Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4955

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
265959 / HA ZA 09-911
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging van arbitraal vonnis College van Arbiters KNVB. Vordering afgewezen. College van Arbiters niet onbevoegd en arbitraal vonnis voldoende duidelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 265959 / HA ZA 09-911

Vonnis van 4 november 2009

in de zaak van

de vereniging

VV HOEK VAN HOLLAND,

gevestigd te Hoek van Holland,

eiseres,

advocaat mr. R. Brouwer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. R. Beele.

Partijen zullen hierna VV Hoek van Holland en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 10 juni 2009

• het proces-verbaal van comparitie van 1 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is gediplomeerd voetbaltrainer. Door VV Hoek van Holland is een concept-arbeidsovereenkomst opgemaakt op grond waarvan [gedaagde] met ingang van 1 augustus 2008 gedurende een jaar werkzaamheden zou verrichten voor VV Hoek van Holland. Tussen partijen is een geschil gerezen over de vraag of de arbeidsovereenkomst ook daadwerkelijk tot stand is gekomen. Door het College van Arbiters van de KNVB is hierover op 7 januari 2009 een arbitraal vonnis gewezen. Het College van Arbiters heeft geoordeeld dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten en heeft hierna VV Hoek van Holland veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen salaris, vermeerderd met rente en kosten.

2.2. De motivering door het College van Arbiters van haar oordeel dat een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand was gekomen, is als volgt:

'Vaststaat dat tussen [gedaagde] en het destijdse bestuur van Hoek van Holland begin 2008 gesproken is over een te sluiten arbeidsovereenkomst. Deze gesprekken hebben geresulteerd in een schriftelijk aanbod van Hoek van Holland aan [gedaagde] om in dienst te treden. Dat staat ook met zoveel woorden te lezen in de verklaring van de heer [A] (oud-secretaris van Hoek van Holland) die door Hoek van Holland in het geding is gebracht als productie 1. De heer [A] verklaart daarin onder andere dat door het dagelijks bestuur en een delegatie van selectiespelers gesprekken gevoerd zijn met [gedaagde] en dat naar aanleiding van deze gesprekken een concept arbeidsovereenkomst is opgesteld. Dit concept is geaccordeerd door het toenmalige voltallige bestuur en naar [gedaagde] gestuurd met het verzoek een en ander te voorzien van zijn commentaar, zodat een definitieve overeenkomst zou kunnen worden opgesteld.

[gedaagde] had weliswaar enkele opmerkingen op dit concept maar dat betroffen slechts enkele kleine en ondergeschikte punten. Op hoofdlijnen ging hij akkoord met de overeenkomst. Anders dan Hoek van Holland stelt, waren dat geen bezwaren tegen de essentialia van de arbeidsovereenkomst, zoals bijvoorbeeld salaris, functie, omvang en duur van de arbeidsovereenkomst, maar in het algemeen kleinere praktische punten zoals het verwijderen van doeltjes na een training en het aanvragen van spelerspassen. Daar is ook tussen partijen over gesproken en dit heeft er niet toe geleid dat Hoek van Holland het aanbod aan [gedaagde] om in dienst te treden heeft ingetrokken.

Integendeel, de toenmalige voorzitter van Hoek van Holland, de heer [B], heeft verklaard dat hij op enig moment (april 2008) - nadat in de pers al aandacht was besteed aan de benoeming van [gedaagde] als de nieuwe trainer –is benaderd door een andere vereniging met de vraag of [gedaagde] bij hen in dienst zou kunnen optreden.

[B] heeft aan die andere vereniging (Texas DHB) meegedeeld dat [gedaagde] de mondelinge overeenkomst zou nakomen met Hoek van Holland.

Ook vindt de arbitragecommissie een aanwijzing voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in het antwoord van Hoek van Holland op de brief van [gedaagde] van 16 juni 2008. In die brief schrijft [gedaagde] dat hij ervan uitgaat dat hij op 27 juli 2008 met de eerste training zou kunnen gaan beginnen. Hoek van Holland bevestigt de ontvangst van die brief, betwist niet dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, maar schrijft dat zij de heer [C] machtigt om de ontstane situatie met [gedaagde] af te handelen en dat de training voor het seizen 08/09 geen doorgang heeft.

