Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5979

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
265110 / HA ZA 09-788
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geweigerde dekking bij autoverzekering wegens niet voldoen aan informatieverplichting. Twijfels over schadevoorval.

Opname in IVR gerechtvaardigd maar opname in EVR niet proportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 265110 / HA ZA 09-788

Vonnis van 9 december 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AB CARS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Veen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.J. Kortleve,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S.C. Banga.

Partijen zullen hierna AB Cars en ASR genoemd worden.

1. De procedure

in conventie en in reconventie

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 mei 2009

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op donderdag 15 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie

2.1. AB Cars handelt onder meer in auto’s. De heer [A] (hierna te noemen: [A]) is enig bestuurder en indirect enig aandeelhouder van AB Cars.

2.2. AB Cars heeft enkele verzekeringen afgesloten bij ASR waaronder een autoverzekering met all risk-dekking voor een Mercedes, type S-klasse 320-C met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de Mercedes) met als ingangsdatum 11 april 2008 (hierna te noemen: de autoverzekering).

2.3. Senso Adviesgroep B.V., de tussenpersoon van AB Cars (hierna te noemen: Senso), heeft op 23 april 2008 bij ASR een telefonische, en op 24 april 2008 een schriftelijke schademelding gedaan betreffende een eenzijdig ongeval van [A] met de Mercedes. Daarbij is gemeld dat [A] op 19 april 2008 in België met de Mercedes van de weg was geraakt en een boom had geraakt/geschampt.

2.4. ASR heeft CED Bergweg ingeschakeld om de schade aan de Mercedes vast te stellen. CED Bergweg heeft daartoe de staat van de Mercedes opgenomen bij Garagebedrijf Van Meeteren te Veen waar de Mercedes door [A] naar toe was gebracht. Blijkens het door CED Bergweg opgestelde rapport van 15 mei 2008 heeft zij de schade getaxeerd op EUR 17.734,45. Inclusief BTW betreft dat volgens dit rapport een bedrag van EUR 21.104,-.

2.5. De Mercedes is medio mei 2008 verkocht aan de firma Van Boxtel te Schelluinen (een opkoper, hierna te noemen: Van Boxtel) voor een bedrag van EUR 8.896,-. Dit bedrag is betaald aan AB Cars.

2.6. Na ontvangst van het door CED Bergweg opgestelde taxatierapport had ASR aan CED Forensic opdracht gegeven een nader onderzoek in te laten stellen naar de toedracht en het ontstaan van de schade. CED Forensic heeft de Mercedes op 25 juni 2008 bij Van Boxtel geïnspecteerd en gefotografeerd en op 22 juli 2008 haar rapport uitgebracht.

2.7. Op 3 september 2008 heeft ASR AB Cars gemeld dat er geen dekking wordt verleend onder de autoverzekering op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 5, van de Algemene Voorwaarden. Ook wordt daarbij aangekondigd dat alle bij ASR lopende verzekeringen worden beëindigd, de opzegging wordt doorgegeven aan het Centraal Informatiesysteem (CIS) en AB Cars wordt opgenomen in het IVR (Intern Verwijzingsregister) en het EVR (Extern Verwijzingsregister).

2.8. In overleg tussen partijen zijn deze maatregelen opgeschort in afwachting van een in opdracht van AB Cars door Extenso Schademanagement & Taxatie B.V. (hierna te noemen: Extenso) op te maken contra-expertiserapport. Dit rapport is op 23 januari 2009 uitgebracht. Nadat dit rapport aan ASR ter beschikking was gesteld heeft zij AB Cars met haar bericht van 2 februari 2009 kenbaar gemaakt dat dit rapport voor haar geen aanleiding is (alsnog) tot vergoeding over te gaan en dat zij de aangekondigde maatregelen zal gaan uitvoeren.

