Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5874

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
234140 / HA ZA 07-1380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak van een gemeente tegen een predikant.

In conventie: vordering vernietiging kerkelijke uitspraken afgewezen. Partijen en zijn gebonden aan de kerkelijke uitspraken.

In conventie en reconventie: voor het overige gaat het in de kern om de financiele afwikkeling van de arbeidsrelatie die tussen partijen heeft bestaan. In dat verband is uitleg en uitvoering van een kerkelijke regeling aan de orde, waarvoor partijen bij een kerkelijke commissie moeten zijn en niet bij de gewone rechter. Om die reden wordt in conventie de gemeente voor een deel van haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, en in reconventie de predikant in al zijn vorderingen niet-onvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2010, 42
AR-Updates.nl 2009-0943
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 234140 / HA ZA 07-1380

Vonnis van 2 december 2009

in de zaak van

de kerkelijke rechtspersoon

HERVORMDE GEMEENTE REHOBOTH,

gevestigd te Sint Maartensdijk,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. drs. J. Wouters,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. Th.H.P. van den Kieboom.

Partijen zullen hierna Rehoboth en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 7 mei 2008;

• de conclusie van antwoord in reconventie;

• het proces-verbaal van comparitie van 1 december 2008;

• de brieven van [gedaagde] van 18 december 2008 en Rehoboth van 23 december 2008, in vervolg op de ter comparitie gemaakte afspraken toegezonden ten behoeve van de rolzitting van 24 december 2008 zodat de rechtbank de brieven als akte aanmerkt.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is vanaf 1991 als predikant werkzaam geweest voor Rehoboth. Naast de werkzaamheden voor Rehoboth verrichtte [gedaagde] vanaf een zeker moment werkzaamheden als consulent in twee andere gemeentes.

2.2. In een verslag van [gedaagde] van zijn werkzaamheden over 2000, te bespreken in de vergadering van de kerkenraad van februari 2001, staat, voor zover hier van belang:

De werkdruk in de gemeente leidt reeds permanent tot werkweken van rond de 80 uren en daarboven. (…) Ik kan duidelijk minder bezoeken brengen – en dat geldt met name voor de oudere gemeenteleden. Dit effect is nog versterkt door het consulentschap van de Hervormde gemeente Immanuel te Tholen. Sinds 4 juni wordt dit door mij vervuld. Formeel heeft de gemeente Immanuel recht op één dag = twee dagdelen consulentschap. Elk uur dat ik echter besteed aan de gemeente Immanuel is direct een vermindering op het bezoekwerk in de gemeente Rehoboth – het aantal werkuren kan ik niet uitbreiden. De vergoeding voor dit consulentschap dat behoort toe te vallen aan de predikant, zodat hij dit consulentschap eventueel in extra uren kan vervullen, valt nu toe aan de gemeente Rehoboth.

Zij neemt dus óf genoegen met een vermindering aan bezoekwerk, óf zij belast een ander met dit bezoekwerk en gebruikt daarvoor deze gelden. Dat is een keuze die de kerkenraad van de Hervormde gemeente Rehoboth maakt.

2.3. In de notulen van de vergadering van de kerkenraad van 27 maart 2001 staat, voor zover hier van belang:

Ds. [gedaagde] stelt: 'de kerkenraad neemt of genoegen met een vermindering aan bezoekwerk, of zij belast een ander met dit bezoekwerk en gebruikt daarvoor de gelden die van de Herv.gemeente Immanuël binnenkomen'. [A] en [B] zullen gaan bekijken welke werkzaamheden kunnen vervallen of door andere mensen overgenomen kunnen worden. De kerkenraad gaat akkoord met het moderamen om een gesprek hierover met ds. [gedaagde] aan te gaan.”

2.4. Per 1 januari 2002 heeft Rehoboth en kerkelijk werker aangesteld. Aan de kerkelijk werker is over 2002 betaald EUR 7.143,20 exclusief pensioen en sociale lasten en over 2003 EUR 7.213,49.

2.5. Op de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en Rehoboth is van toepassing de Generale regeling predikantstraktementen (hierna: de generale regeling of GRPT).

2.6. Artikel 19a GRPT – dat tot 1 januari 2005 van kracht is geweest – luidt, voor zover hier van belang:

1. Het college van kerkvoogden verrekent inkomsten van de predikant, welke verbonden zijn aan door hem verrichte nevenwerkzaamheden, met de uitbetaling van de aanvangswedde overeenkomstig een daartoe door de raad voor de predikantstraktementen opgestelde tabel.(…)

3. Een predikant die inkomsten uit nevenwerkzaamheden geniet, doet van die inkomsten per kalenderkwartaal opgave aan het college van kerkvoogden, bij gebreke waarvan dit college bevoegd is de uitbetaling van de aanvangswedde op te schorten, totdat deze opgave is verstrekt.

