Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5246

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
SBR 09-3319
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Gebiedsverbod gemeente Utrechtse Heuvelrug voor veroordeelde zedendelinquent. De burgemeester had het gebiedsverbod opgelegd, omdat hij bang was voor ernstige verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van de man in zijn gemeente. Dit is echter volgens de rechter onvoldoende aannemelijk gemaakt. De kans dat de man recidiveert is daarnaast onvoldoende om een gebiedsverbod voor de hele gemeente te rechtvaardigen. De rechters wijst het verzoek toe en schorst het besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2010, 4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/3319

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2009

inzake

[verzoeker],

verzoeker,

tegen

de burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 23 november 2009, waarbij verweerder op

grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet verzoeker heeft bevolen zich met onmiddellijke ingang te verwijderen en verwijderd te houden van het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

1.2 Het verzoek is op 25 november 2009 ter zitting behandeld, waar verzoeker is verschenen bij gemachtigde mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat te Best. Verweerder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Muus en mr. C.W. Oudenaarden, advocaten te Utrecht.

1.3 Verweerder is de gelegenheid geboden uiterlijk op 27 november 2009 een nader stuk aan de rechtbank te zenden over de beschikbaarheid van woonruimte in Eindhoven voor verzoeker. Namens verweerder is op 27 november 2009 een verklaring van de burgemeester van Eindhoven in geding gebracht. Van de geboden gelegenheid daarop te reageren is door verzoeker geen gebruik gemaakt. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2.3 Verzoeker is bij arrest van 22 juni 2009 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor zedendelicten met minderjarigen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Bij dat arrest is bepaald dat van de opgelegde gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de voorwaarde dat verzoeker zich voor het einde van de proeftijd van 5 jaren niet aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en zich houdt aan de in de uitspraak vermelde bijzondere voorwaarde. Als bijzondere voorwaarde is opgenomen dat verzoeker zich gedurende de proeftijd onder toezicht stelt van Reclassering Nederland, unit Den Bosch, en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verzoeker.

2.4 Tegen dit arrest van het Gerechtshof is door verzoeker beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Door het instellen van beroep in cassatie is de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof, gelet op de bepaalde in artikel 557 van het Wetboek van Strafvordering, opgeschort. Het gevolg daarvan is dat totdat de Hoge Raad uitspraak doet verzoeker niet verplicht is zich te houden aan genoemde bijzondere voorwaarde, althans het naleven van die voorwaarde niet kan worden gesanctioneerd.

2.5 Op 20 september 2009 is verzoeker, die vanaf 27 juni 2007 in voorarrest heeft gezeten, vanuit het Huis van Bewaring in vrijheid gesteld.

2.6 Bij besluit van 16 september 2009 heeft de burgemeester van Eindhoven verzoeker op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevolen zich met ingang van 20 september 2009 te verwijderen en verwijderd te houden van het grondgebied van de gemeente Eindhoven.

Naar aanleiding van het daartegen gemaakte bezwaar en het door verzoeker ingediende verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 27 oktober 2009 dat besluit van die burgemeester geschorst tot en met 6 weken nadat op het bezwaar is beslist.

2.7 Verzoeker heeft in het najaar een recreatiewoning gehuurd op een recreatiecentrum binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug en heeft daar enige tijd gewoond. Op 18 november 2009 heeft verzoeker zich gemeld bij het RIAGG te Amersfoort met een hulpvraag. Door of namens dat RIAGG is diezelfde dag contact gezocht met verweerder. Nadat verweerder had vernomen dat verzoeker in een recreatiewoning verbleef op een recreatiecentrum binnen zijn gemeente heeft hij telefonisch contact met verzoeker gehad. Niet is gebleken dat van dat gesprek een schriftelijk verslag is opgemaakt. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in het telefoongesprek met verzoeker de vrees voor verstoring van de openbare orde en de zorg voor de veiligheid van verzoeker, onder meer vanwege diens actieve contacten met de media, onderwerp van gesprek is geweest. Verzoeker is daarbij niet gezegd, aldus verweerder, dat het voornemen bestond hem een gebiedsverbod op te leggen.