Ook uit de brief van de heer [C], die door Hoek van Holland was ingeschakeld om een en ander af te handelen, leidt de arbitragecommissie af dat ook hij ervan uitging dat er een zekere afspraak tussen partijen was gemaakt omdat hij aan de raadsman van [gedaagde] meedeelt dat Hoek van Holland de intentie heeft om te schikken maar niet akkoord gaat met het voorstel van [gedaagde] om te schikken op EUR 6.000,00 netto.

Een belangrijke indicatie dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten, vindt de arbitragecommissie ook in productie 13: de mededelingen van Hoek van Holland “Van de bestuurstafel”. Daarin wordt [gedaagde] geïntroduceerd als de nieuwe trainer van Hoek van Holland met ingang van het nieuwe seizoen. Hoek van Holland weerspreekt niet dat deze mededeling van Hoek van Holland afkomstig is, noch dat zij verantwoordelijk gesteld kan worden voor de inhoud van deze mededeling.

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden, zowel separaat als in onderlinge samenhang bezien, meent de arbitragecommissie dat [gedaagde] het bestaan van de arbeidsovereenkomst heeft aangetoond. Dat [gedaagde] niet op de zaterdagen aanwezig kon zijn, is niet gebleken. Integendeel, ter zitting heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat hij in beginsel iedere dag beschikbaar is om werkzaamheden te verrichten.”

3. Het geschil

3.1. VV Hoek van Holland vordert samengevat - vernietiging van het arbitraal vonnis van 7 januari 2009 en veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van hetgeen zij op basis van het arbitraal vonnis heeft betaald aan [gedaagde], vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van VV Hoek van Holland strekt ertoe het arbitraal vonnis van de arbiters te vernietigen.

4.2. Artikel 1065, lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat vernietiging van een arbitrale vonnis slechts kan plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden:

a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt,

b. het scheidsgerecht is in strijd met daarvoor geldende regelen samengesteld,

c. het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden,

d. het vonnis is niet overeenkomstig het in artikel 1057 bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed,

e. het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde of de goede zeden.

4.3. Daarnaast overweegt de rechtbank dat bij de beantwoording van de vraag of er gronden voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaan, uitgangspunt is dat de rechter terughoudendheid moet betrachten. Deze regel hangt onder meer hiermee samen dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen (vgl. HR 17 januari 2003, RvdW 2003, 17).

4.4. VV Hoek van Holland legt aan haar vordering tot vernietiging van dit arbitrale vonnis ten grondslag dat arbitrage nimmer is overeengekomen, dat het arbitraal vonnis niet met redenen omkleed is en dat het vonnis in strijd is met de openbare orde en/of de goede zeden is.

Artikel 1065 lid 1, aanhef en onder a Rv

4.5. Ter onderbouwing van haar stelling dat geen arbitrage is overeengekomen, voert VV Hoek van Holland aan dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en dat derhalve het arbitragebeding dat in de concept-overeenkomst is opgenomen, tussen partijen niet is overeengekomen.

4.6. [gedaagde] heeft in het licht van die stelling aangevoerd dat het College van Arbiters op grond van het feit dat zowel VV Hoek van Holland als [gedaagde] lid zijn van de KNVB het College van Arbiters wel bevoegd is in een geschil tussen hen. [gedaagde] heeft overigens aangevoerd dat het beroep op de onbevoegdheid van het College van Arbiters op grond van artikel 1065 lid 1 aanhef en sub a Rv in het arbitraal geding voor alle weren dient te geschieden op straffe van rechtsverwerking.

4.7. De rechtbank overweegt als volgt. VV Hoek van Holland heeft ter comparitie aangegeven dat in het kader van de arbitrage niet met zoveel woorden een beroep op de onbevoegdheid van de arbiters is gedaan. De rechtbank zal met het oog hierop het beroep van VV Hoek van Holland op de onbevoegdheid van het College van Arbiters verwerpen. VV Hoek van Holland heeft weliswaar nog aangevoerd dat volgens haar vorige advocaat impliciet tijdens de zitting van het College van Arbiters is gebleken dat er een beroep op onbevoegdheid van de arbiters is gedaan, maar namens [gedaagde], wiens advocaat bij de zitting van het College van Arbiters aanwezig was, is verklaard dat geen impliciet beroep op de onbevoegdheid is gedaan. Uit het verweerschrift van VV Hoek van Holland in het kader van de arbitrage en uit het arbitraal vonnis blijkt geen beroep op de onbevoegdheid van het College van Arbiters. De rechtbank merkt hierbij op dat de bevoegdheid van het College van Arbiters volgt uit het reglement van de KNVB, nu er sprake is van een geschil tussen leden van de KNVB. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van VV Hoek van Holland op de onbevoegdheid van het College van Arbiters niet slaagt.

Artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv

4.8. Ter onderbouwing van haar stelling dat het arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed, voert VV Hoek van Holland aan dat het College van Arbiters middels een niet bestaande samenhang van vermeende feiten en omstandigheden die er bij de beoordeling voor de aan- of afwezigheid van een overeenkomst er niet toe doen, heeft geoordeeld dat een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond. VV Hoek van Holland voert aan dat door het College van Arbiters niet is ingegaan op haar stelling dat geen aanvaarding zijdens [gedaagde] heeft plaatsgevonden. VV Hoek van Holland voert voorts aan dat het College van Arbiters geen blijk heeft gegeven van een juiste rechtsopvatting door te overwegen dat over de essentialia van de arbeidsovereenkomst overeenstemming was.

4.9. [gedaagde] heeft in het licht van die stelling aangevoerd dat de College van Arbiters het arbitraal vonnis voldoende duidelijk heeft gemotiveerd.

4.10. De rechtbank overweegt als volgt. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op een lijn gesteld moet worden, mag de rechter het vonnis vernietigen op de in artikel 1065 lid 1 aanhef en onder d vermelde grond dat het arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed. VV Hoek van Holland onderbouwt haar stelling met inhoudelijke argumenten waardoor zij van de rechtbank in feite een toetsing van het arbitraal vonnis vraagt die neerkomt op de toetsing van een vonnis in hoger beroep. Zoals hierboven onder 4.3 is opgemerkt, kan van een dergelijke toetsing door de rechtbank van een arbitraal vonnis geen sprake zijn.

4.11. VV Hoek van Holland heeft bezwaren tegen het oordeel van het College van Arbiters dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en dat overeenstemming was over de essentialia van de overeenkomst. In deze procedure is echter doorslaggevend dat het College van Arbiters deze oordelen voldoende heeft gemotiveerd. Het College van Arbiters heeft de verschillende feiten genoemd die zij van belang acht bij haar oordeel dat een arbeidsovereenkomst bestond. Het College van Arbiters heeft aangegeven welke onderwerpen zij tot de essentialia van de overeenkomst rekende en van de onderdelen die zij aanmerkte als kleinere praktische punten.

Een inhoudelijke toetsing ten aanzien van de vraag of het College van Arbiters tot het oordeel kon komen dat de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien duiden op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en ten aanzien van de vraag of het College van Arbiters tot het oordeel kon komen dat er over de essentialia van de overeenkomst overeenstemming was, is thans niet aan de orde. De rechtbank toetst slechts of de motivering van de genoemde oordelen de toets van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv kan doorstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.

4.12. Het College van Arbiters heeft ook, anders dan VV Hoek van Holland stelt, een oordeel gegeven over de stelling van VV Hoek van Holland dat geen aanvaarding van de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] heeft plaatsgevonden. Zoals uit het hierboven onder 2.2. weergegeven deel van het arbitraal vonnis blijkt, heeft het College van Arbiters uitdrukkelijk overwogen dat [gedaagde] op hoofdlijnen akkoord ging met de overeenkomst.

4.13. De rechtbank komt tot de slotsom dat de motivering van het onderhavige arbitraal vonnis voldoende duidelijk is en niet gebrekkig. Voor vernietiging op grond van artikel 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv is daarom geen plaats.

Artikel 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv

4.14. Ter onderbouwing van haar stelling dat het arbitraal vonnis in strijd is met de openbare orde of goede zeden, voert VV Hoek van Holland aan dat de gronden van deze stelling dezelfde zijn als ten aanzien van de stelling dat het vonnis niet met redenen is omkleed.

4.15. De rechtbank overweegt als volgt. Indien een arbitraal vonnis in het geheel geen motivering behelst, zal mogelijke vernietiging ervan (mede) op grond van strijd met de openbare orde kunnen worden gevorderd, waarbij nog geldt dat artikel 1065 lid 1, aanhef en onder e terughoudend moet worden toegepast. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtoverweging 4.8 tot en met 4.13 is overwogen, zal ook het beroep op de vernietigingsgrond van art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv niet kunnen slagen.

4.16. Vv Hoek van Holland zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht 262,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Vv Hoek van Holland in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.166,00.

Dit vonnis is gewezen door M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.

MSK