Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5714

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
SBR 08-2850
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging loondoorbetalingsverplichting. Onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Niet tijdig tweede spoor ingezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/2850

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

A.S. Watson (Health & Beauty Continental Europe) B.V., te Renswoude, eiseres,

gemachtigde: mr. B. Polman, bedrijfsjuriste bij eiseres.

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder.

gemachtigde: A.M.M. Schalkwijk, juridisch medewerker bij verweerder

Inleiding

1.1 Bij besluit van 13 mei 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij haar tekortkomingen in haar re-integratieplichten jegens haar werkneemster [werkneemster] (hierna: de werkneemster) nog niet heeft hersteld en dat verweerder geen reden ziet om de eerder bij besluit van 7 maart 2008, opgelegde loonsanctie, de verlenging van de verplichting tot loondoorbetaling met 52 weken, te verkorten. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 augustus 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Als derde-partij heeft de werkneemster aan het geding deelgenomen.

De werkneemster heeft toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan eiseres.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 28 oktober 2009, waar namens eiseres zijn verschenen [X], werkzaam bij eiseres, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2.1 De werkneemster is op 24 mei 2006 wegens rugklachten arbeidsongeschikt geworden voor haar werkzaamheden als assistent filiaalmanager. Zij heeft zich op 28 januari 2008 tot verweerder gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

2.2 Blijkens het op de probleemanalyse en het re-integratieadvies van 30 juni 2006 gebaseerde en door eiseres en de werkneemster ondertekende plan van aanpak volgen eiseres en de werkneemster de analyse van de arbo-arts, inhoudende dat het einddoel van de re-integratie werkhervatting in de eigen functie is. Op dat moment werd de werkneemster niet belastbaar geacht.

2.3 Blijkens het bijgestelde plan van aanpak van 20 maart 2007 was het einddoel van de re-integratie nog steeds werkhervatting in de eigen functie en werd de werkneemster op dat moment niet belastbaar geacht.

2.4 Bij het actueel oordeel en eerstejaarsevaluatie van 31 mei 2007 werd de prognose ten aanzien van de hervatting in eigen werkzaamheden gunstig geacht. Daarbij werd aangegeven dat de hervatting in eigen werk lang zou gaan duren en dat er waarschijnlijk blijvende beperkingen waren voor tillen, dragen, duwen, trekken en gebogen werken.

2.5 In het bijgestelde plan van aanpak van 22 augustus 2007 is aangegeven dat het einddoel van de re-integratie werkhervatting in de eigen functie is. De werkneemster werd geadviseerd per 27 augustus 2007 te starten met de werkhervatting conform een door de bedrijfsarts opgesteld schema. Aangegeven is voorts dat de werkneemster vooralsnog beperkt is in veel bukken en zwaar tillen.

2.6 In het bijgestelde plan van aanpak van 16 oktober 2007 is aangegeven dat de werkneemster beperkingen heeft ten aanzien van tillen, dragen, lang staan en gebogen werken, dat zij niet geschikt is voor haar eigen werk en dat zij in staat wordt geacht gedurende drie uur per dag aangepaste werkzaamheden te verrichten. Voorts staat vermeld dat het herstel stagneert, dat overleg met de behandelaar plaatsvindt, maar dat de werkneemster los daarvan opnieuw stapsgewijze, conform het bijgevoegde schema, haar aangepaste werkzaamheden kan uitbreiden. Het einddoel van de re-integratie is werkhervatting in de eigen functie. Geadviseerd wordt bij verdere stagnatie spoor 1b 2 in te zetten.

2.7 In het bijgestelde plan van aanpak van 8 januari 2008 werd weer melding gemaakt van stagnering in het herstel. Verder is onder meer aangegeven dat het einddoel van de re-integratie nog niet bekend is.

2.8 In het bijgestelde plan van aanpak van 31 januari 2008 wordt verdere re-integratie geadviseerd op basis van een voorlopige functionele mogelijkhedenlijst (FML). De definitieve FML (met spoor 1b 2) zal worden opgemaakt na ontvangst van informatie van de behandelend neuroloog van de werkneemster. De arbo-arts geeft aan dat hij geen volledig herstel verwacht binnen 26 weken. Het einddoel van de re-integratie is nog niet bekend.

2.9 Uit de eindevaluatie van het plan van aanpak van 26 februari 2008 blijkt dat de werkneemster bij het bedrijf van eiseres twaalf uur per week aangepaste werkzaamheden verricht.

2.10 Op 28 februari 2008 is de werkneemster weer volledig uitgevallen. Blijkens het bijgestelde plan van aanpak van 12 maart 2008 is werkhervatting in de eigen functie einddoel van de re-integratie. Voorts wordt geadviseerd eerst de uitslag van het neurologisch onderzoek af te wachten alvorens tot werkhervatting over te gaan. Ook is op 12 maart 2008 een nieuwe FML opgesteld.