2.8 Verweerder heeft vervolgens bij het thans bestreden besluit van 23 november 2009 verzoeker gelast om zich onmiddellijk van het grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij is bepaald dat het bevel geldt voor de duur dat niet op het cassatieverzoek is beslist door de Hoge Raad, dan wel tot het moment dat verzoeker zich onder toezicht heeft gesteld van de reclassering en zich aantoonbaar naar de aanwijzingen van de reclassering gedraagt.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verzoeker opgelegde gebiedsontzegging wordt gerechtvaardigd door de vrees dat verzoeker in zijn gedrag zal vervallen en opnieuw zedendelicten zal plegen, dan wel op andere wijze de openbare orde zal aantasten door toenadering te zoeken tot nietsvermoedende burgers en hun kinderen. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat in de gemeente eerder onrust is ontstaan naar aanleiding van zedendelicten en dat de openbare orde verstoord zal kunnen raken indien verontruste burgers, waaronder omwonenden en/of ouders, zich zullen keren tegen verzoeker. Wat betreft het huisvestingsprobleem van verzoeker, die thans een zwervend bestaan leidt, is aangevoerd dat verzoeker zelf de oplossing voor zijn probleem in de hand heeft. Het gebiedsverbod zal immers worden opgeheven indien verzoeker zich aantoonbaar naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland gedraagt. Verweerder heeft verder bij zijn besluitvorming betrokken de omstandigheid dat er geen juridische belemmering is voor verzoeker om in Eindhoven te wonen, aangezien het besluit van de burgemeester van Eindhoven van 16 september 2009 door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch is geschorst en die burgemeester bovendien verzoeker per direct woonruimte in Eindhoven garandeert.

Met betrekking tot de onderhavige procedure heeft verweerder gesteld dat het vereiste spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening ontbreekt, aangezien verzoeker niet meer binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug verblijft, er geen objectieve redenen zijn waarom hij in die gemeente zou willen verblijven en hij voor huisvesting en nachtopvang per direct terecht kan in de gemeente Eindhoven.

2.9 Verzoeker is - kort samengevat - van mening dat het spoedeisend belang bij toewijzing van de gevraagde voorziening evident is. Bij het in stand houden van de opgelegde gebiedsontzegging is verzoeker naar zijn mening vogelvrij, aangezien in dat geval de burgemeester van elke andere gemeente in Nederland hem een soortgelijk gebiedsverbod kan opleggen. Verder heeft verzoeker een concreet belang bij schorsing van het opgelegde verbod, aangezien een familielid woonachtig is in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, hij recht heeft dat familielid te bezoeken en het verbod hem dat niet toestaat. Verzoeker is verder van mening dat verweerder niet bevoegd was hem een gebiedsverbod op te leggen, omdat van een dreigende schending van de openbare orde geen sprake is. Het gestelde recidivegevaar is daarvoor beslist onvoldoende, aldus verzoeker. Verzoeker is voorts van mening dat het gebiedsverbod niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Daarnaast is het opgelegde verbod in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus steeds verzoeker.

2.10 Het betoog van verweerder dat de vereiste spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening ontbreekt, faalt. Verzoeker kan niet worden tegengeworpen dat hij thans niet binnen de gemeente verblijft. Hij heeft daarvoor immers niet vrijwillig gekozen, maar is daartoe door verweerder gedwongen. Als direct gevolg van het bestreden besluit is verzoeker gesommeerd, onder toezicht van de politie, het grondgebied van de gemeente per direct te verlaten. Verzoeker heeft er belang bij te vernemen of verweerder in dit geval toepassing mocht geven aan de hem bij wet toegekende bevoegdheid een gebiedsverbod op te leggen. Het opgelegde verbod beperkt hem immers in zijn recht zich vrijelijk te bewegen. Tevens belet het hem zijn in de gemeente woonachtige familielid te bezoeken. Reeds daarom heeft verzoeker een spoedeisend belang bij een oordeel van de voorzieningenrechter op zijn verzoek.