2.9. In afwachting van de uitkomsten van de onderhavige procedure heeft ASR voornoemde maatregelen alsnog opgeschort.

3. De vordering

in conventie

3.1. AB Cars vordert dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht wordt verklaard dat ASR tekort is geschoten in de nakoming van de met AB Cars gesloten overeenkomst en dat ASR uit dien hoofde jegens AB Cars aansprakelijk is voor de door AB Cars als gevolg daarvan te lijden schade,

II. ASR wordt veroordeeld om aan AB Cars te voldoen een bedrag van EUR 21.104,- te vermeerderen met wettelijk rente vanaf 1 juli 2008 tot aan de voldoening,

III. ASR wordt verboden uitvoering te geven aan de aangekondigde maatregelen te weten:

- het doorgeven van de opzegging van de verzekering aan het CIS

- opname van de gegevens van AB Cars in het IVR en het EVR op straffe van een dwangsom van EUR 50.000,-

IV. ASR wordt veroordeeld tot betaling van EUR 4.088,87 ten titel van buitengerechtelijke kosten

V. ASR wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede in de nakosten.

3.2. ASR voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

in reconventie

3.3. ASR vordert - kort gezegd - dat AB Cars wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, de expertisekosten en de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

3.4. AB Cars voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. AB Cars baseert haar vordering op de stelling dat ASR ten onrechte uitkering weigert onder de autoverzekering. ASR stelt niet gehouden te zijn tot uitkering omdat (1) [A] niet zo snel mogelijk alle informatie en stukken heeft verstrekt, (2) hij opzettelijk onware of onvolledige mededelingen heeft gedaan of laten doen en (3) hij het onderzoek heeft vertraagd en gefrustreerd door niet mee te werken aan het verstrekken van informatie en stukken, door te weigeren een verklaring af te leggen en door geen namen van getuigen te noteren. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2. In artikel 7:941, lid 2 van Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) is bepaald dat de verzekeringnemer verplicht is binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen. Uit lid 3 van dit artikel volgt dat het niet nakomen van deze verplichting ertoe kan leiden dat de verzekeraar de uitkering verminderd met de schade die hij daardoor lijdt. Lid 4 bepaalt dat het vervallen van een utkering in dat geval slechts kan worden bedongen voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad. Lid 5 ten slotte bepaalt dat recht op uitkering vervalt indien het niet nakomen van de verplichting als opgenomen in lid 1 en 2 geschied met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover deze misleiding het verval van recht op uitkering niet rechtvaardigt.

4.3. In de Algemene Voorwaarden welke volgens partijen op de autoverzekering van toepassing zijn, is in artikel 6 (onder meer) bepaald dat geen dekking wordt verleend

‘als de verzekerde over een schade, ongeval of gebeurtenis opzettelijk onware of onvolledige mededelingen doet of laat doen.’

In artikel 7 is (voor zover thans relevant) bepaald:

‘2. Het verstrekken van informatie

De verzekerde moet zo snel mogelijk alle originele bewijsstukken, gegevens en documenten die voor ons van belang zijn om onze uitkeringsverplichting te kunnen beoordelen, aan ons toezenden, of als deze door ons is/zijn ingeschakeld aan de betreffende deskundige(n). (…)

3. Het verlenen van medewerking

De verzekerde moet

- aanwijzingen van ons, van de door ons aangewezen deskundigen (…) opvolgen

- zijn volledige medewerking verlenen aan de schaderegeling en onderzoeken

- alles nalaten wat onze belangen kan schaden

(…)

4. Sanctie bij niet nakomen van verplichtingen

In de algemene voorwaarden en in de Bijzondere Voorwaarden zijn verplichtingen opgenomen. (…) De verzekerde kan geen enkel recht aan de verzekering ontlenen als hij één of meer van deze verplichtingen, niet is nagekomen en hij:

a. daardoor onze belangen heeft geschaad en/of

b. het opzet had om ons daardoor te misleiden. Dit geldt niet als de misleiding

het verval van rechten niet rechtvaardigt.’