4. Omtrent de in het vorige lid van dit artikel bedoelde opgave worden nadere voorschriften gegeven door de raad voor de predikantstraktementen, die tevens een omschrijving geeft van hetgeen binnen het kader van de gestelde regeling voor verrekening in aanmerking komt.

2.7. Met ingang van 1 januari 2005 is artikel 19a GRPT vervangen door artikel 26 GRPT dat, voor zover hier van belang, luidt:

3. Indien de predikant (…) inkomsten geniet uit nevenwerkzaamheden vindt een inhouding op zijn traktement plaats overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen ter zake.

2.8. Artikel 42 GRTP luidt:

1. Meningsverschillen inzake de uitleg en toepassing van deze generale regeling, met uitzondering van de in artikel 41 genoemde bezwaren worden voorgelegd aan de commissie van beroep.

(…)

3. Tegen de beslissing van de commissie van beroep kan bezwaar worden ingediend bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (…).

2.9. Artikel 36 GRTP luidt, voor zover hier van belang:

2. Indien aan de waarneming van de ambtswerkzaamheden meer tijd wordt besteed dan gemiddeld zes uur per week, wordt door de betreffende gemeente aan de predikant een consulentenvergoeding betaald.

2.10. Aan [gedaagde] is in overeenstemming met artikel 36 GRTP door de gemeentes waarvoor hij als consulent werkte, een consulentenvergoeding betaald.

[gedaagde] heeft de door hem ontvangen consulentenvergoedingen overgemaakt op de bankrekening van Rehoboth. In 2002 heeft [gedaagde] aan consulentenvergoeding EUR 4.832,00 aan Rehoboth doorbetaald; in 2003 EUR 4.758,00.

2.11. [gedaagde] heeft zich op 2 september 2003 ziek gemeld en is tijdens zijn ziekte, met ingang van 25 november 2003, vrijgesteld van het verrichten van zijn werkzaamheden. De situatie heeft voortgeduurd tot 1 mei 2006, per welke datum [gedaagde] van Rehoboth is losgemaakt en [gedaagde] niet langer aan Rehoboth is verbonden.

2.12. Tussen [gedaagde] en (het college van kerkrentmeesters van) Rehoboth is een conflict ontstaan over onder meer de telefoonkosten die volgens Rehoboth voor rekening van [gedaagde] dienden te komen. Nadat Rehoboth in 2005 in verband met betaalde en door [gedaagde] niet terugbetaalde telefoonkosten bedragen op zijn salaris is gaan inhouden, heeft [gedaagde] bij brief van 14 juni 2005 het inmiddels gerezen geschil met Rehoboth over de uitbetaling en verrekening van vergoedingen voorgelegd aan de commissie als bedoeld in het hierboven aangehaald artikel 42 lid 3 GRPT (hierna: de Commissie).

2.13. De Commissie heeft in dit geschil uitspraak gedaan op 28 november 2005.

De Commissie heeft met betrekking tot de consulentenvergoeding het volgende overwogen:

Ds. [gedaagde] vraagt

• in zijn brief van 14 juni 2005 een uitspraak van de Commissie van Beroep over de door hem verlangde terugbetaling van de door hem aan het college van kerkrentmeesters in 2003 doorbetaalde consulentschapgelden ad € 4.758

• in zijn brief van 15 september 2005 tevens een uitspraak over de terugbetaling van de door hem in 2002 doorbetaalde consulentschapgelden ad € 4.832

Ds. [gedaagde]

• definieert in zijn brief van 15 september 2005 de doorbetaling van de consulentschapgelden als een voorschot op door hem aan de gemeente te betalen kosten voor het privégebruik van de telefoon in de pastorie. (…)

• voegt daar in zijn brief van 24 oktober 2001 aan toe dat de doorbetaling aanvankelijk geschiedde vanwege onduidelijkheid over deze gelden in verband met het bestaan van een quasi-pastoraal verband tussen Rehoboth en de vacante gemeente Immanuél; een onduidelijkheid die door het breed ministerie van de ring is opgelost door uit te spreken dat de gelden rechtens aan Ds. [gedaagde] toekomen.