2.11 Uit de gedingstukken komt naar voren dat verweerder op grond van artikel 2:1C van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bij ernstige verstoring van de openbare orde een verblijfsontzegging kan opleggen aan een persoon of personen voor een nader te bepalen gebied onder bepaalde omstandigheden, waaronder het bezit van en/of de handel in verdovende middelen en wapens, diefstal en geweldpleging. Niet in geschil is dat verweerder in het onderhavige geval van deze mogelijkheid geen gebruik kon maken. Verweerder heeft aan het opgelegde gebiedsverbod het bepaalde in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet ten grondslag gelegd.

2.12 Op grond van artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. In artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester bevoegd is bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

2.13 Gelet op het betoog van verzoeker dient de voorzieningenrechter te beoordelen of in dit geval ten tijde van het bestreden besluit sprake was van verstoring van de openbare orde dan wel ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Dat op 23 november 2009, de datum waarop verweerder zijn besluit heeft genomen, sprake was van verstoring van de openbare orde is gesteld noch gebleken. Met betrekking tot de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Het verbod van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet kan worden ingezet in situaties waarin sprake is van een actuele en concrete verstoring van de openbare orde, dan wel in een situatie dat er concrete aanwijzingen zijn dat voor een verstoring ernstig moet worden gevreesd. Het gaat met andere woorden om een instrument dat toegepast kan worden in een situatie waarin direct ingrijpen noodzakelijk moet worden geacht om een ordeverstoring te voorkomen of te beëindigen.

2.14 Het gestelde recidivegevaar rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de bestreden maatregel. Weliswaar moet er gelet op de eerdere veroordelingen van verzoeker voor zedendelicten, op de overwegingen van genoemd arrest van het Gerechtshof

’s-Hertogenbosch, alsmede op het opleggen van een proeftijd van vijf jaren, ernstig rekening mee worden gehouden dat verzoeker wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, maar of verzoeker opnieuw een zedendelict zal plegen en, zo ja, wanneer, waar en onder welke omstandigheden is onzeker. Gelet op deze onzekerheid rechtvaardigt het bestaande recidivegevaar niet de conclusie dat ten tijde van het bestreden besluit op het grondgebied van verweerders gemeente sprake was van een actueel en concreet gevaar voor verstoring van de openbare orde dat noopte tot de getroffen maatregel.

2.15 Dat er sprake zou zijn van een dreigende verstoring van de openbare orde door derden als gevolg van de komst van verzoeker naar de gemeente Utrechtse Heuvelrug in combinatie met de wijze waarop door verzoeker met de media contact is gezocht, is door verweerder wel gesteld, maar die verstoring is niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Het gegeven dat in het verleden binnen de gemeente een tweetal zedenkwesties hebben gespeeld, die onrust hebben veroorzaakt, is daarvoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat een van die kwesties 10 jaar geleden heeft gespeeld.

Ook de in geding gebrachte verklaring van de districtschef van de Politie Utrecht, district Heuvelrug, van 24 november 2009 rechtvaardigt genoemde conclusie niet. In zijn verklaring vermeldt de districtschef dat hij van mening is dat een (grote) kans bestaat dat binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug grote maatschappelijke onrust zal gaan ontstaan door het ongecontroleerde verblijf van verzoeker binnen de gemeente, en dat hierdoor de openbare orde in gevaar zal kunnen komen. Vastgesteld moet worden dat de districtschef geen melding maakt van concrete aanwijzingen die aanleiding geven te vrezen voor een actueel en concreet gevaar voor verstoring van de openbare orde. Om die reden is de door de districtschef uitgesproken mening, hoe zeer deze ook moet worden gerespecteerd, onvoldoende om het opgelegde gebiedsverbod te kunnen rechtvaardigen. Daarbij is nog van belang dat het gebiedsverbod aan verzoeker is opgelegd, terwijl verweerder vreest voor intolerantie, vijandigheden en ordeverstoringen door derden, te weten omwonenden en ouders van kinderen.