4.4. Ter onderbouwing van haar stellingen dat AB Cars zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden (zie hiervoor onder 4.1) heeft ASR verwezen naar de inhoud van het rapport van CED Forensic. Daarin is als conclusie opgenomen dat er redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de schadeclaim en de opgegeven staat van de Mercedes vóór het geclaimde schade-evenement. Redenen zijn onder andere gelegen in de aanschafnota van de Mercedes, de kilometerstand, het schadebeeld aan de Mercedes, het ontbreken van sporen op de gestelde plaats van het ongeval en het niet kunnen noemen van getuigen van het ongeval en het niet kunnen duiden van de exacte locatie van het ongeval. Ook heeft ASR gewezen op het feit dat het rechtervoorwiel en de voorste luchtveringsystemen bleken te zijn verwisseld op het moment dat de opkoper de Mercedes wilde ophalen. In de contra-expertise van Extenso is op het een en ander gereageerd. De rechtbank zal de door ASR aangevoerde punten thans behandelen.

De factuur

4.5. Door AB Cars is op 16 juni 2008 aan ASR een door [D] opgemaakte verkoopfactuur overgelegd met als aanhef ‘verkoopfactuur marge auto’, met als factuurdatum 28 februari 2008 en met een verkoopprijs van EUR 28.500,-. Deze verkoopfactuur is voorzien van de handtekening van verkoper en koper.

4.6. Omtrent de aanschaf van de Mercedes is zijdens AB Cars verklaard dat deze op

20 maart 2008 is gekocht van een onbekend gebleven persoon die bij het bedrijf van AB Cars kwam en de Mercedes te koop aanbood. Onder overlegging van de papieren is aan deze persoon EUR 28.500,- cash betaald en is een vrijwaringsbewijs overhandigd. De Mercedes is vervolgens op de handelsvoorraad van AB Cars gezet. De factuur is 2 of 3 weken na de koop over de post ontvangen. Dat de Mercedes als marge-auto is gekocht is een gevolg van het feit dat de Mercedes eens van een particulier is geweest (waarmee het een marge-auto is geworden) en deze daarna nimmer meer een BTW-auto kan worden.

4.7. De rechtbank stelt vast dat de datum van deze factuur niet de datum is waarop de Mercedes volgens de verklaring zijdens AB Cars is gekocht. Ook stelt de rechtbank vast dat zijdens AB Cars geen duidelijkheid is gegeven over de vraag van wie de Mercedes is gekocht. Desgevraagd heeft [A] tijdens de comparitie van partijen enkel verklaard dat het niet de heer [D] is en dat hij evenmin denkt dat het de persoon is op wiens naam de Mercedes stond tot 20 maart 2008.

4.8. Voor wat betreft de status van marge-auto merkt de rechtbank op dat het juist is, zoals AB Cars stelt, dat een zakelijke koper die een auto in haar bedrijfsvoorraad opneemt, de keuze heeft een marge-auto of een BTW-auto te kopen. Het kopen van een marge-auto betekent enkel dat het niet mogelijk is om betaalde BTW terug te vorderen. Daarmee is evenwel niet verklaard hoe het mogelijk is dat een auto die op naam van een onderneming staat (op het moment van de koop door AB Cars op naam van [C], zo blijkt uit de geschiedenis van de RDW), gekocht wordt als marge-auto. Indien een zakelijk verkoper een occasion verkoopt wordt het immers per definitie een BTW-auto. Dat een auto die eens van een particulier is geweest (waarmee het een marge-auto is geworden) nimmer meer een BTW-auto kan worden, zoals AB Cars betoogt, is dan ook niet juist.

