Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5248

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
16/600905-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis

Parketnummer: 16/600905-08

De rechtbank te Utrecht, meervoudige raadkamer;

gezien het verzoekschrift ingekomen op 19 november 2009 ter griffie van deze rechtbank,

strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis,

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Rijnmond, Huis van Bewaring Noordsingel te Rotterdam,

gehoord de officier van justitie, de verdachte en de raadsman mr. H.O. den Otter;

OVERWEEGT als volgt:

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte primair gebaseerd op de stelling dat er geen ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn die de voorlopige hechtenis van de verdachte rechtvaardigen. Daarnaast is de raadsman van mening dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte, in geval van veroordeling, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd langer dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzet zich tegen opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ernstige bezwaren en gronden die hebben geleid tot de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn en de omstandigheid genoemd in artikel 67a lid 3 Sv niet in beeld is.

Overwegingen van de rechtbank

Na onderzoek is gebleken dat de verdenking en bezwaren, die tot het bevel tot gevangenhouding van voornoemde verdachte hebben geleid, ook thans nog onverkort bestaan en dat ook thans nog gronden aanwezig zijn voor toepassing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich niet voordoet, gelet op de ernst van de verdenking en het strafblad van verdachte.

BESCHIKKENDE:

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gedaan te Utrecht op 1 december 2009 door mrs. Z.J. Oosting, J.M. Bruins en H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden als griffier.