Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7515

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
16-600875-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens voorbereidingshandelingen voor een gewapende overval op een supermarkt. Verdachte had met een medeverdachte bivakmutsen, zwarte kleding en nepwapens gekocht. Tevens hadden zij een motor gestolen als vluchtvoertuig. De rechtbank verwerpt het beroep op vrijwillige terugtred, nu dit niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600875-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein,

raadsman mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 november 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- ten aanzien van feit 1: een overval op een supermarkt heeft voorbereid;

- ten aanzien van feit 2: een motor heeft gestolen, dan wel die motor heeft geheeld.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 en 2 primair heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangiftes die zich in het dossier bevinden en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

12 november 2009:

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1] op 7 augustus 2009 een supermarkt wilde overvallen in Vinkeveen. Onder bedreiging van nepvuurwapens wilden zij het personeel van de supermarkt dwingen tot afgifte van geld. Ter voorbereiding op dit misdrijf hebben zij een motorfiets gestolen, bivakmutsen, handschoenen, tape en zwarte kleding aangeschaft en twee nepvuurwapens meegenomen;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] d.d. 7 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het proces-verbaal PL0971/09-013097, pagina 38 en 39.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het proces-verbaal PL0971/09-013097, pagina 43 t/m 47.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

12 november 2009;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het proces-verbaal PL0971/09-013097, pagina 65 t/m 67.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

omstreeks 7 augustus 2009 te Vinkeveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter

voorbereiding van het misdrijf om

- tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een ander te dwingen tot afgifte van geld toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader,

opzettelijk twee bivakmutsen, twee helmen, meerdere handschoenen, een rol tape, zwarte kleding, een balletjespistool, een replica van een pistool (Walther CP99), een

tas en een motor,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft

gehad;

ten aanzien van feit 2 Primair:

omstreeks de periode van 6 augustus 2009 tot en met 7 augustus 2009 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor, merk Honda, type Pc25, kenteken MNJV11, toebehorende aan [benadeelde].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten strafbaar. Het is niet aannemelijk dat verdachte vrijwillig is teruggetreden van feit 1. Verdachte heeft vanaf het begin niet de waarheid gesproken, waardoor zijn op een laat tijdstip afgelegde verklaring dat hij tot inkeer is gekomen, niet geloofwaardig is. Daarnaast ligt veel meer voor de hand dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van een omstandigheid die niet van de wil van de dader afhankelijk was.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat feit 1 niet strafbaar is omdat verdachte vrijwillig is teruggetreden. Verdachte heeft geen enkele beweging in de richting van de supermarkt gemaakt. De terugtred is dan ook uitsluitend het gevolg van omstandigheden van de wil van verdachte afhankelijk.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht bestaat voorbereiding noch poging indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Uit deze bepaling volgt dat vrijwillige terugtred van voorbereiding mogelijk is zolang het gronddelict waarop die voorbereiding is gericht nog niet is voltooid.

Of gedragingen van verdachte de gevolgtrekking wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval.

Vaststaat dat in het voorliggende geval de voorbereidingshandelingen waren voltooid en dat het tijdstip waarop het gronddelict zou worden gepleegd in de tijd uiterst nabij was. Dit gegeven brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat aan de vraag of vrijwillige terugtred aannemelijk is gemaakt zware eisen mogen worden gesteld.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte zich uitsluitend heeft bewogen van de supermarkt weg en zodoende uit eigen vrije wil heeft afgezien van het aanvankelijk voornemen een gewapende overval te plegen. Voor zover dit betoog aldus moet worden begrepen dat er van de zijde van verdachte nooit sprake is geweest van een begin van uitvoering merkt de rechtbank het volgende op. Dat de voltooide voorbereidingshandelingen nog niet waren uitgemond in een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf sluit op zichzelf nog niet uit dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van een omstandigheid die niet van de wil van de dader afhankelijk was. (HR 27 november 2001, LJN; AD4484). Bovendien is de medeverdachte [medeverdachte 1] wel in de richting van de supermarkt gelopen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna te noemen [medeverdachte 1]) op 7 augustus 2009 een supermarkt wilde overvallen in

Vinkeveen. Onder bedreiging van nepvuurwapens wilden zij het personeel van de supermarkt dwingen tot afgifte van geld. Ter voorbereiding op dit misdrijf hebben zij een motorfiets gestolen, bivakmutsen, handschoenen, tape en zwarte kleding aangeschaft en twee nepvuurwapens meegenomen.