• verklaart in zijn brief van 24 oktober 2005 nader in de jaren 2000 en 2001 per jaar besloten te hebben om openstaande bedragen (d.i. het verschil tussen de doorbetaalde consulentschapgelden en te verrekenen kosten voor telefoon en andere zaken) aan de gemeente te schenken, zonder dat daarbij sprake was van een structurele toezegging. (…)

• ontkent in zijn brieven van 15 september 2005 en 24 oktober 2005 ten stelligste ingestemd te hebben met een doorbetaling van de consulentschapgelden (…) om een kerkelijk werker te kunnen financieren; (…).

Het college van kerkrentmeesters

• ziet de doorbetaling van de consulentschapgelden als de uitvoering van een mondelinge overeenkomst, waarbij Ds. [gedaagde] heeft toegezegd dat de door hem ontvangen consulentschapgelden beschikbaar zouden zijn voor de (mede)financiering van een kerkelijk werker; (…).

• (…)

Met betrekking tot het standpunt van het college van kerkrentmeesters constateert de Commissie van Beroep het volgende.

• Het verslag van werkzaamheden 2000 en het verslag van de kerkenraadsvergadering van 27 maart 2001 geven blijk van de bereidheid van Ds. [gedaagde] om de consulentschapgelden in te zetten voor de financiering van de kerkelijk werker. De verslagen hebben echter niet de status van een overeenkomst. Te meer niet daar op 27 maart 2001 naar aanleiding van het verslag van werkzaamheden 2000 is besloten dat kerkenraad en predikant over de werkdruk en de eventuele inzet van een kerkelijk werker verder in gesprek zouden gaan. Met andere woorden, de overeenkomst moest op dat moment nog gesloten gaan worden.

• Een overeenkomst als hierboven bedoeld behoeft de instemming van beide partijen. Door Ds. [gedaagde] wordt instemming desgevraagd nadrukkelijk ontkend. Het college van kerkrentmeesters is niet in staat de bedoelde overeenkomst te overleggen.

Nu het bestaan van een overeenkomst tot overdracht van de consulentschapgelden ter financiering van een kerkelijk werker niet is komen vast te staan, spreekt de Commissie van Beroep uit dat het college van kerkrentmeesters de door Ds. [gedaagde] in 2002 en 2003 doorbetaalde consulentschapgelden aan Ds. [gedaagde] dient te restitueren.”

2.14. De Commissie heeft voorts beslist, voor zover hier van belang, dat [gedaagde] gehouden is opgave te doen van inkomsten uit nevenwerkzaamheden (voor de jaren 2003 en 2004 op grond van artikel 19a GRPT en voor 2005 op grond van artikel 26 GRPT) en dat Rehoboth de inkomsten uit nevenwerkzaamheden van [gedaagde] kan verrekenen.

2.15. Rehoboth heeft bij brief van 28 november 2005 tegen deze uitspraak bezwaren ingediend bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen als bedoeld in artikel 42 lid 4 GRPT (hierna: het College).

2.16. Het College heeft op 17 mei 2006 uitspraak gedaan, daarbij de uitspraak van de Commissie, voor zover deze betrekking heeft op de consulentenvergoeding, bevestigd en daartoe het volgende overwogen:

2. Bevoegheid:

2.1 De kerkenraad betoogt dat de commissie van beroep en het generale college niet bevoegd zijn om te oordelen over de verschuldigdheid van de in de uitspraak van de commissie van beroep als consulentenvergoeding 2002 en 2003 aangeduide gelden, omdat deze niet onder het toepassingsbereik van de generale regeling voor de predikantentraktementen vallen.

2.2 Dat betoog gaat niet op.

Blijkens de stukken (…) is tussen partijen niet in geschil dat hetgeen daarin als 'consulentenvergoeding' cq 'consulentschapsgelden' wordt aangeduid, betrekking heeft op aan de predikant uitgekeerde en door hem aan de (kerkrentmeesters van de) gemeente doorbetaalde bedragen terzake van diens vervulling van het consulentschap in (onder andere) de hervormde gemeente Immanuel te Tholen. Het betreft aldus vergoeding voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 36 van de generale regeling voor de predikantstraktementen.

2.3 Ingevolge artikel 42 van die generale regeling is de commissie van beroep bevoegd om de vraag te beoordelen aan wie bedoelde consulentenvergoeding toekomt en is het generale college bevoegd om kennis te nemen van het bezwaar tegen het daaromtrent gegeven oordeel van die commissie.