4.9. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat er vragen rijzen over de door AB Cars gestelde gang van zaken omtrent de aanschaf van de Mercedes. Ook is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van AB Cars had gelegen daar verdere duidelijkheid over te verschaffen. Voor de onjuiste datum van de factuur heeft AB Cars geen enkele verklaring gegeven. Door Extenso is over deze discrepantie tussen de aankoop- en de factuurdatum opgemerkt dat het aannemelijk is ‘dat de daadwerkelijke aankoop van de Mercedes en het opmaken van de factuur c.q. aflevering niet met elkaar overeenkomen’ maar ook daarin kan geen verklaring worden gevonden voor het feit dat de factuurdatum 21 dagen eerder ligt dan de door AB Cars gestelde aankoopdatum. De stelling van AB Cars dat het in deze branche niet ongebruikelijk is dat een onbekende een auto te koop aanbiedt waarvoor vervolgens zonder ontvangst van een kwitantie een bedrag van EUR 28.500,- contant wordt betaald en waarvoor eerst later een factuur wordt ontvangen, is evenmin voldoende om de ontstane vragen op dit punt te kunnen wegnemen. Dit geldt temeer nu de Mercedes bij de RDW op 28 februari 2008 stond geregistreerd op naam van [B] en daarna nimmer op een andere naam is geregistreerd; derhalve ook niet op naam van de gestelde verkoper [D]. Eerst op 20 maart 2008 is de Mercedes op de naam van AB Cars gezet. Ook daarom had een nadere toelichting op dit punt op de weg van AB Cars gelegen. Ten slotte kan evenmin de door AB Cars gegeven verklaring voor de omstandigheid dat op de factuur is vermeld dat een marge-auto is gekocht terwijl deze op naam van [C] (een bedrijfsmatig verkoper) stond geregistreerd, als afdoende worden beschouwd.

De kilometerstand

4.10. De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat de kilometerstand van de Mercedes op 3 maart 2008 314290 en op 19 april 2008 314536 was. Hieruit volgt volgens haar dat in deze periode niet meer met de Mercedes kan zijn gereden dan 248 kilometer.

4.11. Verder wordt vastgesteld dat in het door CED Forensic ingestelde onderzoek namens [C] is verklaard dat de Mercedes vanaf Barneveld (waar de kilometerstand van 314290 is genoteerd) rijdend naar Bergen op Zoom is gekomen en daar vandaan rijdend is weggegaan. Uit de door de heer [D] afgelegde verklaring volgt dat hij de Mercedes van een passant heeft gekocht in Arkel en aan een passant heeft verkocht waarbij de Mercedes rijdend is opgehaald. Uit de verklaring van [A] volgt dat hij de Mercedes heeft gekocht van iemand die de Mercedes rijdend bij hem heeft gebracht, hij met de Mercedes naar Peer, en van Peer naar de ongevallocatie in Reppel is gereden. Uit de door ASR overgelegde en niet betwiste berekening volgt dat met die route 378 kilometer is gemoeid.

4.12. ASR heeft er op gewezen dat uit deze verklaringen blijkt blijkt dat de Mercedes sedert 3 maart 2008 meer dan 248 kilometer moet hebben gereden. Derhalve kan volgens haar getwijfeld worden aan de door AB Cars opgegeven route en het gemelde schadevoorval.

4.13. Vorenstaande stelling van ASR omtrent de kilometerstand heeft AB Cars betwist met de (ook door Extenso ingenomen) stelling dat er met een auto die inhoudt en ernstig olie lekt niet van Barneveld naar Bergen op Zoom is te rijden. In de dagvaarding heeft AB Cars over dit punt gesteld dat de afstand van Veen naar Reppel (in België) 128 kilometer betreft en de overige kilometers gemakkelijk kunnen worden verklaard door diverse korte ritten in en om Veen door zowel [A], diens collega’s als potentiële kopers.

4.14. De rechtbank is van oordeel dat AB Cars ook op dit punt onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de laatste kilometerstand is/zou kunnen zijn ontstaan. Door AB Cars is weliswaar betwist dat de door ASR genoemde rit van Barneveld naar Bergen op Zoom rijdend heeft plaatsgevonden maar nu AB Cars niet geacht kan worden kennis te hebben van de precieze mate van inhouden van de motor en/of de precieze mate van olielekkage kan aan die stelling geen waarde worden toegekend. Dat dergelijke kennis bij haar wel bestond is niet gesteld. Dat aan deze stelling geen waarde kan worden toegekend geldt temeer nu geen enkele reden is gesteld of gebleken op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de verklaring van [C].

4.15. Aan de stelling van AB Cars dat nog diverse korte ritten in en om Veen door zowel [A], diens collega’s als potentiële kopers zijn gemaakt zal de rechtbank voorbijgaan nu het aannemen van deze stelling er enkel toe leidt dat de Mercedes nog meer dan de genoemde 378 kilometer geacht dient te worden te hebben gereden.

