Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7514

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
23-12-2009
Zaaknummer
16-600874-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens voorbereidingshandelingen voor een gewapende overval op een supermarkt. Verdachte had met een medeverdachte bivakmutsen, zwarte kleding en nepwapens gekocht. Tevens hadden zij een motor gestolen als vluchtvoertuig. De rechtbank verwerpt het beroep op vrijwillige terugtred, nu dit niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600874-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in het huis van bewaring "Wolvenplein" te Utrecht,

raadsman mr. J.W.P. Beijen, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 november 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- ten aanzien van feit 1: een overval op een supermarkt heeft voorbereid;

- ten aanzien van feit 2: een motor heeft gestolen, dan wel die motor heeft geheeld.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangiftes die zich in het dossier bevinden en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

12 november 2009:

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] op 7 augustus 2009 een supermarkt wilde overvallen in Vinkeveen. Onder bedreiging van nepvuurwapens wilden zij het personeel van de supermarkt dwingen tot afgifte van geld. Ter voorbereiding op dit misdrijf hebben zij een motorfiets gestolen, bivakmutsen, handschoenen, tape en zwarte kleding aangeschaft en twee nepvuurwapens meegenomen;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] d.d. 7 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het proces-verbaal PL0971/09-013097, pagina 38 en 39.

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het proces-verbaal PL0971/09-013097, pagina 43 t/m 47.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

12 november 2009;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het proces-verbaal PL0971/09-013097, pagina 65 t/m 67.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

omstreeks 7 augustus 2009 te Vinkeveen, tezamen en in vereniging met een ander, ter

voorbereiding van het misdrijf om

- tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een ander te dwingen tot afgifte van geld toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader,

opzettelijk twee bivakmutsen, twee helmen, meerdere handschoenen, een rol tape, zwarte kleding, een balletjespistool, een replica van een pistool (Walther CP99), een

tas en een motor,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft

gehad;

ten aanzien van feit 2 Primair:

omstreeks de periode van 6 augustus 2009 tot en met 7 augustus 2009 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor, merk Honda, type Pc25, kenteken MNJV11, toebehorende aan [benadeelde].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van de feiten

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten strafbaar. Niet aannemelijk is dat verdachte vrijwillig is teruggetreden van feit 1.Verdachte heeft vanaf het begin niet de waarheid gesproken, waardoor zijn op een laat tijdstip afgelegde verklaring dat hij tot inkeer is gekomen, niet geloofwaardig is. Daarnaast ligt veel meer voor de hand dat het misdrijf niet is voltooid tengevolge van een omstandigheid die niet van de wil van de dader afhankelijk was.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat feit 1 niet strafbaar is omdat verdachte vrijwillig is teruggetreden. De vrijwillige terugtred van verdachte heeft tijdig plaatsgevonden. Bovendien is er sprake van een tegengestelde gedraging van verdachte en is de terugtred van verdachte onomkeerbaar. Verdachte is teruggetreden omdat hij tot inkeer is gekomen en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht bestaat voorbereiding noch poging indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.

Uit deze bepaling volgt dat vrijwillige terugtred van voorbereiding mogelijk is zolang het gronddelict waarop die voorbereiding is gericht nog niet is voltooid.

Of gedragingen van verdachte de gevolgtrekking wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval.

Vaststaat dat in het voorliggende geval de voorbereidingshandelingen waren voltooid en dat het tijdstip waarop het gronddelict zou worden gepleegd in de tijd uiterst nabij was. Dit gegeven brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat aan de vraag of vrijwillige terugtred aannemelijk is gemaakt zware eisen mogen worden gesteld.

De raadsman heeft onder verwijzing naar HR 3 maart 2009 betoogd dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. Bij de beantwoording van de vraag of van zodanig optreden sprake is, is dan mede van belang of en zo ja in welke mate het waarschijnlijk is dat het gevolg zou zijn ingetreden ná de uitvoeringshandelingen maar vóór de gedragingen waarop het beroep op vrijwillige terugtred is gebaseerd. Hoe waarschijnlijker een dergelijk intreden van het gevolg is, des te minder ligt het in de rede om vrijwillige terugtred aan te nemen.

De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval, anders dan in het geval waarnaar de raadsman verwijst, geen sprake is van een voltooide poging. Reeds om die reden slaagt dit betoog niet.

