Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK6889

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
251878 / HA ZA 08-1440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

1. bestuurdersaansprakelijkheid

Bestuurder van NIF, een onderneming die participaties verhandelt in een teakbomen project in Costa Rica, is aansprakelijk. rechtbank neemt als vaststaand aan dat NIF, anders dan in de ovk. staat, nooit eigenaar is geweest van een teakplantage in Costa Rica.

2. beroepsaansprakelijkheid financieel adviseur.

Adviseur Vizion heeft niet gewaarschuwd voor het bijzonder hoge risico dat beleggen in het teakfonds van NIF meebracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2010, 146
JOR 2010/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 251878 / HA ZA 08-1440

Vonnis van 16 december 2009

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. H.J. Bos,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NATURAL INVESTMENT FUND B.V.,

statutair gevestigd te IJsselstein,

kantoorhoudende te [woonplaats], Bali,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats], Bali,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. R. Bagasrawalla,

4. de vennootschap onder firma

VIZION FINANCIAL CONSULT V.O.F.,

gevestigd te Culemborg,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. E.C.J. Ris,

en haar beide vennoten:

5. [gedaagde sub 5]

wonende te [woonplaats]

gedaagde in conventie,

advocaat mr. E.C.J. Ris, en

6. [gedaagde sub 6],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. E.C.J. Ris.

Partijen zullen hierna [eisers], [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 maart 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. NIF en NIF Holding B.V. (hierna: de holding) zijn opgericht in 1999. De bedrijfsomschrijving in het handelsregister van NIF luidt: het verhandelen van houtparticipaties. [gedaagde sub 3] is vanaf de oprichting in 1999 tot 18 april 2006 onafgebroken enig aandeelhouder en bestuurder geweest van de holding die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van NIF was.

2.2. NIF heeft een brochure gemaakt waarin zij verhandelbare participaties in een (her)bebossingsproject in Costa Rica aanbiedt. Deze brochure is door Vizion als productie 3 bij antwoord overgelegd.

2.3. In verband met gewijzigde publiekrechtelijke financiële regelgeving heeft NIF sinds 1 januari 2006 geen houtparticipaties meer verkocht.

2.4. Op 18 april 2006 he[gedaagde sub 3] de aandelen in de holding voor een bedrag van

€ 8.000,- aan [gedaagde sub 2] verkocht. De koopsom is in onderling overleg bepaald [gedaagde sub 2] staat sindsdien ingeschreven als enig aandeelhouder en bestuurder van de holding. Per 4 oktober 2007 heeft de Kamer van Koophandel in het handelsregister ingeschreven dat de ondernemingen van NIF en NIF Holding ambtshalve zijn opgeheven.

2.5. Vizion verleent financiële adviesdiensten. Zij heeft in 1999 een samenwerkingsovereenkomst met NIF gesloten. Op grond van deze overeenkomst bemiddelde Vizion bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen relaties die wilden investeren in teakhout en NIF. In de periode tot 2006 heeft Vizion 10 participanten aangebracht.

2.6. [eiser sub 1], geboren op 1946, en [eiseres sub 2], geboren op 1949, zijn gehuwd geweest. [eiseres sub 2] is een tante van de vriendin van [[eiser sub 1] heeft LTS gedaan en een technische avondopleiding. Hij werkt als service-technieker van tandheelkundige apparatuur [eiser sub 1] heeft ULO en avond MEAO gedaan. Zij werkt als secretaresse van het bisdom [woonplaats].

2.7. [eisers] hebben Vizion in 2003 om advies gevraagd over de financiële afwikkeling van hun scheiding. Vizion heeft geconstateerd dat de overwaarde op de echtelijke woning groot was. Zij heeft [eiseres sub 2] geadviseerd om een tweede hypothecaire lening op de echtelijke woning te sluiten om met de opbrengst [eiser sub 1] uit te kunnen kopen en te kunnen beleggen in het teakproject van [eiser sub 1] wilde met beleggen pensioen verwerven. [eiseres sub 2] wilde eveneens in haar pensioen voorzien maar ook te zijner tijd een deel van de hypothecaire leningen aflossen.