(…)

4.2.3 Met betrekking tot de consulentenvergoeding heeft de commissie van beroep op goede gronden overwogen dat noch uit het jaarverslag van de predikant over 2000, noch uit het verslag van de kerkenraadsvergadering van 27 maart 2001 blijkt dat partijen zijn overeengekomen de consulentschapsgelden aan te wenden voor de salariëring van een kerkelijk werker. Van de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst blijkt evenmin uit het verslag van de kerkenraadsvergadering van 29 mei 2001, dan wel uit enig ander door partijen overgelegd stuk. Uit de verklaring van de provinciale kerkvoogdijcommissie der Nederlandse Hervormde Kerk in Zeeland van 28 januari 2002 valt evenmin af te leiden dat de daarin bedoelde financiële verplichtingen van de gemeente inzake de aanstelling van een kerkelijk werker per 1 januari 2002, mede (zullen) worden gedekt door aan de predikant uit te keren consulentschapsgelden. Dat deze gelden in dit geval, in afwijking van de – ook door de kerkenraad erkende – hoofdregel dat zij aan de predikant toevallen, aan de gemeente toekomen, heeft de kerkenraad niet aannemelijk gemaakt. Anders dan de kerkenraad stelt rust de bewijslast in dezen op hem, nu de kerkenraad zich op een terzake gesloten overeenkomst beroept.

Dit bezwaar is ongegrond.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Rehoboth vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I te vernietigen de uitspraak van 28 november 2005 van de Commissie, alsmede de uitspraak van 17 mei 2006 van het College, voor zover deze uitspraken betrekking hebben op de consulentschapgelden en te verklaren voor recht dat voor terugvordering van de betalingen geen wettelijke basis bestaat, nu deze gelden door [gedaagde] niet onverschuldigd zijn betaald;

II [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de bedragen die Rehoboth krachtens de onder I genoemde uitspraken aan [gedaagde] heeft betaald;

III voor recht te verklaren dat tot de opgave die [gedaagde] zal hebben te doen ter zake van de elders verrichte preekbeurten tevens behoren de niet vervulde preekbeurten;

IV voorts [gedaagde] te veroordelen een deugdelijke opgave te verstrekken over genoten neveninkomsten uit bedrijf en elders verrichte preekbeurten.

3.2. De vorderingen onder I en II betreffen de consulentenvergoeding en zijn gebaseerd op de stelling dat de uitspraken van de Commissie van 28 november 2005 en van het College van 17 mei 2006, voor zover betrekking hebben op de consulentenvergoeding, door de rechtbank vernietigd moeten worden. De uitspraak van het College is volgens Rehoboth in strijd is met het recht en onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

3.3. Aan de vordering onder III en IV legt Rehoboth ten grondslag dat:

• preekbeurten die [gedaagde] buiten de gemeente Rehoboth heeft gehouden en inkomsten uit een door hem in 2004 en 2005 gedreven onderneming als nevenwerkzaamheden in de zin van artikel 19a en 26 GRPT moeten worden beschouwd, zodat de inkomsten daaruit door Rehoboth kunnen worden verrekend met zijn salaris;

• eveneens verrekening mag plaatsvinden voor de preekbeurten die [gedaagde] in de eigen gemeente niet heeft gehouden in 2004, 2005 en 2006;

• Rehoboth geen gewaarmerkte stukken heeft ontvangen waaruit blijkt wat de brutoinkomsten zijn geweest.

3.4. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeling van Rehoboth tot betaling van:

i) EUR 3.295,66, zijnde het volgens [gedaagde] ten onrechte ingehouden salaris over de maanden maart en april 2006;

ii) EUR 809,30, zijnde het totaal van de declaratie communicatiekosten van [gedaagde] van 13 december 2005 over de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 november 2003;

iii) EUR 412,- wegens vakliteratuur over 2003;

iv) EUR 412,- wegens vakliteratuur over 2004;

v) EUR 359,- wegens vakliteratuur over 2005 en

vi) EUR 1.144,-, zijnde het over de maanden mei tot en met december 2005 ingehouden bedrag van EUR 143,- per maand op het salaris van [gedaagde];

alle bedragen vermeerderd met rente.

3.6. Rehoboth voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Rehoboth meent dat de uitspraak van het College, waarbij is uitgesproken dat zij de consulentenvergoeding aan [gedaagde] diende te restitueren niet in stand kan blijven en zij voert daartoe onder meer aan dat noch de Commissie, noch het College bevoegd was om te oordelen op het verzoek van [gedaagde] tot terugbetaling van het consulentengeld omdat het daarbij niet gaat om te uitleg of toepassing van een van de generale regeling (GRPT), maar om de vraag of de gelden door [gedaagde] aan Rehoboth zijn geschonken.