Verdachte en [medeverdachte 1] hadden afgesproken dat [medeverdachte 1] als eerste de supermarkt binnen zou gaan. Hij zou onder bedreiging van een nepvuurwapen het personeel dwingen tot afgifte van het geld. Verdachte zou op de uitkijk blijven staan.

Op 7 augustus 2009 zijn verdachte en [medeverdachte 1] op de gestolen motorfiets naar de supermarkt gereden. Zij hebben de motorfiets startklaar op het parkeerterrein neergezet en hebben deze afgedekt met een zeil. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben vervolgens zwarte kleding aangetrokken en bivakmutsen opgezet. Verdachte is richting de bosjes gelopen en is achter een elektriciteitshuisje gaan zitten. [medeverdachte 1] is verder gelopen. Verdachte heeft niet gezien waar [medeverdachte 1] naartoe ging. Verdachte heeft verder ook geen contact meer gehad met [medeverdachte 1].

Op een gegeven moment kwam er een auto aangereden. Deze auto parkeerde naast het elektriciteitshuisje. De bestuurder van deze auto stapte uit. Op dat moment was verdachte tot inkeer gekomen; hij wilde weg en wilde de overval niet doorzetten. Hij kon echter niet weg omdat hij niet wist waar [medeverdachte 1] zat, aldus verdachte. Verdachte wilde niet zonder [medeverdachte 1] vertrekken.

Op een gegeven moment zag verdachte [medeverdachte 1] lopen. [medeverdachte 1] liep voor de geparkeerde auto langs in de richting van het park. Verdachte is toen achter [medeverdachte 1] aangelopen.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat [medeverdachte 1] zó dichtbij hem in de bosjes zat. Hij durfde [medeverdachte 1] niet te roepen omdat hij bang was.

Vanuit zijn positie achter het elektriciteitshuisje kon verdachte volgens eigen zeggen de supermarkt of de weg daar naartoe niet zien. Verdachte heeft zijn bivakmuts opgehouden terwijl hij naar het park liep. Verdachte heeft de bivakmuts niet afgezet omdat hij stijf stond van de zenuwen, aldus verdachte.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 7 augustus 2009 moest werken bij een supermarkt in Vinkeveen. Hij reed met zijn auto het parkeerterrein op en parkeerde zijn auto in een parkeervak naast het elektriciteitshuisje. De afgedekte motor viel hem daarbij direct op. Hij besloot buiten te wachten op de, steeds wisselende, collega waarmee hij de supermarkt moest openen. Hij liep in de richting van de geparkeerde de motor, wilde de politie bellen om de motor te laten controleren maar was zijn mobiele telefoon vergeten. Vervolgens liep [getuige 1] weer richting de personeelsingang waarvan de deur te openen is met drie cilindersloten. Vervolgens wachtte hij op de parkeerplaats tegenover de personeelsingang. Hij keek daarbij de hele tijd om zich heen of hij iets verdachts zag.