2.8. [eisers] hebben op 7 mei 2003 ieder een schriftelijke overeenkomst met NIF ondertekend [gedaagde sub 3] heeft NIF bij het sluiten van de overeenkomsten vertegenwoordigd. De overeenkomsten houden in dat NIF eigenaar is van een plantage in Costa Rica en dat zij op deze plantage teakbomen kweekt. [eisers] hebben voor een bedrag van ieder € 30.000,- het recht op de in 2011 te realiseren volledige verkoopopbrengst van 150 teakbomen gekocht. Deze bomen zijn volgens de overeenkomst in 1993 op een bepaald gedeelte van de plantage aangeplant.

2.9. NIF heeft direct na ontvangst van de betalingen van [eisers] de overeengekomen provisie van 30%, derhalve € 9.000,- per overeenkomst, aan Vizion betaald.

2.10. NIF was op grond van de overeenkomst verplicht om ten minste één keer per jaar aan [eisers] schriftelijk verslag uit te brengen omtrent de voortgang en de groei van de teakbomen. Dat heeft NIF niet gedaan.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers] vorderen samengevat, op verschillende gronden, hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 60.000,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2003 en (buiten) gerechtelijke kosten en nakosten.

3.2.[gedaagde sub 3], Vizion, [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.3. [gedaagde sub 3] vordert in reconventie, indien en voor zover in conventie wordt geoordeeld dat de overeenkomsten ontbonden zijn of worden, veroordeling van [eisers] tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopprijs minus de waarde van opbrengst van de teakbomen op de datum van verkoop althans op de datum van de ontbinding van de overeenkomsten.

3.4. [eisers] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. NIF [gedaagde sub 2] zijn niet verschenen. De vordering tegen hen kan als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.2. Bij de beoordeling van de overige vorderingen stelt de rechtbank voorop dat [eisers] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat NIF haar verplichtingen op grond van de overeenkomsten van mei 2003 niet nakomt, ook niet meer zal nakomen, en geen verhaal biedt voor de schade ten gevolge van die wanprestatie. Het staat immers vast dat de ondernemingen van NIF en NIF Holding in 2007 door de Kamer van Koophandel ambtshalve zijn opgeheven. Ook zijn NIF [gedaagde sub 2] in deze procedure niet verschenen. Voor wat betreft [gedaagde sub 3] kan daaraan nog worden togevoegd [gedaagde sub 3] onder punt 12 van zijn antwoord ook zelf heeft gesteld dat NIF haar lopende kosten, zelfs de relatief geringe kosten voor inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het voeren van een boekhouding, niet meer kan betalen.

4.3. [eisers] stellen dat de teakbelegging van NIF van het begin af aan een spookproduct is geweest en dat NIF ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten in mei 2003 helemaal geen eigenaar was van grond in Costa Rica waarop teakbomen waren geplant [gedaagde sub 3] en Vizion hebben dit betwist.

4.4. [eisers] hebben ter staving van hun stelling als onderdeel van productie 28 gegevens uit het handelsregister overgelegd. Dat zijn gegevens uit de jaarrekeningen over 2001, 2002 en 2004. Ook hebben zij gegevens overgelegd uit de gedeponeerde jaarrekeningen van de holding over 2002, 2003 en 2004.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] terecht aangevoerd dat de gedeponeerde gegevens niet stroken met de stellingen [gedaagde sub 3] dat NIF (of de holding) eigenaar is (geweest) van een plantage met houtopstand in Costa Rica, dat deze plantage een waarde vertegenwoordigde die in 1999 USD 600.000,- kan zijn geweest, dat NIF in de periode van 1999 tot april 2006 een bedrag van tussen de anderhalf en twee miljoen euro van investeerders heeft ontvangen, en dat NIF uit hoofde daarvan verplichtingen had aan participanten/investeerders. In ieder geval blijkt uit de gedeponeerde gegevens in het geheel niet dat anderhalf tot 2 miljoen euro is verwerkt in de winst en verliesrekeningen of is toegevoegd aan het eigen vermogen van NIF. De winst en verliesrekening over 2003 ontbreekt overigens. [eisers] hebben terecht aangevoerd dat uit de gedeponeerde gegevens blijkt dat NIF steeds een negatief eigen vermogen heeft gehad. Het staat verder vast dat NIF haar verplichting om jaarlijks verslag uit te brengen aan [eisers] over de voortgang en de groei van hun teakbomen niet is nagekomen. Ook hebben [eisers] onweersproken aangevoerd dat NIF ondanks uitdrukkelijke verzoeken van hun kant geen enkel inzicht heeft verschaft in de waardeontwikkeling van hun participatie. De waardeontwikkeling blijkt ook niet uit de gedeponeerde jaarrekeningen.