2.16 Wat er ook zij van de juistheid van het betoog van verweerder dat verzoeker zelf de sleutel in handen heeft voor de oplossing van zijn problemen door zich vrijwillig onder toezicht van Reclassering Nederland te stellen, het staat los van de vraag of verzoekers aanwezigheid binnen de gemeente leidt tot (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde ter plaatse. Ook indien verzoeker zich onder genoemd toezicht stelt, zal hij ergens moeten wonen. De zeer goed in te voelen ongerustheid van omwonenden en andere betrokkenen zal niet verdwijnen enkel en alleen omdat verzoeker zich onder bedoeld toezicht heeft gesteld. Het betoog faalt daarom.

Overigens kan verzoeker, zoals hiervoor al aan de orde kwam, zolang door de Hoge Raad niet is beslist op het cassatieberoep niet worden verplicht zich onder reclasseringstoezicht te stellen, of - beter gezegd - het niet naleven van de bijzondere voorwaarde kan tot dat moment niet strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Daarnaast kan verweerder verzoeker niet verwijten geen hulp te hebben gezocht voor zijn problematiek. Hij heeft zich immers gemeld bij het RIAGG te Amersfoort, maar die instantie heeft geen hulp kunnen bieden mede omdat verweerder verzoeker reeds enkele dagen nadien de toegang tot de gemeente heeft ontzegd en verzoeker sedertdien weer zonder vaste woon- en verblijfplaats is.

De omstandigheid dat er nachtopvang in Eindhoven voor verzoeker beschikbaar is, kan de voorzieningenrechter niet tot ander oordeel leiden. Ook die omstandigheid staat immers geheel los van de vraag of verzoekers aanwezigheid binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug leidt tot (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde ter plaatse.

2.17 Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat verweerder onvoldoende relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om de conclusie te rechtvaardigen dat verzoekers aanwezigheid binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug leidt tot (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde ter plaatse. Hieruit volgt dat verweerder niet bevoegd was om op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet verzoeker de bestreden maatregel op te leggen. De heroverweging in bezwaar zal naar voorlopig oordeel moeten leiden tot herroeping van het aangevochten (primaire) besluit. Onder die omstandigheden is er aanleiding het verzoek toe te wijzen en verweerders besluit te schorsen.

2.18 De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in het kader van deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,-

(1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) als kosten van verleende rechtsbijstand.

2.19 Vanwege de maatschappelijke onrust rond deze zaak en ter voorlichting van partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding nog het volgende op te merken. Ook indien er wel sprake was geweest van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde ter plaatse, dan nog kan het in dit geval aan verzoeker opgelegde gebiedsverbod de rechterlijke toets niet doorstaan. Gelet op de verregaande inbreuk die gebiedsverboden maken op grondrechten van burgers dient het evenwicht te worden gezocht tussen bescherming van het algemeen belang bij het voorkomen of beëindigen van een verstoring van de openbare orde enerzijds en het belang van het respecteren van grondrechten van burgers anderzijds. Dit betekent dat de maatregel niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk. Verder dient het gebied waarop het gebod ziet zoveel als mogelijk te worden beperkt.

Het bestreden besluit is op beide onderdelen in strijd met het recht. Allereerst omdat het verbod in beginsel voor onbepaalde tijd is opgelegd. Partijen zijn het eens dat het arrest van de Hoge Raad op het ingestelde cassatieberoep niet binnen één jaar is te verwachten. Genoemde voorwaarde en genoemde termijn staan dan ook niet in een redelijke verhouding tot een eventuele actuele en concrete verstoring van de openbare orde in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De andere voorwaarde, te weten dat het verbod geldt tot het moment waarop verzoeker zich aantoonbaar gedraagt naar de aanwijzingen van de reclassering is in strijd met de rechtszekerheid. Niet kan worden aanvaard dat de duur van het verbod afhankelijk wordt gesteld van verweerders (nadere) oordeel over het al dan niet vervullen van deze voorwaarde. Verder kan niet worden aanvaard dat verzoeker door middel van toepassing van de Gemeentewet wordt gedwongen een bijzondere voorwaarde te accepteren, die thans strafrechtelijk niet kan worden afgedwongen.