Na ongeveer drie minuten kwam zijn collega [getuige 2] aanfietsen. Zij zette haar fiets neer en liep naar de deur van de supermarkt toe. Toen zij bij hem stond, stak [getuige 1] zijn sleutel in het bovenste slot en draaide dit open. Vervolgens stak hij zijn sleutel in het onderste slot en draaide de sleutel. Op dat moment hoorde hij lawaai vanuit de bosjes. Hij omschrijft het als brekende takken. Hij keek naar rechts in de richting van het elektriciteitsgebouw en zag een persoon geheel in het zwart gekleed en met een bivakmuts op lopen. Deze persoon kwam van achter het elektriciteitshuisje vandaan. Hij schrok, haalde zijn sleutel uit de deur en deed een paar passen achteruit. Hij vroeg [getuige 2] om haar telefoon om 112 te bellen. Op dat moment zag [getuige 1] zijn andere collega [getuige 3] de hoek om komen lopen. Vervolgens zag hij een tweede persoon, geheel in het zwart en ook met een bivakmuts op, nabij zijn auto lopen. Deze twee personen liepen vervolgens het bruggetje op richting de [adres]. Hij zag dat de eerste persoon zijn bivakmuts geheel van zijn hoofd trok. De tweede jongen hield de muts op zijn hoofd.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij toen zij ter hoogte van de zeecontainer fietste in de bosjes daarnaast en ongeveer achter het elektriciteitshuisje een persoon zag staan die geheel in het zwart gekleed was en een bivakmuts droeg. Zij is doorgefietst naar de fietsenstalling en liep naar haar collega [getuige 1] die bij de deur van de supermarkt stond. Zij is naast hem gaan staan maar heeft hem niet verteld dat er een persoon in de bosjes stond. [getuige 1] was toen bezig de personeelsingang te openen. Zij hoorde op dat moment iets achter haar ritselen. Zij keken allebei in de richting van de zeecontainer, waarvandaan het geluid kwam. Zij zag de persoon uit de bosjes komen vanuit de richting van de zeecontainer. Deze persoon liep in de richting van het grote parkeerterrein van de supermarkt. Zij zag toen van de andere kant, uit de richting van het parkje, een tweede persoon -eveneens in het zwart gekleed en met een bivakmuts op- aan komen lopen. Beide personen liepen vervolgens in de richting van het bruggetje. Haar collega [getuige 3] kwam ook aanlopen, aldus [getuige 2].

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij naar de supermarkt toe liep. Hij zag dat een persoon in het zwart gekleed en met een bivakmuts op vanaf de supermarkt richting de beide meterkasten liep. Deze persoon liep vervolgens voor de auto van [getuige 1] langs in de richting van het paadje. Hij zag dat zich bij de eerste persoon een tweede persoon -eveneens in het zwart gekleed en met een bivakmuts op- voegde en dat zij over het bruggetje in de richting van de woonwijk liepen.

Bij de beantwoording van de vraag of het aannemelijk is dat verdachte vrijwillig is teruggetreden neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

-Verdachte heeft bij zijn aanhouding tegen de politie en bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij daar aan het hardlopen was. In de cel van verdachte is een brief aangetroffen, bestemd voor [medeverdachte 1]. Deze brief was bedoeld om de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] op elkaar af te stemmen en daarmee de door de politie aangetroffen sporen te verklaren. Pas enkele maanden later, toen verdachte wist dat [medeverdachte 1] zijn verhaal reeds had aangepast, heeft verdachte verklaard dat hij tot inkeer is gekomen en daardoor het plan om de supermarkt te overvallen niet heeft doorgezet. Dat verdachte niet vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven, tast de geloofwaardigheid van zijn verklaring reeds aan.

- Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij achter het elektriciteitshuisje is gaan zitten en dat hij niet wist dat [medeverdachte 1] zo dicht bij hem in de bosjes zat. De rechtbank acht volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte niet wist waar [medeverdachte 1] zich bevond en geen enkel contact met [medeverdachte 1] heeft gehad, gedurende de periode van minstens een half uur voordat [getuige 1] arriveerde. De rechtbank let hierbij mede op de professionele wijze waarop de overval is voorbereid. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben een motor gestolen en diverse goederen aangeschaft ter voorbereiding op de overval. Deze motor hebben zij als vluchtvoertuig startklaar neergezet op het parkeerterrein. Bovendien hebben verdachte en [medeverdachte 1] afspraken gemaakt over wie het personeel onder bedreiging van een vuurwapen zou dwingen tot afgifte van het geld en wie op de uitkijk zou gaan staan.

De rechtbank gaat ervan uit dat het bij het plannen van een dergelijke gewapende overval immers van groot belang is om te weten waar de ander zich bevindt en op welk moment men in actie zal komen.

- Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vanuit zijn positie achter het elektriciteitshuisje de supermarkt en de weg daar naartoe niet kon zien. Ook deze verklaring acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig mede gelet op haar opmerkingen hiervoor over de professionele wijze waarop de overval is voorbereid. Volgens de verklaring van verdachte zou [medeverdachte 1] als eerste de supermarkt binnen gaan. Om te weten wanneer hij in actie moest komen, moest verdachte zicht hebben op de supermarkt zodat hij [medeverdachte 1] daarheen kon zien lopen.

De rechtbank acht het aannemelijker dat verdachte is weggelopen door een omstandigheid die niet van zijn wil afhankelijk was. De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niet weg kon omdat hij niet wist waar [medeverdachte 1] zat en dat hij niet zonder hem wilde vertrekken. Verdachte had niettemin wel de mogelijkheid gehad om eerder weg te lopen, of om [medeverdachte 1] te waarschuwen dat hij de overval niet door wilde zetten. Verdachte heeft dit nagelaten. Verdachte is pas in actie gekomen toen hij zag dat [medeverdachte 1] richting het park liep. Vervolgens is hij achter hem aan gelopen. In zoverre heeft de verdachte beslissingen omtrent de geplande overval overgelaten aan [medeverdachte 1]. Reeds daarom zal een beroep op vrijwillige terugtred van verdachte niet slagen.

Ook het gegeven dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] hun bivakmutsen nog op hun hoofd hadden toen zij richting het park liepen, strookt niet met de verklaring van verdachte dat hij toen reeds tot inkeer was gekomen. De verklaring van verdachte dat hij vergeten was zijn bivakmuts af te doen omdat hij stijf stond van de zenuwen, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande en op de zware eisen die daarvoor in het onderhavige geval gelden is de door verdachte gestelde vrijwillige terugtred niet aannemelijk geworden, zodat het verweer moet worden verworpen. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- ten aanzien van feit 1: voorbereiding van afpersing, terwijl het feit werd gepleegd door twee verenigde personen;

- ten aanzien van feit 2 primair: diefstal door twee verenigde personen.

4.4. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich tijdens de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een COVA-training. De officier van justitie eist een hogere straf voor verdachte dan zijn medeverdachte [medeverdachte 1], op grond van het strafblad van verdachte.

5.2. Het standpunt van de verdediging

Nu de verdediging van mening is dat verdachte slechts veroordeeld kan worden voor feit 2, verzoekt de verdediging de rechtbank om verdachte bij strafoplegging te veroordelen tot een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een gewapende overval. Deze gewapende overval is niet voltooid tengevolge van een omstandigheid die niet van de wil van de dader afhankelijk was. Gewapende overvallen zijn voor de slachtoffers hiervan bijzonder traumatische ervaringen. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan toen hij samen met zijn mededader het plan had opgevat om een supermarkt te overvallen en hiertoe ook voorbereidingen had getroffen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de inhoud van het voorlichtingsrapport van de reclassering , waarin geadviseerd wordt om bij bewezenverklaring op te leggen een voorwaardelijke veroordeling met reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een training op het gebied van cognitieve vaardigheden

(COVA-training).

De rechtbank heeft als strafverzwarende omstandigheid bij de strafoplegging rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Als strafverlichtende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat uit het dossier blijkt dat het initiatief van de overval van medeverdachte [medeverdachte 1] is uitgegaan. [medeverdachte 1] heeft verdachte overgehaald om mee te doen aan de overval.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de leidinggevende rol van verdachte [medeverdachte 1], er geen onderscheid in de hoogte van de straf dient te bestaan tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Dat verdachte een strafblad heeft inzake soortgelijke feiten brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een straf gelijk aan die van medeverdachte [medeverdachte 1], te weten een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 5 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. De verdachte dient zich tijdens de proeftijd te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een COVA-training.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 435,85 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 46, 57, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- ten aanzien van feit 1: voorbereiding van afpersing, terwijl het feit werd gepleegd door twee verenigde personen;

- ten aanzien van feit 2 primair: diefstal door twee verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het volgen van een COVA-training en draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 435,85 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Schademaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 435,85 te betalen, bij niet betaling te vervangen door acht dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Gerrits-Janssens, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 november 2009.