Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4922

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
250527 / HA ZA 08-1182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval auto/fietser.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/11

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 250527 / HA ZA 08-1182

Vonnis van 28 oktober 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.M.J. Driessens- Kuijpers,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D. van de Lockant- Geschiere.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 augustus 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 17 december 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 6 februari 2006, omstreeks 08:00 uur, heeft in de gemeente Zeist, buiten de bebouwde kom, op het kruisvlak van de Driebergseweg met de Breullaan een verkeersongeval plaatsgevonden. [eiseres], rijdend op een fiets op een afzonderlijk fietspad van de Driebergseweg in de richting van Zeist (hierna te noemen: het fietspad), kwam op dit kruisvlak in aanrijding met een voor haar van links komende, vanaf de Odijkerweg over de Driebergseweg naar de Breullaan rijdende personenauto (van het merk Daihatsu; hierna te noemen: de auto), bestuurd door [gedaagde]. [eiseres] heeft de auto aan de rechterachterzijde geraakt. De kruising van de Driebergseweg met enerzijds de Odijkerweg en anderzijds de Breullaan is beveiligd door middel van verkeerslichten, die ten tijde van het verkeersongeval in werking waren. Ter plaatse van de fietspaden staan voor (brom)fietsers geldende verkeerslichten. Ter plaatse geldt een snelheidslimiet van 80 km/u. [gedaagde] is met een snelheid van ongeveer 30 km/u het kruisvlak van de Odijkerweg met de Driebergseweg opgereden.

2.2. In het proces verbaal van de politie Utrecht PLO92O/06-042477 staat onder meer vermeld:

"18. Beknopte duidelijke omschrijving van het ongeval.

14.1. [rechtbank: [eiseres] wordt met "14.1." aangeduid] bereed als bestuurster van haar fiets het fietspad van de Driebergseweg, komende uit de richting Driebergen-Rijsenburg en gaande in de richting van Zeist. Gekomen ter hoogte van de kruising Driebergseweg met de Breullaan, reed zij door het aldaar aanwezige driekleurige verkeerslicht.

14.2. [rechtbank: [gedaagde] wordt met "14.2." aangeduid] bereed als bestuurster van haar personenauto, de rijbaan van de Odijkerweg, komende uit de richting Zeisterweg en gaande in de richting van de Arnhemse bovenweg te Zeist.

Getuigen 1. [getuige 1] (...)

18. Vervolg omschrijving van het ongeval

Gekomen op de kruising Driebergseweg met de Breullaan, reed 14.1 zoals aangegeven door het rode verkeerslicht en kwam vervolgens met de voorzijde van haar fiets in botsing met de rechterzijde van het voertuig van 14.2."

2.3. De heer [getuige 2] heeft bij brief van 4 september 2007 een getuigenverklaring opgesteld. In deze brief schrijft hij onder meer:

"Onderstaand mijn getuigenverklaring van het ongeval dd. 6 februari 2006.

Op 6 februari 2006 reed ik met de fiets over de Breullaan van Zeist naar het station Driebergen/Zeist. Een vrijwel dagelijkse fietsroute op weg naar mijn werk.

Einde Breullaan moeten fietsers naar de linkerkant van de weg en daar wordt het fietspad een stukje tweerichtings fietspad. Bij dit oversteken is het altijd goed opletten omdat je dan goed moet kijken of er tegemoet komend verkeer aankomt vanaf de Driebergseweg of van de overzijde, de Odijkerweg.

Op het moment dat ik overstak van de rechterzijde naar de linkerzijde van de Breullaan kreeg het verkeer uit de Odijkerweg groen licht en kwam de verkeerstroom op gang. Na enkele auto's die de Driebergseweg op gingen, was er een witte Daihatsu, die rechtdoor ging over de kruising naar de Breullaan. Het verkeer op de Driebergseweg stond nog stil voor rood en dus ook voor fietsers. Auto's en fietsers krijgen gelijk groen resp. rood.

Voor mij kwam een mevrouw van links aanfietsen om rechtdoor te gaan. Aangezien ik zelf linksaf datzelfde fietspad op wilde, zag ik haar voor me langs gaan. Er stonden nog enkele fietsers te wachten om de Breullaan over te steken. Een tel later hoorde ik een klap, ben gestopt en heb die mevrouw overeind geholpen. (...)

2.4. Als gevolg van de botsing is [eiseres] gevallen. Zij is door een ambulance naar het Diakonessenhuis ziekenhuis vervoerd, waar zij is onderzocht. Op 6 februari 2006 is zij uit dit ziekenhuis ontslagen.

2.5. In een brief van 7 maart 2006 schrijft H.T.F. van de Weijer, orthopaedisch chirurg, onder meer het volgende:

"Betreft:

Mevrouw [eiseres], [1964] (...)

Bovengenoemde patiënte zag ik op 14-02-06 op mijn polikliniek.