Het schadebeeld aan de Mercedes

4.16. In het rapport van CED Forensic, waarbij enkele foto’s van de schade aan de Mercedes zijn gevoegd, is over het schadebeeld opgemerkt dat uit de inspectie bleek dat:

‘- Er geen enkele aanwijzing of sporen aanwezig waren, welke op een aanrijding met een boom konden wijzen. Het sporenbeeld kwam in het geheel niet overeen met een aanrijding waarbij een boom geschampt moet zijn.

- De auto over de gehele zijkant een schade heeft ter hoogte van 80 en 90 centimeter.

- Aan de rechterzijde een deuk aanwezig is die doorloopt in de gehele schade, doch dit een andere stootrichting heeft en niet overeenkomt met een aanrijding zoals is opgegeven.

- Aan de bovenzijde van het rechter voorspatbord een beschadiging aan de bovenzijde aanwezig is, welke niet overeenkomt met de opgegeven aanrijding met een boom.

- Witte verf op de schadeplaats aanwezig is.’

4.17. Zijdens AB Cars is omtrent dit punt opgemerkt dat de schade aan de zijkant wel degelijk duidt op een aanrijding met een boom en de witte verf is te verklaren door aangebrachte witte verf op de boom als vorm van reflectie. Tijdens de comparitie van partijen heeft [A] deze stelling nog aangevuld en aangevoerd dat er na de aanrijding nog geen deuk achterin de Mercedes zat en de bobbel boven op het rechter voorspatbord er, voor zover hij zich kon herinneren, ook niet zat na de aanrijding. Extenso heeft terzake dit punt opgemerkt dat de foto’s aan [A] zijn getoond en hij daarbij heeft aangegeven dat hem de schade aan de auto, zoals die op de foto’s zichtbaar is, vreemd voorkomt. Ook is opgemerkt dat de foto’s twee maanden na het ongeval zijn gemaakt en op een andere plaats dan waar de auto door [A] was geplaatst.

4.18. Hoewel onderkent dient te worden dat de foto’s geruime tijd na de aanrijding zijn gemaakt en op een andere plaats dan waar de gestelde aanrijding heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat ASR ook op dit punt terecht vraagtekens zet bij de gestelde toedracht van het ongeval. Daargelaten de mogelijkheid dat de witte verf op de Mercedes van verf (ter reflectie op de boom aangebracht) afkomstig kan zijn is er geen enkele plausibele verklaring gegeven voor het feit dat aan de achterzijde van de Mercedes schade is geconstateerd. Uit het feit dat CED Forensic aangeeft dat deze schade doorloopt in het gehele schadebeeld volgt dat het niet zonder meer aannemelijk is dat deze schade is ontstaan eerst nadat de aanrijding heeft plaatsgevonden.

4.19. Ook de stelling van AB Cars dat het schadebeeld aan de zijkant van de Mercedes wel degelijk overeenkomt met die na een aanrijding met een boom kan niet als afdoende betwisting van de constateringen van de onderzoeker van CED Forensic worden bestempeld. Deze onderzoeker heeft de Mercedes feitelijk gezien en de schade beoordeeld. Daarnaast is, zo blijkt uit het rapport van CED Forensic, door CED Bergweg ook nog geconstateerd dat sporen van boom, schors o.i.d. niet werden aangetroffen op de Mercedes. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van AB Cars gelegen deze bevindingen nader te betwisten dan zij thans heeft gedaan.

4.20. Ook voor het feit dat aan de bovenzijde van het rechter voorspatbord een beschadiging aanwezig is, heeft AB Cars geen verklaring kunnen geven. Nu niet is gesteld dat deze beschadiging doorloopt in het totale schadebeeld van de Mercedes is evenwel niet te sluiten dat deze beschadiging is ontstaan op enig moment na de aanrijding zodat aan deze constatering geen waarde kan worden gehecht.

4.21. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat ook op dit punt voor ASR terecht aanleiding bestond te twijfelen aan de melding van AB Cars.