4.6. Tegen deze achtergrond hadden [gedaagde sub 3] en Vizion hun stelling dat NIF in 2003 wel degelijk eigenaar was van de in de participatieovereenkomsten genoemde grond en teakbomen in Costa Rica nader met redenen moeten omkleden. De enkele mededeling [gedaagde sub 3] tijdens de comparitie na antwoord dat hij in 1999 een plantage heeft gekocht voor ongeveer USD 600.000,- en dat hij daarvoor hfl. 275.000,- heeft geleend bij een Luxemburgse vennootschap volstaat niet. Dat wordt niet anders in combinatie met de door [gedaagde sub 3] overgelegde producties. Productie 1 is een brief van [X] Enterprises S.A. van 16 mei 2002. Deze brief heeft weliswaar betrekking op een lening van hfl. 275.000,- aan NIF maar brengt geen enkel bewijs bij voor de stelling dat het geleende bedrag door NIF is geïnvesteerd in een teakplantage in Costa Rica. Productie 2 [gedaagde sub 3] bevat e-mailberichten van een zekere [B] en heeft betrekking op de Hacienda Tres Cepas die in maart 2004 door het FSC zou zijn gecertificeerd. Uit niets blijkt dat deze Hacienda eigendom is (geweest) van NIF. [gedaagde sub 3], zoals hij tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard, geen accountant was is niet relevant [gedaagde sub 3] heeft jarenlang een vennootschap bestuurd die zich bezig hield met het verhandelen van houtparticipaties in een (her)bebossingsproject in Costa Rica, zodat van hem verwacht mag worden dat hij kan uitleggen hoe de eigendom van de plantage en de verplichtingen aan participanten in de jaarrekening is verwerkt.

4.7. De rechtbank gaat er in het hierna volgende dan ook van uit dat NIF nooit eigenaar is geweest van grond met teakbomen in Costa Rica.

de vordering te[gedaagde sub 3] verder

4.8. [eisers] stellen [gedaagde sub 3] als bestuurder van NIF aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW. Zij voeren aan [gedaagde sub 3] bij het aangaan van de participatieovereenkomsten in mei 2003 als bestuurder van NIF moet hebben geweten dat NIF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade ten gevolge van die wanprestatie.

4.9. Uit het voorgaande volgt dat NIF geen eigenaar van grond met teakbomen in Costa Rica was. Dat moet [gedaagde sub 3] als enig aandeelhouder en bestuurder van NIF hebben geweten. Hij moet dus ook hebben geweten dat NIF haar verplichtingen uit de overeenkomsten met [eisers] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de door [eisers] daardoor te lijden schade. De vordering tegen [gedaagde sub 3] kan dus worden toegewezen. Hij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

de vordering tegen Vizion en haar vennoten verder

4.10. Tussen partijen is niet in geschil dat Vizion tegenover [eisers] de zorg van een goed opdrachtnemer als bedoeld in artikel 7:401 BW had moeten betrachten. Hoe ver die zorgplicht reikt hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder mede te begrijpen de mate van deskundigheid en relevante ervaring van de wederpartij, de ingewikkeldheid van het beleggingsproduct en de daaraan verbonden risico’s, en de regelgeving tot nakoming waarvan Vizion was gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Vizion in dit geval de zorg van een goed opdrachtnemer, dat is de zorg die een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam financieel adviseur diende te betrachten, niet in acht genomen. Ter toelichting wordt het volgende overwogen.