Ten aanzien van de vraag of vrijwillige terugtred hier aannemelijk is overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard. Verdachte wilde op 7 augustus 2009 samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen [medeverdachte]) een supermarkt overvallen in

Vinkeveen. Onder bedreiging van nepvuurwapens wilden zij het personeel van de supermarkt dwingen tot afgifte van geld. Ter voorbereiding op dit misdrijf hebben zij een motorfiets gestolen, bivakmutsen, handschoenen, tape en zwarte kleding aangeschaft en twee nepvuurwapens meegenomen. Verdachte en [medeverdachte] hadden afgesproken dat verdachte als eerste naar binnen zou gaan. Hij zou onder bedreiging van een nepvuurwapen het personeel dwingen tot afgifte van het geld. [medeverdachte] zou op de uitkijk staan. Zij hadden niet afgesproken wie als eerste naar het personeel zou toelopen en op welk moment dit zou gebeuren.

Op 7 augustus 2009 zijn [medeverdachte] en verdachte in alle vroegte op de gestolen motorfiets naar de supermarkt gereden. Zij hebben de motorfiets startklaar op het parkeerterrein neergezet en hebben deze afgedekt met een zeil. [medeverdachte] en verdachte hebben vervolgens zwarte kleding aangetrokken en bivakmutsen opgezet. Verdachte is richting de bosjes gelopen en is achter een elektriciteitshuisje gaan zitten. Hij heeft niet gezien waarheen [medeverdachte] liep. Hij wist niet dat [medeverdachte] zich eveneens achter dit elektriciteitshuisje bevond. Verdachte en [medeverdachte] hebben toen onderling geen contact gehad.

Verdachte had ongeveer drie kwartier in de bosjes gezeten toen er een auto kwam aanrijden. Deze auto parkeerde achteruit in en verdachte moest achteruit wijken voor deze auto. De bestuurder van deze auto stapte uit en liep naar de deur van de supermarkt toe. De bestuurder heeft daar enkele minuten gestaan. Vervolgens kwam er een meisje naar de bestuurder toegelopen. Op dat moment wilde verdachte ermee stoppen. Hij zag zijn hele leven aan zich voorbijgaan en wilde bovendien het personeel niet aandoen dat zij bedreigd zouden worden. Verdachte is vervolgens uit de bosjes gekomen en direct richting het park gelopen. Hij is niet in de richting van de supermarkt gelopen. Onderweg kwam hij [medeverdachte] tegen en zij zijn beiden naar het park gelopen.

Verdachte heeft zijn bivakmuts opgehouden terwijl hij naar het park liep. Verdachte is de bivakmuts vergeten af te zetten, aldus verdachte.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 7 augustus 2009 moest werken bij een supermarkt in Vinkeveen. Hij reed met zijn auto het parkeerterrein op en parkeerde zijn auto in een parkeervak naast het elektriciteitshuisje. De afgedekte motor viel hem daarbij direct op. Hij besloot buiten te wachten op de, steeds wisselende, collega waarmee hij de supermarkt moest openen. Hij liep in de richting van de geparkeerde de motor, wilde de politie bellen om de motor te laten controleren maar was zijn mobiele telefoon vergeten. Vervolgens liep [getuige 1] weer richting de personeelsingang waarvan de deur te openen is met drie cilindersloten. Vervolgens wachtte hij op de parkeerplaats tegenover de personeelsingang. Hij keek daarbij de hele tijd om zich heen of hij iets verdachts zag.

Na ongeveer drie minuten kwam zijn collega [getuige 2] aanfietsen. Zij zette haar fiets neer en liep naar de deur van de supermarkt toe. Toen zij bij hem stond, stak [getuige 1] zijn sleutel in het bovenste slot en draaide dit open. Vervolgens stak hij zijn sleutel in het onderste slot en draaide de sleutel. Op dat moment hoorde hij lawaai vanuit de bosjes. Hij omschrijft het als brekende takken. Hij keek naar rechts in de richting van het elektriciteitsgebouw en zag een persoon geheel in het zwart gekleed en met een bivakmuts op lopen. Deze persoon kwam van achter het elektriciteitshuisje vandaan. Hij schrok, haalde zijn sleutel uit de deur en deed een paar passen achteruit. Hij vroeg [getuige 2] om haar telefoon om 112 te bellen. Op dat moment zag [getuige 1] zijn andere collega [getuige 3] de hoek om komen lopen. Vervolgens zag hij een tweede persoon, geheel in het zwart en ook met een bivakmuts op, nabij zijn auto lopen. Deze twee personen liepen vervolgens het bruggetje op richting de [adres]. Hij zag dat de eerste persoon zijn bivakmuts geheel van zijn hoofd trok. De tweede jongen hield de muts op zijn hoofd.