Het ontbreken van sporen op de gestelde plaats van het ongeval en het niet kunnen noemen van getuigen van het ongeval en het niet kunnen duiden van de exacte locatie van het ongeval

4.22. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat ook het feit dat [A] de gestelde ongevalslocatie niet exact heeft kunnen aangeven, een aspect betreft op grond waarvan twijfel over de exacte toedracht ontstaat. Dit knelt temeer nu hij geen namen van getuigen heeft genoteerd waardoor een nader onderzoek door ASR op dit punt illusoir is geworden. De mogelijkheid dat het ‘in het systeem’ van [A] zit om dit soort dingen, als het terug naar Nederland brengen van de Mercedes, zelf te regelen doet niets af aan de mogelijkheid dat hij één van de hem behulpzame personen naar diens gegevens had gevraagd teneinde zijn stellingen op dit punt nader te kunnen onderbouwen. Bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen zijn bij ASR begrijpelijk vraagtekens ontstaan bij de exacte beweegredenen van de heer [A] om dit achterwege te laten.

Het verwisselde rechtervoorwiel en de voorste luchtveringsystemen

4.23. ASR heeft gesteld dat het rechtervoorwiel en de voorste luchtveringsystemen bleken te zijn verwisseld toen Van Boxtel de Mercedes kwam ophalen. Hij had de Mercedes gekocht aan de hand van foto’s en, zo begrijpt de rechtbank, op het moment dat deze foto’s werden gemaakt, waren deze onderdelen nog niet vervangen. Door [A] is in dit verband verklaard dat de Mercedes vier lichtmetalen velgen had toen hij deze bij Van Meeteren achterliet.

4.24. Niet is uit te sluiten dat het wiel en de vering zijn vervangen door iemand zonder dat AB Cars daarbij betrokken is. Bezien in het licht van de ontstane twijfels over de toedracht van het ongeval is evenwel evenmin uit te sluiten dat deze onderdelen zijn vervangen, bijvoorbeeld, ter voorkoming van de mogelijkheid de juiste toedracht van het ongeval te achterhalen. Hoewel geen van partijen op dit punt duidelijkheid kan verschaffen is de rechtbank van oordeel dat ook deze feitelijke gang van zaken begrijpelijkerwijs voor ASR extra reden is geweest haar vraagtekens te zetten bij de juiste toedracht van het ongeval.

Conclusie

4.25. Uit het vorenstaande volgt dat AB Cars ASR op verschillende onderdelen onvolledig heeft geïnformeerd. Zo had het op haar weg gelegen nadere uitleg te geven over de datum van de factuur, over de persoon van wie de Mercedes is gekocht, over de marge-status van de Mercedes en over de plaats waar en de wijze waarop het ongeval heeft plaatsgevonden door, bijvoorbeeld, het noemen van getuigen. Nu zij dit alles, desgevraagd en daartoe meer malen in de gelegenheid gesteld, heeft nagelaten zonder daartoe een afdoende verklaring voor te kunnen geven, is rechtbank van oordeel dat ASR er gerechtvaardigd van uit is gegaan dat zijdens AB Cars opzettelijk onvolledige mededelingen zijn gedaan.

4.26. Op grond van het bepaalde in artikel 7:941, lid 4 BW en op grond van het bepaalde in de artikelen 6 en 7 van de Algemene Voorwaarden is de rechtbank dan ook van oordeel dat ASR terecht dekking onder de autoverzekering heeft geweigerd omdat AB Cars haar opzettelijk onvolledige informatie heeft verschaft. Daardoor heeft ASR geen onderzoek kunnen doen naar de exacte toedracht van het gemelde ongeval en heeft zij de geclaimde schade niet nader kunnen onderzoeken. Daarmee is haar tevens de mogelijkheid ontnomen om te onderzoeken of de schade aan het voertuig inderdaad op een wijze is ontstaan als door AB Cars gemeld of dat de schade aan de Mercedes op een andere wijze is ontstaan. De verklaring van [A] daargelaten is een andere oorzaak voor de schade thans immers niet uit te sluiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat AB Cars daarmee de gerechtvaardigde belangen van ASR heeft geschaad. De vordering van AB Cars als hiervoor opgenomen in 3.1 onder I en II zullen dan ook worden afgewezen.