Het opleggen van een verbod voor het gehele grondgebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug kan evenmin worden geaccepteerd. Niet valt in te zien dat een dergelijk, verstrekkend verbod noodzakelijk is om de vrees voor verstoring van de openbare orde het hoofd te kunnen bieden. Indien het al noodzakelijk moet worden geacht om aan een pedoseksueel een gebiedsverbod op te leggen, dan moet het gebied waarvoor het gebod geldt met zorgvuldigheid worden gekozen en moet de omvang van dat gebied zoveel mogelijk worden beperkt. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de woonomgeving van slachtoffers van zedendelicten en met de aanwezigheid van risico-lokaties, waaronder scholen, speelplaatsen, sportfaciliteiten en zwembaden. Verder is van belang het gebied zo te kiezen dat de betrokkene wel van zijn woning gebruik kan blijven maken, dat hij een beroep kan blijven doen op hulpverlenende instanties, dat hij niet onnodig wordt afgehouden van de mogelijkheid familieleden te bezoeken en overigens zo min mogelijk in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt.

2.20 De voorzieningenrechter merkt tot slot het volgende op. Indien de door verweerder aan het besluit ten grondslag gelegde redenering voldoende zou zijn om een gebiedsverbod voor het gehele grondgebied van de gemeente te rechtvaardigen, dan zou dat ook gelden voor elke andere gemeente waar verzoeker zich (tijdelijk) vestigt. Als de burgemeesters van die gemeenten een soortgelijke aanpak kiezen als verweerder heeft dat tot gevolg dat verzoeker feitelijk overal tot ongewenst persoon kan worden verklaard en uit de betreffende gemeenten kan worden verwijderd. Dit kan niet worden aanvaard. Ook een veroordeelde pedoseksueel, die zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, zal zich ergens moeten kunnen vestigen.

Uit het dossier blijkt dat (gedrags)deskundigen van oordeel zijn dat de kans op recidive van pedoseksuelen wordt verkleind, indien de betrokkene een stabiele woon- en werkomgeving heeft, met een sterk sociaal netwerk dat controle op zijn gedrag mogelijk maakt. Het ‘verjagen’ van betrokkene van de ene naar de andere gemeente is niet bevorderlijk voor het creëren van die stabiele omgeving. Het zou daarom de voorkeur verdienen dat een burgemeester, die wordt geconfronteerd met de wens van verzoeker zich in zijn gemeente te vestigen, in overleg met betrokkene, zijns raadslieden, en de betreffende partners en instanties (zoals een woningbouwcorporatie, de reclassering en de geestelijke gezondheidszorg) zoekt naar een passende oplossing, waarbij zoveel als mogelijk recht wordt gedaan aan de respectieve belangen. Dit om te trachten te voorkomen dat verzoeker wederom terugvalt, hetgeen de rechtsorde dan opnieuw geweld zal aandoen. Uiteraard mag daarbij van verzoeker worden verwacht dat hij zich coöperatief opstelt en hulp zoekt. Maar de sanctie op eventuele onwilligheid aan de zijde van verzoeker mag niet zijn dat hij in elke gemeente waar hij zich wil vestigen een gebiedsverbod krijgt opgelegd, zoals verweerder heeft genomen.

2.21 Thans wordt beslist als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe,

3.2 schorst het besluit van verweerder van 23 november 2009 tot zes weken na bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar, en

3.3 bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- aan hem vergoedt.

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 874,- te betalen aan verzoeker.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken

op 3 december 2009.

De griffier: De voorzieningenrechter:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.