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat zij toen zij ter hoogte van de zeecontainer fietste in de bosjes daarnaast en ongeveer achter het elektriciteitshuisje een persoon zag staan die geheel in het zwart gekleed was en een bivakmuts droeg. Zij is doorgefietst naar de fietsenstalling en liep naar haar collega [getuige 1] die bij de deur van de supermarkt stond. Zij is naast hem gaan staan maar heeft hem niet verteld dat er een persoon in de bosjes stond. [getuige 1] was toen bezig de personeelsingang te openen. Zij hoorde op dat moment iets achter haar ritselen. Zij keken allebei in de richting van de zeecontainer, waarvandaan het geluid kwam. Zij zag de persoon uit de bosjes komen vanuit de richting van de zeecontainer. Deze persoon liep in de richting van het grote parkeerterrein van de supermarkt. Zij zag toen van de andere kant, uit de richting van het parkje, een tweede persoon -eveneens in het zwart gekleed en met een bivakmuts op- aan komen lopen. Beide personen liepen vervolgens in de richting van het bruggetje. Haar collega [getuige 3] kwam ook aanlopen, aldus [getuige 2].

Getuige [getuige 3] heeft bij de politie verklaard dat hij naar de supermarkt toe liep. Hij zag dat een persoon in het zwart gekleed en met een bivakmuts op vanaf de supermarkt richting de beide meterkasten liep. Deze persoon liep vervolgens voor de auto van [getuige 1] langs in de richting van het paadje. Hij zag dat zich bij de eerste persoon een tweede persoon -eveneens in het zwart gekleed en met een bivakmuts op- voegde en dat zij over het bruggetje in de richting van de woonwijk liepen.

Bij de beantwoording van de vraag of het aannemelijk is dat verdachte vrijwillig is teruggetreden neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

- Verdachte heeft bij zijn aanhouding tegen de politie eerst verklaard dat hij daar aan het joggen was. Vervolgens heeft hij zich bij zijn verhoren door de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Pas later heeft hij verklaard dat hij tot inkeer is gekomen en daardoor zijn plan om de supermarkt te overvallen niet heeft doorgezet. Dat verdachte niet vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven, tast de geloofwaardigheid van zijn verklaring reeds aan.

- Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij achter het elektriciteitskastje is gaan zitten en dat hij niet wist dat [medeverdachte] zich eveneens achter het elektriciteitshuisje bevond. De rechtbank acht volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte niet wist waar [medeverdachte] zich bevond en geen enkel contact met [medeverdachte] heeft gehad, gedurende de periode van minstens een half uur voordat [getuige 1] arriveerde. De rechtbank let hierbij mede op de professionele wijze waarop de overval is voorbereid. Verdachte en [medeverdachte] hebben een motor gestolen en diverse goederen aangeschaft ter voorbereiding op de overval. Deze motor hebben zij als vluchtvoertuig startklaar neergezet op het parkeerterrein. Bovendien hebben verdachte en [medeverdachte] onderling afspraken gemaakt over wie het personeel onder bedreiging van een vuurwapen zou dwingen tot afgifte van het geld en wie op de uitkijk zou gaan staan.

De rechtbank gaat ervan uit dat het bij het plannen van een dergelijke gewapende overval immers van groot belang is om te weten waar de ander zich bevindt en op welk moment men in actie zal komen .

De rechtbank acht het aannemelijker dat verdachte is weggelopen door een omstandigheid die niet van zijn wil afhankelijk was. De rechtbank heeft hiervoor de volgende aanwijzingen:

- De getuige [getuige 3] heeft gezien dat de eerste persoon, te weten verdachte, vanaf de supermarkt richting de meterkast/elektriciteitskast liep. Deze persoon liep vervolgens voor de auto van [getuige 1] langs richting het park. Dit strookt niet met de verklaring van verdachte dat hij direct richting het park is gelopen en niet in de richting van de supermarkt is gelopen.

- Verdachte is -naar eigen zeggen- tot inkeer gekomen op het moment dat de supermarkt werd geopend. Hierop is hij de bosjes uitgelopen met een bivakmuts. De rechtbank acht het moment waarop verdachte tot inkeer is gekomen opmerkelijk. Het moment dat de supermarkt geopend zou worden, is namelijk het moment waarop de overval zou aanvangen.

