Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5245

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
271385 / HA ZA 09-1754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is het opgelegde stadionverbod:

- onrechtmatig of

- disproportioneel lang?

Twee keer 'nee'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 271385 / HA ZA 09-1754

Vonnis van 2 december 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. drs. A.R. Mes,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBAL BOND,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaat mr. T. Douma.

Partijen zullen hierna [eiser] en de KNVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 22 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is supporter van de betaald voetbalorganisatie Feyenoord en sinds 1997 in het bezit van een Feyenoord Gold Card.

2.2. Op 13 april 2008 heeft in Tilburg een wedstrijd plaatsgevonden tussen de betaald voetbalorganisaties Willem II en Feyenoord. [eiser] is tijdens deze voetbalwedstrijd door de politie aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht (openlijke geweldpleging) en artikel 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht (eenvoudige mishandeling). De zaak is later geseponeerd bij gebrek aan wettig bewijs.

2.3. Op 24 juni 2008 heeft Willem II aan de KNVB melding gedaan van openlijke geweldpleging en van slaan van haar manager veiligheid en facilitaire zaken, de heer [A] (hierna te noemen: [A]) door [eiser] tijdens de hiervoor onder 2.2. genoemde voetbalwedstrijd.

2.4. De KNVB heeft naar aanleiding van deze melding bij exploot van 2 september 2008 aan [eiser] een stadionverbod voor de duur van 72 maanden - te weten van

3 september 2008 tot 3 september 2014 - en een geldboete ten bedrage van € 450,-- opgelegd vanwege gegronde verdenking dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en/of het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal.

2.5. [eiser] heeft tegen het de door de KNVB opgelegde stadionverbod en de geldboete beroep ingesteld bij de Commissie Stadionverboden van de KNVB. De Commissie heeft de beslissing van de KNVB op 11 november 2008 bevestigd.

2.6. Met het vonnis in kort geding van 6 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [eiser] strekkende tot - kort gezegd - het vernietigen/opheffen van het stadionverbod, afgewezen.

2.7. De Standaardvoorwaarden van de KNVB (hierna: de Standaardvoorwaarden) die op de Gold Card seizoenskaart en op het toegangsbewijs van de wedstrijd Willem II – Feyenoord van toepassing zijn, luiden voor zover thans van belang als volgt:

‘Artikel 10.2

De KNVB is gerechtigd om, (landelijke) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die volgens een melding van een Club of het Openbaar Ministerie in of buiten het Stadion in het kader van een Evenement:

- heeft gehandeld in strijd met deze Standaardvoorwaarden;

- een strafbaar feit heeft begaan danwel ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag;

- zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het

voetbal wordt geschaad, (…)’

2.8. De Richtlijn Termijn Stadionverbod Seizoen 2008/2009 vermeldt dat voor openlijke geweldpleging afhankelijk van de omschrijving en/of de gevolgen een termijn geldt van 18 tot 36 maanden. In deze richtlijn is voorts bepaald dat indien de betreffende gedragingen gericht zijn tegen onder meer spelers, trainers, coaches, (assistent-) scheidsrechters, personen die belast zijn met de ordehandhaving, waarnemers, de stadiondirecties en/of de clubbesturen, de genoemde termijn kan worden verdubbeld.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd:

primair dat voor recht wordt verklaard dat de KNVB door het opleggen van het

stadionverbod onrechtmatig heeft gehandeld althans,

het stadionverbod te vernietigen en

de KNVB te veroordelen tot betaling aan [eiser] van EUR 450,-,

subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat de duur van het stadionverbod disproportioneel is en wordt bepaald dat deze wordt beperkt tot een periode van 12 maanden althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tijdsduur,

met veroordeling van de KNVB in de kosten van dit geding.

3.2. de KNVB voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling

4.1. Gezien de vorderingen zal dienen te worden beoordeeld of het [eiser] opgelegde stadionverbod alsmede de hem opgelegde boete onrechtmatig zijn en, indien dat niet het geval is, of de duur van het stadionverbod disproportioneel is.

Onrechtmatigheid

4.2. Ter onderbouwing van zijn primaire stelling stelt [eiser] dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Ter onderbouwing daarvan wijst hij op het feit dat zijn strafzaak door justitie is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

4.3. Alvorens dit verweer inhoudelijk te beoordelen overweegt de rechtbank dat het feit dat de strafzaak is geseponeerd niet betekent dat [eiser] zich niet heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het sepot betekent dat het Openbaar Ministerie om haar moverende redenen de vervolging niet heeft voortgezet maar niet dat er in de civielrechtelijke verhouding tussen de KNVB en [eiser] niet (langer) van uit kan worden gegaan dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Voor een stadionverbod, gebaseerd op de civielrechtelijke verhouding tussen partijen, gelden immers niet de strakke bewijsregels die in een strafzaak in acht genomen dienen te worden maar komt aan de KNVB een ruime beoordelingvrijheid toe. Omtrent de vraag of de KNVB in casu voldoende aanleiding had er van uit te gaan dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en/of het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal overweegt de rechtbank als volgt.