4.2. De rechtbank stelt vast dat partijen (ook) ten tijde van de procedure bij het College, het er over eens waren dat aan [gedaagde] op grond van artikel 36 GRPT een vergoeding toekwam voor zijn werk als consulent in vacante gemeentes, en dat die vergoeding hem ook overeenkomstig de GRPT is betaald. Anders dan het College heeft overwogen, blijkt uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken niet dat er een verschil van mening was over de uitleg of toepassing van de bepaling van de generale regeling ten aanzien van de consulentenvergoeding (artikel 36 GRPT); hun geschil zag er op dat Rehoboth de door [gedaagde] overgemaakte bedragen als geschonken aanmerkte terwijl [gedaagde] meende dat het geld hem nog – als een tegoed dat bij de kerkrentmeesters was ondergebracht – toekwam en tegenover de door Rehoboth gevorderde telefoonkosten stond.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat partijen krachtens hun onderlinge rechtsverhouding in beginsel gebonden zijn aan de uitspraken van de Commissie en het College over geschilpunten waarover die kerkelijke instanties krachtens het kerkelijk recht bevoegd zijn te oordelen. Aangenomen kan worden dat partijen zich (bij voorbaat) over en weer hebben verplicht om de uitspraken van de kerkelijke instanties als bindend te aanvaarden voor zover dit bindende karakter uit het kerkelijk recht volgt. Uit de hen bindende bepalingen waarop partijen in deze procedure een beroep hebben gedaan, volgt niet dat partijen op voorhand beslissingen van deze kerkelijke instanties over geschillen, die niet zijn aan te merken als een geschil of verschil van mening over de uitleg en toepassing van de bepalingen van de generale regeling in de zin van artikel 42 GRPT, als bindend hebben aanvaard. De vraag of Rehoboth de consulentenvergoeding aan [gedaagde] diende te restitueren vergde geen oordeel over de uitleg of toepassing van de generale regeling in de zin van artikel 42 GRPT. Voorts is niet gesteld of gebleken dat er andere regelingen tussen partijen golden op grond waarvan partijen gebonden zijn aan uitspraken van deze kerkelijke instanties over dit geschilpunt van civielrechtelijke aard. Dat betekent dat niet aangenomen kan worden dat partijen gebonden zijn aan de uitspraak van de kerkelijke instanties over de vraag of Rehoboth de consulentenvergoeding aan [gedaagde] diende te restitueren.

4.4. Anders dan Rehoboth meende leidt hetgeen zij heeft aangevoerd ten aanzien van de bevoegdheid van de Commissie en het College aldus niet tot de conclusie dat er een grond is voor (gedeeltelijke) vernietiging van de uitspraken op de voet van artikel 7:904 BW, maar tot de conclusie dat partijen over en weer niet gebonden zijn aan de beslissing met betrekking tot de consulentenvergoeding. Dat betekent dat de door Rehoboth onder I gevorderde (gedeeltelijke) vernietiging van de uitspraken niet toewijsbaar is.

4.5. Rehoboth heeft onder I naast vernietiging van de uitspraken gevorderd dat voor recht wordt verklaard 'dat voor terugvordering van de betalingen geen wettelijke basis bestaat, nu deze gelden door [gedaagde] niet onverschuldigd zijn betaald'. Kennelijk ligt dit volgens Rehoboth in het verlengde van de door haar gevorderde vernietiging van de uitspraken op dit punt. Dat is onterecht. De gevorderde vernietiging zou immers slechts tot gevolg kunnen hebben dat er geen partijen bindende beslissing is ten aanzien van dit geschilpunt, zodat de gevorderde verklaring voor recht in deze procedure een eigen onderbouwing en beoordeling vergt. Bij onverbindendheid van de uitspraken is dat niet anders. Nu Rehoboth hetgeen zij heeft aangevoerd met betrekking tot de beslissing over de consulentenvergoeding naar de rechtbank aanneemt (ook) ter onderbouwing van de gevorderde verklaring voor recht heeft aangevoerd en [gedaagde] dit onderdeel van de vordering als een zelfstandig onderdeel heeft gezien en daartegen ook uitgebreid inhoudelijk verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank dit deel van de vordering verder beoordelen en daarop beslissen.