Het CIS, het IVR en het EVR

4.27. Naar AB Cars -omtrent zijn vordering op deze punten- bij dagvaarding heeft gesteld zijn het doorgegeven van de opzegging van de verzekeringen aan het CIS en opname van AB Cars in het IVR en het EVR onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd en buiten proportie. Tijdens de comparitie van partijen is in dit verband nog aangevoerd dat er geen reden is tot melding in de genoemde registers omdat er geen sprake is van opzettelijke benadeling van ASR.

4.28. Door ASR is gemotiveerd aangegeven dat deze maatregelen naar haar mening gerechtvaardigd zijn. Het onderhavige geval valt binnen de werkingssfeer van het Fraudeprotocol, het Deltaplan Aanpak Fraude bij Schadeverzekeringen en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen, waaraan zij zich strikt dient te houden.

4.29. De rechtbank stelt vast dat in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen criteria zijn vastgelegd voor opname in het Incidentenregister (artikel 4.2), het IVR (artikel 5.2) en het EVR (artikel 6.2).

4.30. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat er (gezien de in 4.1 genoemde doelstellingen) gerede aanleiding bestond AB Cars in het Incidentenregister op te nemen waarmee aan het in 4.2 genoemde criterium is voldaan.

4.31. Dit geldt onverkort voor opname in het IVR nu er sprake is van een (redelijk vermoeden) van opzettelijke benadeling van ASR en van het overtreden van voorschriften gericht tegen ASR (zie artikel 5.2).

4.32. Naar het oordeel van de rechtbank is tevens voldaan het 1e en het 3e in artikel 6.2 opgenomen vereiste voor opname in het EVR, nu er sprake is van (1) activiteiten van AB Cars die een bedreiging kunnen zijn voor de financiële belangen van ASR en (3) betrokkenheid van AB Cars bij een (poging tot) benadeling van ASR van zodanige aard dat ASR de relatie met AB Cars heeft opgezegd of het besluit daartoe heeft genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.2 dient evenwel voorts een proportionaliteitsafweging plaats te vinden waarbij wordt vastgesteld dat het belang van opname prevaleert boven de mogelijke nadelige gevolgen voor betrokkene als gevold van de opname.

4.33. ASR heeft omtrent deze proportionaliteitseis gewezen op het bij haar geschonden vertrouwen, de maatschappelijke onaanvaardbaarheid van fraude en het feit dat [A] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat hij wist dat daaraan het risico was verbonden van zeer zware consequenties. De rechtbank kan de (impliciete) stelling van ASR dat vast is komen te staan dat sprake is van fraude evenwel niet onderschrijven. Zoals hiervoor geoordeeld is komen vast te staan dat AB Cars haar opzettelijk onvolledige informatie heeft verschaft door desgevraagd geen duidelijkheid te verschaffen over openstaande vragen aangaande de Mercedes en het schadevoorval maar of dat het doel had ASR te misleiden of fraude te plegen is niet vast komen te staan. Daarvan zou sprake zijn indien AB Cars ASR opzettelijk onjuist of onvolledig had geïnformeerd omdat er een ander schadevoorval heeft plaatsgevonden dan door AB Cars aan ASR voorgesteld maar dat is niet komen vast te staan. Zoals hiervoor bepaald heeft ASR de exacte toedracht van het gemelde ongeval en de geclaimde schade niet nader kunnen onderzoeken en daarmee is haar tevens de mogelijkheid ontnomen om te onderzoeken of de schade aan de Mercedes inderdaad op een wijze is ontstaan als door AB Cars gemeld of dat deze schade op een andere wijze is ontstaan. Dát de schade daadwerkelijk op de wijze als door AB Cars voorgesteld is ontstaan, is op grond van hetgeen thans voorligt immers niet uit te sluiten zodat evenmin kan worden aangenomen dat sprake is van fraude. Mede gelet op de zeer grote gevolgen die opname voor AB Cars heeft is de rechtbank dan ook van oordeel dat van een juiste proportionaliteitsafweging geen sprake is.