4.4. Als niet of onvoldoende gemotiveerd betwist wordt als vaststaand aangenomen dat tijdens de wedstrijd Willem II – Feyenoord een vechtpartij tussen Willem II supporters, Feyenoord supporters en beveiligingsbeambten van Willem II heeft plaatsgevonden.

4.5. [eiser] heeft in dit verband bij dagvaarding aangegeven dat hij hoorde dat er twee vrienden van hem in een woordenwisseling raakten met Willem II supporters en daarna ook met beveiligingsbeambten en dat hij zich daarvan op de hoogte is gaan stellen. Daar aangekomen zag hij een vriend van hem belaagd worden door een beveiliger, welke vriend hij wilde ontzetten door de beveiliger een duw te geven. Tijdens de comparitie van partijen heeft hij dit nog aangevuld en verklaard dat het zou kunnen dat er op dat moment meer mensen waren of dat er een opstootje was maar dat hij dat niet weet. Hij kon dat toen niet zien, zo heeft hij verklaard.

4.6. Tegenover deze verklaring omtrent de rol van [eiser] in de vechtpartij tussen Willem II supporters, Feyenoord supporters en beveiligingsbeambten van Willem II, staat de verklaring van [A]. Hij heeft blijkens het door [eiser] overgelegde proces-verbaal van aangifte -onder meer- verklaard:

‘(…) Ik zag dat er geschopt en geslagen werd in de richting van de beveiliging en stewards. Ik zag dat er raak geslagen werd en geschopt. De groep (toevoeging rb: Feyenoord supporters) bevond zich links van mij. Ook stond er een groep tegen over mij. Er kwamen steeds meer supporters het vak af en liepen de ring op en bemoeide zich met de vechtpartij. Ik pakte wat mensen vast en trok deze weg om de beveiligingsmedewerkers te beschermen zodat er geen mishandelingen zouden plaats vinden.

Toen ik een tweede persoon wilde vast pakken om hem weg te trekken zag ik een jongen en zag ik een vuist in de richting van mijn gezicht komen. Ik zag dat deze jongen met zijn rechterhand tot een vuist gebalde hand in de richting van mijn gezicht sloeg. Vervolgens voelde ik een hevig pijn en zag niks meer uit mijn rechteroog.

Ik stapte terug en voelde aan mijn oog en probeerde met mijn hand mijn ooglid te openen. Dit ging wel maar het klapte gelijk ook weer dicht. Ik zag dat de man die mij zojuist had geslagen van mij weg liep. (…) Ik liep naar hem toe. Ik zei tegen hem dat hij was aangehouden. Ik pakte hem vast en op dat moment probeerde de groep die om ons heen stonden hem te ontzetten. Ik werd getrapt en geslagen. Uit eindelijk moest ik de verdachte los laten.

(…)’

Ook heeft [A] bij deze gelegenheid verklaard dat de man die op zijn aanwijzingen door de hem bekende politieagent [B] werd aangehouden, de man was die hem had geslagen.

4.7. Blijkens het eveneens door [eiser] overgelegde proces-verbaal van verhoor van de heer [C], beveiliger tijdens de meergenoemde wedstrijd (hierna te noemen: [C]) heeft deze verklaard over de vechtpartij en de rol van [eiser] daarin:

‘(…)

Wij dreven de supporters uiteen. Ik draaide me om en zag op dat moment dat een man een slaande beweging maakte in de richting van [A]. De man sloeg als het ware tussen twee personen door in de richting van [A] zijn bovenlichaam en hoofd. De man raakte [A] maar ik weet niet waar hij hem raakte.