4.6. Rehoboth wil met dit deel van haar vordering kennelijk een einde maken aan de discussie tussen partijen over de consulentenvergoeding over 2002 en 2003, waarbij [gedaagde] aanspraak maakte op die bedragen, al dan niet ter verrekening met hetgeen hij nog aan Rehoboth verschuldigd was, en Rehoboth zich op het standpunt stelde dat de door [gedaagde] overgemaakte bedragen door hem geschonken waren en dus buiten de afrekening tussen partijen stonden. Nu wordt geoordeeld dat de – door het College bekrachtigde – uitspraak van de Commissie over de restitutie van de consulentenvergoeding partijen niet bindt, en overigens niet is gebleken van een uitspraak van een bevoegd orgaan hierover waaraan partijen gebonden zijn, is aan dit geschilpunt nog geen einde gemaakt. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg bij vonnis van juni 2006 Rehoboth (onder meer) heeft veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van de bedragen aan consulentenvergoeding op basis van de uitspraken van de Commissie en het College. Die uitspraak staat er echter niet aan in de weg dat thans, in deze bodemprocedure, alsnog wordt geoordeeld over de vraag of [gedaagde] aanspraak kan maken op terugbetaling van de consulentenvergoeding.

4.7. Rehoboth beroept zich voor wat betreft de consulentenvergoeding over 2002 en 2003 op het hiervoor onder 2.2. deels weergegeven jaarverslag van [gedaagde] en op de notulen van de kerkenraadsvergadering van 27 maart 2001 waarin dit verslag is besproken, hiervoor deels weergegeven onder 2.3. Hij stelt dat de kerkenraad met [gedaagde] heeft afgesproken dat de consulentenvergoeding zou worden aangewend voor de betaling van de per 1 januari 2002 aangestelde kerkelijk werker en beroept zich daartoe ook op verklaringen van ambtsdragers uit die periode waarin staat dat met [gedaagde] was afgesproken dat met de consulentengelden een kerkelijk werker zou worden betaald omdat [gedaagde] vanwege onder meer zijn werk als consulent niet aan al het werk binnen Rehoboth toe kwam. Eén van de ambtsdragers schrijft daarbij dat het zonder de consulentenvergoeding voor Rehoboth niet haalbaar was geweest om de kerkelijk werker aan te stellen en dat [gedaagde] ook steeds aanwezig is geweest bij bijeenkomsten waarbij financieel verslag werd gedaan. Ook is verklaard dat [gedaagde] in 2004 in een telefoongesprek heeft gezegd dat hij destijds de gelden ooit overmaakte uit goedheid, maar dat van goedheid geen sprake meer kon zijn.

4.8. [gedaagde] heeft een en ander weersproken. Hij wijst erop dat uit de verslagen niet blijkt dat de door Rehoboth gestelde afspraak is gemaakt. Hij meent dat de overgelegde verklaringen zeer subjectief en gekleurd zijn en als partijverklaringen terzijde moeten worden gesteld en hij stelt in dat verband dat hij door leden van de gemeente met de dood is bedreigd. Hij wijst er voorts op dat bij de door Rehoboth gestelde afspraak essentiële onderdelen ontbreken, zoals looptijd, opzegbaarheid enzovoort, zodat geen overeenkomst tot stand gekomen kan zijn. Subsidiair wijst hij erop dat het aan Rehoboth als werkgever was om een en ander duidelijk en schriftelijk vast te leggen zodat de nu ontstane onduidelijkheid over de bestemming van de gelden niet in het nadeel van [gedaagde], maar in het nadeel van Rehoboth dient te worden uitgelegd, zeker niet nu het gaat om gelden die hem volgens de partijen bindende regeling toekwamen.

Meer subsidiair beroept [gedaagde] zich op dwaling omdat het nooit zijn bedoeling is geweest om zijn inkomsten af te staan aan Rehoboth en stelt hij dat Rehoboth hem had erop had moeten wijzen dat de gestelde afspraken inhielden dat hij afstand deed van de vergoedingen.

Nog meer subsidiair stelt [gedaagde] dat het aan Rehoboth is te bewijzen dat de bedragen zijn geschonken omdat er geen notariële akte van schenking is opgesteld.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] ook de door hem van de betreffende gemeente(s) over de jaren 2000 en 2001 ontvangen consulentengelden heeft overgemaakt aan Rehoboth. Rehoboth heeft niet weersproken dat dat gebeurde omdat aanvankelijk niet duidelijk was aan wie het geld toekwam en dat – toen duidelijk was dat de bedragen aan [gedaagde] zelf toekwamen – het geld werd aangewend om de aan het eind van het jaar de door [gedaagde] aan Rehoboth verschuldigde vergoedingen uit te betalen en dat het restant over beide jaren door [gedaagde] aan Rehoboth werd geschonken.

