beroofd te houden. De ernst van het feit wordt versterkt door de omstandigheden dat de verdachte dit samen met zijn mededader heeft gedaan en dat hierbij geweld is gebruikt en dat er sprake was van bedreiging met geweld. Verdachte heeft daarnaast samen met zijn mededader aangever door geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot afgifte van zijn pinpas en pincode, waarmee een geldbedrag ad € 11.010,00 van aangever is gestolen. Door deze strafbare feiten zijn gevoelens van angst en onveiligheid voor het slachtoffer ontstaan. Het kan niet anders dan dat het gedrag van verdachte het slachtoffer psychische schade heeft toegebracht, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van [benadeelde 1].

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

6 maart 2009.

- het advies van een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte d.d. 6 april 2009 van Reclassering Nederland.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk passend en geboden is. Het voorwaardelijke gedeelte kan dienen als een “stok achter de deur” ten einde verdachte in te prenten zich ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de houding van verdachte ter zitting en het feit dat het geschil tussen aangever en verdachte nog niet is opgelost, acht de rechtbank een voorwaardelijk deel van de straf dan ook noodzakelijk. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van 2 jaar.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 17.010,00 voor de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 16.010,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 11.010,00 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7. Het beslag

7.1. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [benadeelde 1], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7.2. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien het voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 55, 282, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 4.1 strafbare feiten oplevert:

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest, inclusief de tijd in uitleveringsdetentie in het buitenland, heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2], wonende te [woonplaats] van € 16.010,00, waarvan € 11.010,00 ter zake van materiële schade en

€ 5.000,00 ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 2], € 16.010,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 115 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan [benadeelde 1] van het van inbeslaggenomen voorwerp, te weten; een [bedrijf] bankpas t.n.v. [naam] opp uitgavenpas [benadeelde 1];

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten; een zwarte mobiele telefoon van het merk Nokia.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J.F. Dekking en

mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 juni 2009.

Mrs. Dekking en Kruijer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.