4.11. Vizion wist dat [eisers] geen verdere beleggingservaring hadden dan een enkele miskleun bij Legio Lease/Spaarbeleg en dat zij evenmin op grond van opleiding of werkervaring deskundig waren op het terrein van beleggen. Vizion had als redelijk handelend en redelijk vakbekwaam adviseur moeten begrijpen dat de overeenkomst met NIF bijzonder risicovol was. Dat risico was niet gelijk aan het risico van beleggen in teakhout in het algemeen. In dit geval ging het ook nog eens om beleggen in een onbekend project van een onbekende onderneming die werd gerund door één persoon, te weten [gedaagde sub 3]. Vizion heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zij er gerechtvaardigd van uit mocht gaan [gedaagde sub 3] over voldoende deskundigheid beschikte om een beleggingsconstructie in teakbomen in Costa Rica rendabel te laten zijn. Dat geldt temeer nu aan die constructie met een looptijd van 2003 tot 2011 hoge kosten waren verbonden. Alleen al de provisie voor de tussenpersoon beliep 30% van het ingelegde bedrag. Dit alles brengt mee dat Vizion [eisers] in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen had moeten informeren over het aan de overeenkomst verbonden risico. Dat heeft Vizion niet gedaan. Uit de stukken blijkt dat Vizion de nadruk heeft gelegd op het te verwachten rendement en het feit dat de risico’s verbonden aan beleggen verantwoorde risico’s kunnen zijn. [gedaagde sub 5] heeft tijdens de comparitie van partijen nog verklaard dat hij [eiser sub 1] schriftelijk een prognose heeft gegeven van een opbrengst van € 104.000,-. Niet valt in te zien op grond waarvan een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam financieel adviseur die prognose heeft kunnen geven voor een deelneming in NIF.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat Vizion tekort is geschoten bij de uitvoering van de adviesopdracht van [eisers] en dat zij aansprakelijk is voor de daardoor door hen geleden schade.

4.13. [eisers] stellen dat hun schade gelijk is aan het door ieder van hen geïnvesteerde bedrag van € 30.000,- vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2003. Vizion heeft de omvang van die schade op zichzelf niet betwist. Zij heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan [eisers] een deel van die schade zelf zouden moeten dragen. Vizion zal daarom worden veroordeeld om de schade aan [eisers] te vergoeden.

4.14. De rechtbank kan het antwoord op de vraag of de participatie van NIF onder de definitie van effect in de zin van de Wte 1995 viel en of NIF een vergunning nodig had om deze participaties aan te bieden buiten beschouwing laten. Dat antwoord kan namelijk niet tot een ander oordeel leiden. Dat zelfde geldt voor de vraag of Vizion in 2003 een vergunning nodig had om te mogen adviseren over en bemiddelen bij de participatie in NIF.

4.15. De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen niet worden toegewezen omdat [eisers] geen specifiek bedrag hebben opgegeven.

4.16. [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- dagvaardingen 92,94, 106,27 en 99,43

- vast recht 1.630,00

- salaris advocaat 1.788,00 ( 2 punten × tarief 894,00)

Totaal 3.716,64

in voorwaardelijke reconventie

4.17. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie tegen [gedaagde sub 3] wordt toegewezen op de grondslag onrechtmatige daad. Strikt genomen is dus de voorwaarde waaronder de vordering in conventie is ingesteld niet in vervulling gegaan. In ieder geval kan de vordering in reconventie niet worden toegewezen. Dat volgt uit de overwegingen in conventie [gedaagde sub 3] is aansprakelijk voor de schade als gevolg van zijn eigen onrechtmatig handelen. Hij heeft geen beroep gedaan op eigen schuld van [eisers] en ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan eigen schuld zou kunnen worden aangenomen.

4.18. [gedaagde sub 3] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 447,- (0,5 punt x tarief 894,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 60.000,00 (zestig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 1 mei 2003 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 3.716,64;

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5. wijst de vordering af,

5.6. veroordeelt [gedaagde sub 3] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 447,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.?