Volgens Rehoboth heeft [gedaagde] de bedragen in 2002 en 2003 telkens overgemaakt krachtens zijn in 2001 gedane – en door Rehoboth aanvaarde – voorstel om die gelden aan te wenden voor de betaling van de toen aangestelde kerkelijk werker. [gedaagde] betwist dit. Er zijn geen afspraken over de besteding of bestemming van de bedragen aan consulentenvergoeding op papier gezet en uit de overgelegde rekeningafschriften blijkt dat bij de overschrijvingen alleen is opgemerkt dat het de consulentenvergoeding betrof.

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de passage in het jaarverslag over 2000 en de notulen van de kerkenraadsvergadering van 27 maart 2001 waar Rehoboth zich op beroept niet dat partijen destijds hebben afgesproken dat de consulentenvergoeding over de jaren 2002 en 2003 door [gedaagde] aan Rehoboth werden geschonken of zouden worden geschonken. Juist het feit dat [gedaagde] – naar Rehoboth niet heeft weersproken – in 2000 en in 2001 aan het einde van het jaar het na verrekening resterende deel van de consulentenvergoeding aan Rehoboth schonk, maakt dat de aangehaalde passages – die dateren uit begin 2001 – niet zo kunnen worden uitgelegd, dat daaruit blijkt dat toen een overeenkomst van schenking van toekomstige vergoedingen tot stand is gekomen. Die passages en ook de verklaringen van degenen die bij die vergadering in 2001 aanwezig waren, zien, naar moet worden aangenomen, op de toenmalige situatie, waarbij aanvankelijk onduidelijk was of de consulentenvergoeding voor Rehoboth of voor [gedaagde] was en [gedaagde] de door hem ontvangen vergoeding vervolgens (deels) heeft geschonken. Een afspraak voor de jaren daarna in die zin, dat, zoals in de stellingen van Rehoboth besloten ligt, zolang [gedaagde] als consulent werkte de door hem te ontvangen vergoeding steeds zou worden geschonken, of een aanbod van [gedaagde] van die strekking, valt daarin niet te lezen. Dat een dergelijke nadere afspraak later, buiten de betreffende vergadering om, is gemaakt, is niet gesteld of gebleken. Daarbij neemt de rechtbank voorts nog in aanmerking dat blijkens de overgelegde rekeningafschriften van de overschrijvingen in 2002 en 2003 geen opmerkingen zijn gemaakt waaruit kon worden afgeleid dat er sprake was van schenkingen of waarbij werd gerefereerd aan een afspraak. Ook is niet gesteld of gebleken dat Rehoboth zich er in 2002 en 2003 van heeft vergewist dat het de bedoeling van [gedaagde] was om de consulentenvergoeding die hij telkens overmaakte naar de rekening van Rehoboth (geheel) te schenken, terwijl dat onder de gegeven omstandigheden – waar eerder de vergoeding deels werd aangewend voor de voldoening van door [gedaagde] aan Rehoboth verschuldigde bedragen en er geen nadere afspraken waren vastgelegd – zeker van hem kon worden verwacht. Dat betekent dat ook als wordt uitgegaan van de door Rehoboth gestelde gang van zaken, niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [gedaagde] de consulentenvergoeding over 2002 en 2003 aan Rehoboth heeft geschonken en dat [gedaagde] geen aanspraak kan maken op die bedragen, al dan niet ter verrekening met hetgeen hij aan Rehoboth verschuldigd is aan – onder meer – telefoonkosten. Ook overigens is niet gebleken dat [gedaagde] de bedragen betaalde op grond van een daartoe strekkende verbintenis zodat voor recht zou kunnen worden verklaard dat hij niet zonder rechtsgrond betaalde. Nu Rehoboth aldus haar stellingen tegenover het verweer van [gedaagde] onvoldoende (nader) heeft onderbouwd, is er geen reden voor bewijslevering en wordt het bewijsaanbod van Rehoboth als niet relevant verworpen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet alleen dat de gevorderde verklaring voor recht niet kan worden toegewezen, maar ook dat het onder II gevorderde, dat gezien hetgeen Rehoboth tijdens de comparitie van partijen hierover heeft aangevoerd alleen betrekking heeft op de consulentenvergoeding, zal worden afgewezen.

4.11. Tegen de vorderingen onder III en IV heeft [gedaagde] als verweer gevoerd dat deze vorderingen gelet op artikel 42 GRPT zouden moeten worden voorgelegd aan de Commissie. Dat verweer slaagt. Beide vorderingen zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als 'meningsverschillen inzake de uitleg en toepassing van de generale regeling' in de zin van artikel 42 GRPT. Rehoboth baseert haar vorderingen op dit punt immers op de door haar voorgestane uitleg en toepassing van de bepalingen van de generale regeling, terwijl [gedaagde] juist op basis van de kerkelijke bepalingen tot een ander standpunt komt. Voor die uitleg en toepassing van de bepalingen van de generale regels zijn partijen overeengekomen zich te wenden tot de kerkelijke instanties. Dat betekent dat partijen zich met deze geschilpunten dienen te richten tot de Commissie en Rehoboth in deze procedure niet in deze vorderingen ontvangen kan worden.

