Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK5244

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
16/711031-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De rechtbank beveelt de gevangenneming van verdachte voor een periode van zestig dagen ter zake van de in de vordering omschreven feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE UTRECHT bevel gevangenneming

Parketnummer: 16/711031-08

De rechtbank te Utrecht, meervoudige raadkamer;

gezien de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 25 november 2009 strekkende tot de gevangenneming van:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Rijnmond, Huis van Bewaring Rijnmond te Rotterdam;

gehoord de officier van justitie, de verdachte en de raadsman mr. H.O. den Otter;

OVERWEEGT als volgt:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd hetgeen is weergegeven in de aan deze beschikking gehechte “Aantekeningen raadkamer 26 november 2009”.

Kort en zakelijk weergegeven is het openbaar ministerie van mening dat de vordering gevangenneming dient te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie in zijn vordering gevangenneming niet ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat die vordering dient te worden afgewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd hetgeen in zijn pleitnota is verwoord. De pleitnota is aan deze beschikking gehecht.

Kort en zakelijk weergegeven stelt de raadsman het volgende.

Primair heeft de raadsman gesteld dat de vordering gevangenneming van de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze gegrond is op artikel 65 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 65 lid 2 Sv ziet op de situatie dat het onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen. De raadsman heeft bepleit dat in deze zaak het onderzoek ter terechtzitting is afgesloten, omdat het wrakingsverzoek is toegewezen en het onderzoek ter terechtzitting derhalve nog zal moeten aanvangen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering gevangenneming dient te worden afgewezen, nu niet, zoals artikel 75 tweede lid Sv eist, is gebleken van nieuwe ernstige bezwaren. Verder is sprake van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, met name van het vertrouwensbeginsel en het verbod van willekeur. Ook acht hij de vordering tardief.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank ziet zich allereerst voor de beantwoording van de vraag gesteld of zij bevoegd is te oordelen over de vordering tot gevangenneming.

De vordering gevangenneming is gegrond op artikel 65 Sv. In dit artikel is bepaald dat de vordering kan worden gedaan nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen. De raadsman heeft bepleit dat het onderzoek ter terechtzitting is afgesloten en opnieuw zal moeten aanvangen, nu het wrakingsverzoek is toegewezen.

De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is op dit moment te oordelen over het gevorderde bevel tot gevangenneming. Het gaat er om, blijkens de tekst van artikel 65 Sv en de uitleg die daaraan in de literatuur en de jurisprudentie wordt gegeven, dat het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak op enig moment is aangevangen. Een wraking heeft weliswaar tot gevolg dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw zal moeten aanvangen, maar dat doet er niet aan af dat in deze zaak het vooronderzoek is gesloten en het onderzoek ter terechtzitting op enig moment is aangevangen.

Artikel 65 lid 2 Sv eist dat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, maar daarin is niet bepaald dat gevangenneming uitsluitend tijdens het onderzoek kan worden bevolen. Indien de gevangenneming buiten het onderzoek ter terechtzitting wordt gevorderd, is de raadkamer bevoegd hierover te beslissen. De rechtbank verwijst daartoe naar artikel 21 vijfde lid Sv.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat de wetgever het mogelijk maakt dat opnieuw een bevel tot voorlopige hechtenis wordt gegeven voor eenzelfde verdenking, ook als eerder de voorlopige hechtenis is opgeheven (zoals in dit geval).

De voorlopige hechtenis van verdachte terzake van deze verdenking is door het Gerechtshof te Arnhem opgeheven op 30 juli 2008, toen het opsporingsonderzoek nog volop bezig was. Inmiddels is het onderzoek van politie en justitie afgerond en heeft een inhoudelijke behandeling plaatsgevonden van de strafzaak. Door het gegrond bevonden wrakingsverzoek is de situatie ontstaan dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw moet aanvangen en is het ongewis wanneer een einduitspraak in eerste aanleg is te verwachten.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie, gelet op deze omstandigheden, in redelijkheid een vordering tot gevangenneming kon indienen. Deze vordering tot gevangenneming is niet tardief of in strijd met beginselen van een goede procesorde te noemen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de raadsman dan ook ten onrechte dat het openbaar ministerie op volkomen willekeurige wijze en met miskenning van de rechten van de verdachte heeft gehandeld. Evenmin is gebleken van een bij verdachte opgewekt vertrouwen dat voor dit feit niet (opnieuw) de voorlopige hechtenis zou worden gevorderd.

Door de raadsman is voorts nog bepleit dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn op basis waarvan de voorlopige hechtenis wederom van kracht zou kunnen worden.

Dit verweer van de raadsman wordt verworpen. De raadsman gaat er ten onrechte van uit dat de rechtbank de vordering dient te beoordelen aan de hand van artikel 75 lid 2 Sv; zoals hiervoor overwogen is sprake van een vordering ex artikel 65 Sv. Hoewel dit betekent dat nieuwe ernstige bezwaren niet zijn vereist, merkt de rechtbank op dat deze er naar haar oordeel wel zijn. De inhoud van de OVC-gesprekken was immers nog niet bekend toen het hof indertijd besloot de voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank zal de vordering tot gevangenneming toewijzen.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er ernstige bezwaren ten aanzien van de feiten genoemd in de vordering tot gevangenneming (die ook in de dagvaarding zijn opgenomen). Tevens bestaan er gronden voor toepassing van de voorlopige hechtenis.

Het bestaan van deze gronden blijkt uit:

- een ernstig gevaar voor vlucht, blijkende uit de hem persoonlijk betreffende omstandigheid dat te verwachten is dat hij zich aan strafvervolging zal onttrekken;

- (een) gewichtige reden(en) van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert, hieruit blijkende:

- dat er sprake is van een verdenking van een feit waarop naar de wettelijke om¬schrijving een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt;

- dat op grond van de persoon van de verdachte, zoals deze blijkt uit de aard van de onderhavige feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan,

- alsmede uit het verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan,

- waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld;

- waardoor de gezondheid en veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht;

BESCHIKKENDE:

Beveelt de gevangenneming van verdachte voor een periode van zestig dagen ter zake van de in de vordering omschreven feiten.

Bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een Huis van Bewaring in dit arrondissement of elders in Nederland.

Aldus gedaan te Utrecht op 1 december 2009 door mrs. Z.J. Oosting, J.M. Bruins en H.A. Brouwer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden als griffier.