2.11 Bij besluit van 7 maart 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken wordt verlengd, omdat aan de WIA-aanvraag de eindevaluatie van het plan van aanpak en het actueel oordeel ontbreekt. Verweerder heeft de werkneemster gelijktijdig meegedeeld dat de behandeling van haar WIA aanvraag wordt opgeschort.

2.12 De arbeidsdeskundige P.M. Braun heeft, na overleg met de verzekeringsarts, de werkneemster en eiseres, in de rapportage van 7 april 2008 geconcludeerd dat er geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt. De werkneemster werkt immers niet. Volgens de arbeidsdeskundige zijn de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende geweest, omdat, ondanks de bij de werkneemster vastgestelde beperkingen, alleen is gefocust op terugkeer in eigen werk, dan wel aangepast eigen werk. Dat eiseres het advies van de bedrijfsarts gevolgd heeft acht de arbeidsdeskundige geen deugdelijke grond voor het feit dat onvoldoende re-integratie- inspanningen zijn verricht. Volgens de arbeidsdeskundige was terugkeer in het eigen werk van de werkneemster, gezien de bij haar vastgestelde beperkingen (staan, lopen, tillen, gebogen werken), op voorhand discutabel. Dit had eiseres aanleiding moeten geven te twijfelen aan de toekomstige geschiktheid van de werkneemster voor het eigen werk. Nu bij twijfel het tweede spoor moet worden ingezet, eiseres dat niet heeft gedaan en zij heeft volstaan met volgzaamheid, is er aanleiding de loondoorbetalingsverplichting met maximaal 52 weken te verlengen, aldus de arbeidsdeskundige.

2.13 Op grond van die arbeidskundige rapportage heeft verweerder het besluit van

13 mei 2008 genomen. Nadat eiseres tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, heeft een arbeidskundige heroverweging plaatsgevonden waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 19 augustus 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe. Deze constateert dat de beperkingen van de werkneemster ten aanzien van staan, duwen, trekken, tillen, gebogen werken en dragen aanzienlijk en waarschijnlijk blijvend zijn. Gelet op deze kennelijk structurele medische beperkingen, de fysieke eisen verbonden aan het eigen werk van de werkneemster en de duur van haar ziekteverzuim, had het op de weg van eiseres gelegen om de werkneemster voor te dragen bij een re-integratiebedrijf met het oog op de exploratie van de mogelijkheid van de werkneemster buiten de organisatie van eiseres. Eiseres had zich moeten realiseren dat het maar zeer de vraag was of de werkneemster in haar eigen werk of in aangepast werk bij eiseres zou kunnen terugkeren.

Op basis van dat rapport is het bezwaar van eiseres bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.14 In beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Van haar arbo-arts ontving eiseres het bericht dat de werkneemster nog in behandeling was en dat volledige re-integratie niet was uitgesloten. Er was geen helderheid over de mogelijkheden van de werkneemster. Daarom kon van eiseres niet worden verlangd dat zij, ongeacht het advies van de bedrijfsarts, tot het inzetten van een tweede spoor over zou gaan. Uit de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter volgt dat allereerst dient te worden gekeken naar de mogelijkheden voor herstel in eigen dan wel aangepast werk. Eiseres mag vertrouwen op de juistheid van de advisering door de arbo-arts of arbodienst. Er waren geen concrete aanwijzingen of redenen om te twijfelen aan de juistheid van het advies. De bedrijfsarts is nog altijd van mening dat werkhervatting in eigen werk mogelijk is. Eiseres heeft haar standpunt bij brieven van 16 oktober 2009 en 19 oktober 2009 nader geadstrueerd.

2.15 Verweerder is van mening dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en verwijst in dat verband naar de eerstejaars evaluatie van 31 mei 2007 en de rapportages van 16 oktober 2007 en 8 januari 2008 van de bedrijfsarts, waarin onder meer wordt gesteld dat werkhervatting dubieus is. Naar de mening van verweerder valt er geen (medische) reden aan te geven op grond waarvan de bedrijfsarts in strijd met de bij de werkneemster vastgestelde beperkingen zo langdurig en hardnekkig is blijven focussen op retour eigen werk.

2.16 Artikel 25 van de WIA luidt, voor zover hier van belang:

‘1. De werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet houdt aantekening van het verloop van de ziekte en de re-integratie van de verzekerde.

2. De werkgever, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.

3. Uiterlijk vijftien weken voor het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de verzekerde een re-integratieverslag op en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.

(...)

5. Bij de uitvoering van het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die wet of door een arbodienst.

(...)

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid worden gesteld.

(...)

9. Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

(...)

14. Het tijdvak, bedoeld in het negende lid, eindigt zes weken nadat het Uwv heeft vastgesteld dat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet later dan na 52 weken. Indien het Uwv de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat een tekortkoming is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel eerder als de beschikking later is afgegeven.

(...)

16. Bij ministeriële regeling kunnen voor de toepassing van het negende tot en met het vijftiende lid nadere regels worden gesteld.’

In deze ministeriële regeling de ‘Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar’ is aangegeven welke procesmatige stappen werkgever en werknemer tijdens het eerste en tweede ziektejaar moeten ondernemen.

Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, kort gezegd, dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

2.17 In de ‘Beleidsregels beoordelingskader poortwachter’ (Regeling van 3 december 2002, Stcrt. 236, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Regeling van 17 oktober 2006, Stcrt. 224 en hierna te noemen: de Beleidsregels) is het beoordelingskader neergelegd zoals verweerder dit hanteert bij de beoordeling van de door de werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in onder meer artikel 65 van de Wet WIA.

Volgens de Beleidsregels wordt allereerst beoordeeld of een bevredigend resultaat is bereikt. Hiervan is onder meer sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) structurele werkhervatting die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Als er volgens verweerder geen bevredigend resultaat is bereikt, worden de re-integratie-inspanningen door hem beoordeeld.

In paragraaf 5 van de Beleidsregels is onder het kopje eerstejaarsevaluatie aangegeven dat indien bij de eerstejaarsevaluatie de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, verwacht mag worden dat werkgever en werknemer dan - naast wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever. Re-integratie-activiteiten met het oog op een andere werkgever kunnen slechts achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat op hervatting in het eigen bedrijf. Weten werkgever en werknemer niet zeker of ze met de re-integratie nog wel op de goede weg zitten, of is de re-integratie gestagneerd, dan kunnen zij nader advies vragen aan deskundigen of een deskundigenoordeel vragen aan het Uwv.

2.18 De rechtbank acht het in de Beleidsregels neergelegde beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval geen bevredigend resultaat is bereikt in vorenbedoelde zin. Ten tijde als hier van belang kan van de werkneemster niet gezegd worden dat zij niet beschikte over duurzame benutbare mogelijkheden. Tot een structurele werkhervatting is het echter niet gekomen. Hieruit vloeit voort dat verweerder diende te beoordelen of eiseres met haar re-integratie-inspanningen in gebreke is gebleven en zo ja, of eiseres daarvoor een deugdelijke grond had.

2.19 De rechtbank is van oordeel dat een werkgever mag afgaan op de medische adviezen van zijn arbo-arts, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of de consistentie van die adviezen. Naar het oordeel van de rechtbank hadden in dit geval de in de periode van 31 mei 2007 tot en met 26 februari 2008 door de arbo-arts opgemaakte rapportages, in onderling verband en samenhang bezien, eiseres op enig moment aanleiding moeten geven te twijfelen aan de juistheid van de door die arts gegeven prognose ten aanzien van de hervatting van de werkneemster in haar eigen werk dan wel het aangepaste werk bij eiseres. Op grond van die rapportages had eiseres zich op enig moment moeten afvragen of de arbo-arts de arbeidsmogelijkheden van haar werkneemster in het eigen bedrijf niet te optimistisch inschatte. Eiseres had na moeten gaan of er voor de werkneemster nog wel een concreet perspectief bestond op werkhervatting in het eigen bedrijf. Het had in de rede gelegen dat eiseres in genoemde periode, en in ieder geval na de hernieuwde uitval op

28 februari 2008, een deskundigenoordeel had aangevraagd om meer zekerheid te verkrijgen over de geschiktheid van de werkneemster voor het eigen werk dan wel het aangepaste werk in het eigen bedrijf. Nu eiseres niet is nagegaan of zij met de re-integratie nog wel op de goede weg zat en zij de mogelijkheden tot re-integratie bij een andere werkgever niet heeft verkend, kan van de wel ondernomen re-integratieactiviteiten niet worden gezegd dat deze adequaat zijn geweest. Het antwoord op de vraag of daardoor re-integratiekansen zijn gemist is daarbij niet van belang.

2.20 Ter zitting heeft eiseres er op gewezen dat in hoofdstuk 9 van de Beleidsregels is neergelegd dat het van belang is dat vooraf helderheid bestaat over de functionele mogelijkheden van de werknemer alvorens herplaatsing bij een andere werkgever aan de orde is en dat die duidelijkheid er in het geval van de werkneemster nog niet was.

De rechtbank onderkent dat activiteiten die worden ondernomen om werk bij een andere werkgever te vinden sterk afhankelijk zijn van de functionele mogelijkheden van de betreffende werknemer. Dit is ook in de Beleidsregels vermeld. Nu - zoals hiervoor is overwogen - van eiseres verlangd had mogen worden voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever, had het op haar weg gelegen om bij haar arbodienst te vragen om een bijgestelde probleemanalyse met FML van de op dat moment bij de werkneemster bestaande mogelijkheden. Nadat zij die stukken verkregen had, had eiseres kunnen bezien of zij gezien de functionele mogelijkheden van de werkneemster een deskundigenoordeel aan zou vragen. Eiseres is in dit kader te afwachtend geweest.

2.21 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien de aan eiseres bij het besluit van 7 maart 2008 opgelegde verlenging van de loondoorbetalingsverplichting te verkorten.

2.22 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.C. van Gelein Vitringa- Boudewijnse, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2009.

De griffier: De rechter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.