Proceskosten

4.12. Rehoboth zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde va [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 251,--

- salaris advocaat EUR 904,-- (2,0 punten x tarief EUR 452,--)

Totaal EUR 1.155,--

in reconventie

4.13. De vorderingen in reconventie zijn alle gebaseerd op de verplichtingen die Rehoboth volgens [gedaagde] jegens hem heeft op basis van de bepalingen in de generale regeling. Ook voor deze vorderingen geldt dat het gaat om geschilpunten die kunnen worden aangemerkt als 'meningsverschillen inzake de uitleg en toepassing van de generale regeling' in de zin van artikel 42 GRPT. Deze geschilpunten dienen derhalve in beginsel aan de kerkelijke instanties te worden voorgelegd. Rehoboth heeft daar geen beroep op gedaan.

[gedaagde] heeft de eis in reconventie ingesteld nadat het door hem opgeworden incident, waarin hij onder meer betoogde dat Rehoboth niet in haar vorderingen kon worden ontvangen vanwege de rechtsgang bij de kerkelijke instanties, was afgewezen. Tijdens de comparitie van partijen is van de kant van [gedaagde] onder meer aangevoerd (p. 5):

13. De vraag of [gedaagde] in het licht van de kerkelijke regels alle relevante informatie ter onderbouwing van de communicatiekosten en kosten ter zake van vakliteratuur aan Rehoboth heeft doen toekomen, is een vraag die door de daarvoor aangewezen organen van de kerk moet worden beantwoord.

14. Ik vestig nog de aandacht op de omstandigheid dat in het onderhavige geschil arbeidsrechtelijke aspecten spelen, die aan het oordeel van een kantonrechter zouden moeten worden voorgelegd. Daarnaast zijn in deze procedure aspecten aan de orde waarover niet u maar alleen de Commissie van Beroep (en het Generale College) zich zou mogen buigen. Omdat de rechtbank niet bevoegd is om zich over deze aspecten uit te laten, zou er een splitsing moeten komen, waarbij een deel van het geschil aan de kantonrechter respectievelijk aan de Commissie van Beroep zou moeten worden voorgelegd en een deel door u beslecht wordt, maar dit zou niet bevorderlijk zijn.

Uit hetgeen door [gedaagde] reeds in het incident en vervolgens tijdens de comparitie is aangevoerd op dit punt blijkt dat hij zich zonder meer op het standpunt stelt dat de geschilpunten over vergoedingen en verrekening op basis van de generale regeling, aan de kerkelijke instanties moeten worden voorgelegd en niet aan de burgerlijke rechter. Dat hij in reconventie vorderingen heeft ingesteld die voortvloeien uit dergelijke geschilpunten betekent naar het oordeel van de rechtbank gelet op de hiervoor geciteerde passage uit het proces-verbaal van de comparitie, bezien in het licht van het incident en de beslissing die in dat incident is genomen, niet dat [gedaagde] er onvoorwaardelijk voor heeft gekozen om zijn vorderingen niet aan de kerkelijke instanties, maar aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Veeleer lijkt zijn eis in reconventie te zijn ingegeven door het feit dat (in conventie) het door hem opgeworpen incident was verworpen zodat de vorderingen van Rehoboth behandeld zouden gaan worden en [gedaagde] daarom ook zijn tegenvorderingen in deze procedure aan de orde meende te moeten stellen. Onder deze omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank de in de partijen bindende regeling neergelegde verplichting om hun geschillen voor te leggen aan de kerkelijke instanties te prevaleren, zodat [gedaagde] niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen.

Proceskosten

4.14. Nu de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van hetgeen door partijen in reconventie is aangevoerd kan geen van partijen te dien aanzien als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren in die zin, dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen onder I en II af.

5.2. verklaart Rehoboth niet ontvankelijk ten aanzien van de vorderingen onder III en IV,

5.3. veroordeelt Rehoboth in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.155,00,

5.4. verklaart de proceskostenveroordeling in onderdeel 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

en in reconventie

5.5. verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn vorderingen,

5.6. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P. Dondorp, M.J. Slootweg, M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2009.