(…)’

4.8. In het proces-verbaal heeft [B], brigadier van politie Midden en West Brabant (hierna te noemen: [B]) verklaard -kort gezegd- dat hij, aanwezig bij meergenoemde voetbalwedstrijd, zag dat een persoon van de trap af rolde en [A] hem deze persoon later aanwees als de persoon die hem zou hebben geslagen. Deze persoon is door hem aangehouden. Ook heeft hij verklaard dat hij zag dat [A] op dat moment een dik en rood rechteroog had en dat hij zag dat ‘dit oog dicht zat’.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat de KNVB in deze stukken voldoende feitelijke grondslag heeft kunnen vinden voor het uitgangspunt dat [eiser] zich doelbewust heeft gemengd in een vechtpartij, althans een handgemeen tussen Willem II supporters, Feyenoord supporters en stewards van Willem II. Dit geldt onverkort voor het standpunt van de KNVB dat [eiser] [A] een vuistslag in het gezicht heeft gegeven en betrokken is geweest bij openlijke geweldpleging. Hoewel [eiser] zelf heeft verklaard dat hij [A] niet heeft geslagen maar hem een duw heeft gegeven is de rechtbank niet van oordeel dat die enkele verklaring de KNVB (mede gelet op het letsel bij [A]) tot een ander standpunt had dienen te brengen. De KNVB heeft dan ook gerechtvaardigd kunnen aannemen dat er ten aanzien van [eiser]: ‘een gegronde verdenking bestaat dat deze zich, ter gelegenheid van de voetbalwedstrijd Willem II - Feyenoord d.d. 13 april 2008 heeft schuldig gemaakt aan: openlijke geweldpleging en/of het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal.’

4.10. De stelling van [eiser] dat de formulering ‘het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal’ zo algemeen is geformuleerd dat deze onredelijk bezwarend is kan evenmin leiden tot het oordeel dat het stadionverbod niet in stand kan blijven. Nog daargelaten het feit dat de de KNVB haar besluit tevens (gerechtvaardigd) heeft gebaseerd op openlijke geweldpleging (waardoor het slagen van deze stelling van [eiser] niet tot vernietiging van het besluit van de KNVB zou leiden) heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage in haar arrest van 9 augustus 2006 (LJN AY6000) reeds bepaald dat (ook) deze bepaling niet als onredelijk bezwarend worden aangemerkt. Dat dat in concreto anders zou kunnen zijn is door [eiser] wel gesteld maar op grond waarvan dat in het thans voorliggende geval anders is, heeft hij niet onderbouwd. Het enkele feit dat er een zware sanctie op deze misdraging is gesteld is geen omstandigheid die zich alleen in de thans voorliggende omstandigheden voordoet en kan derhalve niet als onderbouwing van zijn stelling worden aangemerkt.

4.11. Ten slotte stelt [eiser] zich op het standpunt dat het stadionverbod onrechtmatig is (geworden), nu de KNVB op grond van de ‘Gedragscode gegevensverwerking stadionverboden en reglement commissie stadionverboden’ en de ‘Aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld’ verplicht is bij een strafrechtelijk sepot de door het Openbaar Ministerie verstrekte gegevens te verwijderen. Deze stelling kan niet slagen reeds omdat er in het onderhavige een melding van Willem II is geweest en uit de opbouw en een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 5 van deze Gedragscode blijkt dat verwijdering slechts aan de orde is indien de melding is gedaan door het Openbaar Ministerie. Door [eiser] is er nog gewezen op dat Willem II of [A] de gegevens van [eiser] via het Openbaar Ministerie heeft ontvangen waardoor er feitelijk toch sprake is van een melding door het Openbaar Ministerie maar deze stelling kan evenmin slagen. Zelfs als de gegevens van [eiser] op deze wijze bij de KNVB bekend zijn geworden kan nog immers niet met succes worden betoogd dat de melding door het Openbaar Ministerie is gedaan.

4.12. Gelet op het vorenstaande kan de stelling van [eiser] dat het stadionverbod onrechtmatig is opgelegd niet slagen.

Disproportioneel

4.13. [eiser] voert subsidiair aan dat een stadionverbod voor de duur van 72 maanden disproportioneel is. Hij wijst er in dit verband in eerste instantie op dat hij in het verleden bij voetbalwedstrijden geen problemen heeft veroorzaakt

recidive

4.14. De rechtbank stelt vast dat in de Richtlijn Termijn Stadionverbod Seizoen 2008/2009 is bepaald:

‘Indien sprake is van recidive, dat wil zeggen indien een persoon niet voor het eerste aan de KNVB wordt gemeld terzake een hieronder genoemde delictsomschrijving, kan de in de Richtlijn termijn stadionverbond genoemde termijn worden verdubbeld. Bij recidive van de zwaarste feiten (20 jaar) kan een levenslang stadionverbod worden opgelegd.’

4.15. Zoals de KNVB terecht opmerkt is de basis van deze richtlijn dan ook dat bij eerste betrokkenheid bij wangedrag de sancties worden opgelegd zoals vermeld in deze richtlijn. Recidive kan reden zijn de sanctie te verdubbelen maar voor het verlagen van de sanctie biedt de richtlijn dan ook geen basis. Dat daarvoor in casu voor de KNVB desalniettemin aanleiding had dienen te bestaan is gesteld noch gebleken.

marge

4.16. Daarnaast wijst [eiser] er op dat de KNVB heeft gekozen voor een stadionverbod van 36 maanden terwijl de Richtlijn Termijn Stadionverbod Seizoen 2008/2009 bij openlijke geweldpleging uitgaat van een marge van 18 tot 36 maanden.