4.34. Omtrent de vereisten voor opname in het CIS heeft ASR niets aangevoerd. Dit terwijl een nadere toelichting op dat punt door haar, gezien de stellingen van AB Cars bij dagvaarding, wel op haar weg had gelegen. De verwijzing door ASR naar het Fraudeprotocol, het Deltaplan Aanpak Fraude bij Schadeverzekeringen en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen kan niet als nadere toelichting dienen nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien op grond waarvan deze stukken als rechtvaardiging voor opname in het CIS kunnen gelden. De vordering van AB Cars zal op dit punt dan ook worden toegewezen.

4.35. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van AB Cars met betrekking tot haar opname in het IVR zal worden afgewezen en die met betrekking tot haar opname in het EVR en het CIS zal worden toegewezen. De stelling van AB Cars dat er geen reden is tot melding in de genoemde registers omdat er geen sprake is van opzettelijke benadeling van ASR kan aan het vorenstaande oordeel (omtrent opname in het IVR) niets afdoen reeds omdat hiervoor al is geoordeeld dat er van opzettelijke benadeling, wel degelijk sprake is.

4.36. De (hoogte van de) door AB Cars gevorderde dwangsom is door haar niet nader onderbouwd. Aangezien ASR tot op heden bereid is geweest de voorgenomen maatregelen op te schorten ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat ASR niet zal voldoen aan een door de rechtbank opgelegd verbod zodat de gevorderde dwangsom zal worden afgewezen.

4.37. Ook de overige vorderingen zullen worden afgewezen.

4.38. AB Cars zal als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

- vast recht EUR 575,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten x tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.733,00

in reconventie

4.39. Naar ASR stelt staat vast dat de heer [A] het opzet had haar te misleiden. Dat levert volgens haar een onrechtmatige daad en/of een wanprestatie op jegens ASR op grond waarvan zij onnodig kosten heeft moeten maken. Als ASR bij de schademelding de ware stand van zaken had gekend omtrent het vermeende schadevoorval, had zij nooit de buitengerechtelijke (onderzoeks)kosten gemaakt.

4.40. AB Cars heeft zich tegen deze vordering verweert en daartoe tijdens de comparitie van partijen aangevoerd dat het door ASR tegen de vordering in conventie gevoerde verweer, op dit punt door haar gevoerd kan worden.

4.41. De rechtbank kan de stelling van ASR dat is vast komen te staan dat de heer [A] het opzet had haar te misleiden niet onderschrijven. Zoals hiervoor in conventie geoordeeld is komen vast te staan dat AB Cars haar opzettelijk onvolledige informatie heeft verschaft door desgevraagd geen duidelijkheid te verschaffen over openstaande vragen aangaande de Mercedes en het schadevoorval, maar of dat het doel had ASR te misleiden is niet vast komen te staan. Dát de schade daadwerkelijk op de wijze als door AB Cars voorgesteld is ontstaan, is zoals hiervoor reeds geoordeeld, op grond van hetgeen thans voorligt immers niet uit te sluiten.

4.42. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stellingen van ASR op dit punt haar vordering niet kunnen dragen en deze zullen dan ook worden afgewezen.

4.43. ASR zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van AB Cars begroot op EUR 192,00 (0,5 punt x tarief EUR 384,00) voor advocaatkosten.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verbiedt ASR uitvoering te geven aan de aangekondigde maatregelen te weten:

- het doorgeven van de opzegging van de verzekeringen aan het CIS en,

- opname van de gegevens van AB Cars in het ERV,

5.2. wijst de vorderingen voor het overige af,

5.3. veroordeelt AB Cars in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op EUR 1.733,00,

5.4. verklaart het in 5.1 en 5.3 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af,

5.6. veroordeelt ASR in de proceskosten, aan de zijde van AB Cars tot op heden begroot op EUR 192,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2009.?

AvM/MH