De rechtbank acht het dan ook aannemelijker dat verdachte van plan was om de overval door te zetten en dat hij daarom uit de bosjes kwam. Hierbij liep hij met zijn bivakmuts op richting de supermarkt. Door een van buitenkomende oorzaak, omdat hij nog een derde persoon, te weten [getuige 3], zag komen aanlopen, besloot hij om de overval niet door te zetten. Hierop boog hij af naar links, liep weg van de supermarkt en nam het pad richting het bruggetje. [medeverdachte] is vervolgens achter verdachte aangelopen.

- Zowel verdachte als [medeverdachte] hadden hun bivakmutsen nog op hun hoofd op het moment dat zij zich vertoonden. Dit strookt niet met verdachtes verklaring dat hij toen reeds tot inkeer was gekomen. De verklaring van verdachte dat hij vergeten was zijn bivakmuts af te doen, acht de rechtbank derhalve niet geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande en op de zware eisen die daarvoor in het onderhavige geval gelden is de door verdachte gestelde vrijwillige terugtred niet aannemelijk geworden, zodat het verweer moet worden verworpen. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- ten aanzien van feit 1: voorbereiding tot afpersing, terwijl het feit werd gepleegd door twee verenigde personen;

- ten aanzien van feit 2 primair: diefstal door twee verenigde personen.

4.4. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich tijdens de proeftijd dient te houden aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een behandeling bij het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag.

5.2. Het standpunt van de verdediging

Nu de verdediging van mening is dat verdachte slechts veroordeeld kan worden voor feit 2, verzoekt de verdediging de rechtbank om verdachte bij strafoplegging te veroordelen tot een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een gewapende overval en aan diefstal van een motor. De gewapende overval is niet voltooid tengevolge van een omstandigheid die niet van de wil van de dader afhankelijk was. Gewapende overvallen zijn voor de slachtoffers hiervan bijzonder traumatische ervaringen. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan toen hij samen met zijn mededader het plan had opgevat om een supermarkt te overvallen en hiertoe ook voorbereidingen had getroffen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de inhoud van het voorlichtingsrapport van de reclassering , waarin geadviseerd wordt om bij bewezenverklaring op te leggen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een behandeling bij het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag. Verdachte is inmiddels aangemeld bij De Waag.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging voorts rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld.

Als strafverzwarende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat uit het dossier blijkt dat het initiatief van de overval van verdachte is uitgegaan. Hij heeft [medeverdachte] overgehaald om mee te doen aan de overval.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden opleggen. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 5 maanden voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. De verdachte dient zich tijdens de proeftijd te houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling bij het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 435,85 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7. Het beslag

7.1. De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring:

- 3 tassen met inhoud, nrs. 4, 8 en 9, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- diverse stukken papier, nrs. 5 en 7, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 2 helmen, nrs. 10 en 11, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- diverse (zwarte) kledingstukken, nrs. 12 t/m 15, 17 en 18, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 1 rol tape, nr. 16, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoorden en het strafbare feit begaan is met behulp van deze voorwerpen.

7.2. De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer:

- 1 pistool, Walther CP99, nr. 1 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 1 balletjespistool, nr. 6 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan

in strijd is met de wet.

7.3. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerpen niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen:

- 1 tafelkleed, nr. 2 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

7.4. De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niet duidelijk is of verdachte als rechthebbende kan worden aangemerkt:

- diverse sieraden, nrs. 3, 19 t/m 26 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 46, 57, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- ten aanzien van feit 1: voorbereiding van afpersing, terwijl het feit werd gepleegd door twee verenigde personen;

- ten aanzien van feit 2 primair: diefstal door twee verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een behandeling bij het Centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag en draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 3 tassen met inhoud, nrs. 4, 8 en 9, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- diverse stukken papier, nrs. 5 en 7, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 2 helmen, nrs. 10 en 11, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- diverse (zwarte) kledingstukken, nrs. 12 t/m 15, 17 en 18, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 1 rol tape, nr. 16, op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 1 pistool, Walther CP99, nr. 1 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- 1 balletjespistool, nr. 6 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende in beslag genomen voorwerp, te weten:

- 1 tafelkleed, nr. 2 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- diverse sieraden, nrs. 3, 19 t/m 26 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 435,85 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

Schademaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 435,85 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Gerrits-Janssens, voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 november 2009.