4.17. De KNVB heeft aangevoerd dat [eiser] zich welbewust fysiek heeft misdragen richting beveiligingspersoneel en betrokken is geweest bij de vechtpartij, dan wel het opstootje tussen de supporters. Ter comparitie van partijen heeft de KNVB nog verduidelijkt dat het haar beleid is om, wanneer er sprake is van openlijk geweld tegen goederen, aan de onderkant van het in de richtlijn genoemde aantal maanden te gaan zitten terwijl zij bij openlijk geweld tegen personen het maximum aantal maanden opleggen.

4.18. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de KNVB met dit beleid geen onrechtmatige invulling aan de haar toekomende ruime beleidsvrijheid. Met de KNVB is de rechtbank van oordeel dat een onderscheid in deze twee soorten van openlijk geweld een onderscheid in de op te leggen sanctie -in beginsel- rechtvaardigt. Dat de KNVB dit beleid ook daadwerkelijk toepast heeft zij tijdens de comparitie van partijen verduidelijkt aan de hand van een uitleg van de door haar opgelegde sanctie in de casus welke heeft geleid tot het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 23 juli 2009 (LJN: BJ3510) en is door [eiser] ook niet nader betwist. Dat de KNVB in het onderhavige geval geen redenen heeft gezien van dit door haar gevoerde beleid af te wijken kan, gezien het hiervoor in 4.9 overwogene, evenmin als onrechtmatig worden aangemerkt. Ook deze stelling kan [eiser] derhalve niet baten.

verdubbeling

4.19. [eiser] heeft in dit verband verder aangevoerd dat niet inzichtelijk is waarom de discretionaire bevoegdheid tot verdubbeling onverkort is uitgeoefend.

4.20. De KNVB heeft daaromtrent gesteld dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen (waarvan in casu geen sprake was) wordt bepaald dat een verdubbeling niet op zijn plaats is. Juist omdat het beveiligingspersoneel vrijuit zijn werk moet kunnen doen en zij extra bescherming verdienen wordt hier veel waarde aan gehecht.

4.21. Ook op dit punt is de rechtbank van oordeel dat de KNVB geen onrechtmatige invulling heeft gegeven aan de haar toekomende ruime beleidsvrijheid. Redenen waarom in dit geval van dit beleid door de KNVB had dienen te worden afgeweken zijn de rechtbank, wederom bezien in het licht van hetgeen [eiser] verweten wordt, niet gebleken zodat ook deze stelling van [eiser] niet tot het door hem gewenste gevolg kan leiden.

de rol van [A]

4.22. Tenslotte voert [eiser] aan dat het zeer ongepast is dat de KNVB zich met betrekking tot het opleggen van het stadionverbod en de duur daarvan beperkt tot het eenvoudig bevestigen van het voorstel van Willem II zoals opgesteld door [A]. [eiser] wijst daarbij op het feit dat [A] als aangever/slachtoffer direct betrokkene is, zijn melding van onvoldoende distantie getuigt en hij niet te goeder trouw kan worden beschouwd.

4.23. Met de KNVB is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat een stadionverbod wordt opgelegd conform hetgeen in de melding is vermeld geenszins betekent dat daarmee enkel het voorstel van Willem II of [A] wordt gevolgd. De KNVB heeft onbetwist gesteld dat in de melding wordt aangegeven welke duur er op de betreffende gedraging staat op grond van de Richtlijn Termijnen Stadionverbod 2008/2009 en heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij haar eigen toetsing hanteert en daartoe in dit geval gevolg heeft gegeven aan de regelingen en richtlijnen zoals die daarvoor gelden. De rechtbank is van oordeel dat noch het feit dat [A] naast slachtoffer tevens aangever namens Willem II is, noch de inhoud van de melding van [A] aan de rechtmatigheid van het besluit van de KNVB kan afdoen.

Conclusie

4.24. Uit het vorenstaande volgt dat noch de stelling van [eiser] dat het hem opgelegde stadionverbod alsmede de hem opgelegde boete onrechtmatig zijn, noch zijn stelling dat de duur van het stadionverbod disproportioneel is, met succes aan zijn vorderingen ten grondslag kan worden gelegd. Deze zullen dan ook worden afgewezen.

4.25. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de KNVB worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.030,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de KNVB tot op heden begroot op EUR 1.030,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2009.?

AvM/MH