Anamnese:

1 week geleden is zij gevallen en liep daarbij een letsel van de lumbale wervelkolom op. (...) Röntgenonderzoek wervelkolom:

Er is een recente fractuur van corpus thoracale XII met een lichte compressievorming. (...) Bovendien bevinden er zich op niveau L4-L5 oude afwijkingen, passend bij een lysis olisthesis. Conclusie en beleid:

Conclusie: er is recent een fractuur van corpus ThXII van stabiele aard.

Beleid: ik adviseerde een Hewitt-brace. Controle zal in haar vaderland Polen plaatsvinden."

2.6. De wettelijke aansprakelijkheid waartoe de door [gedaagde] bestuurde auto aanleiding kon geven, was ten tijde van het ongeval door haar vader bij Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna te noemen: Achmea) verzekerd.

2.7. Bij schrijven van 1 mei 2007 is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade voorvloeiende uit het op 6 februari 2006 plaatsgevonden verkeersongeval.

2.8. Bij schrijven van 13 mei 2007 heeft [gedaagde] aansprakelijkheid ontkend.

2.9. Bij schrijven van 28 augustus 2008 is Achema als verzekeraar verzocht de aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens [eiseres] voor de schade voortvloeiende uit de op 6 februari 2006 plaatsgevonden botsing te erkennen.

2.10. Bij schrijven van 19 februari 2008 heeft Achmea aan de raadsvrouw van [eiseres] laten weten dat aan de zijde van [gedaagde] sprake is van overmacht, en dat zij gelet daarop geen schadevergoeding in het vooruitzicht stelt.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

1. een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden en nog steeds lijdt ten gevolge van het ongeval van 6 februari 2006, waarbij zowel [eiseres] als [gedaagde] betrokken waren,

2. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eiseres] dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 185 van de Wegenverkeerswet (WVW) in verbinding met artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor het verkeersongeval en de gevolgen daarvan. Over de toedracht van het verkeersongeval stelt [eiseres] dat zij bij het naderen van de kruising van de Driebergseweg met de Breullaan de enige fietser op het fietspad van de Driebergseweg was, terwijl zij zag dat het voor haar als fietser geldend verkeerslicht groen licht uitstraalde. Gelet daarop is zij doorgefietst. Op het kruisvlak van de Driebergseweg met de Breullaan is zij tegen de door [gedaagde] bestuurde auto gereden en is zij vervolgens gevallen. Als gevolg van het verkeersongeval heeft zij letsel aan haar wervelkolom opgelopen. Haar artsen in Polen overwegen [eiseres] te opereren. Er is nog geen sprake van een medische eindsituatie.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres]. Over de toedracht van het verkeersongeval stelt [gedaagde] dat zij op de Odijkerweg kwam aanrijden, terwijl drie auto's vóór haar op de Odijkerweg vóór het voor hen geldend verkeerslicht stilstonden. Toen dit verkeerslicht groen licht uitstraalde, begonnen de drie auto's te rijden. [gedaagde] is aangesloten en de kruising van de Odijkerweg met de Driebergseweg met een lage en gepaste snelheid van 30 km/u opgereden. De drie vóór haar rijdende auto's zijn op de kruising van de Odijkerweg met de Driebergseweg linksaf afgeslagen, en [gedaagde] is rechtdoor gereden. Bij het naderen van de kruising van de Odijkerweg met de Driebergseweg heeft zij naar links en naar rechts gekeken. Zij heeft gezien dat er auto's op de Driebergseweg, in beide richtingen, stilstonden en wachtten. Tevens heeft zij bij het naderen van de kruising ook gezien dat op de rechterhoek aan de overzijde van de kruising, vanuit haar positie gezien, een groep fietsers stilstond en wachtte. [gedaagde] heeft [eiseres] niet opgemerkt. Eerst nadat [gedaagde] de kruising van de Driebergseweg met de Breullaan c.q. het fietspad voorbij was gereden, is [eiseres] tegen de rechter achterkant van de auto gereden. [eiseres] heeft het voor haar geldende verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, genegeerd.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter afwering van de vorderingen heeft [gedaagde] in de eerste plaats gesteld dat haar vader de eigenaar van de auto is, en dat zij niet als eigenaar of houder van de auto in de zin van artikel 185 WVW kan worden aangemerkt, zodat om die reden [eiseres] geen beroep op het bepaalde in artikel 185 WVW kan doen. Dit verweer wordt onderbouwd met een aanrijdingsformulier ingevuld door de vader van [gedaagde] ten behoeve van de verzekeraar. [eiseres] heeft dit betwist en gesteld uit de informatie die zij tot de conclusie van antwoord in deze procedure heeft ontvangen, te hebben mogen afleiden dat [gedaagde] wel degelijk eigenaar of houder van de auto was. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] haar verweer op dit punt onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd terwijl dit wel op haar weg lag. Het aanrijdingsformulier geeft geen uitsluitsel over de vraag of de vader van [gedaagde] inderdaad de verzekeringnemer is. Over de vraag wie eigenaar of houder van de auto was zegt dit stuk al helemaal niets. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer en bepaalt dat [eiseres] een beroep op artikel 185 WVW kan doen.

4.2. [gedaagde] betwist vervolgens dat zij voor het verkeersongeval en de gevolgen daarvan aansprakelijk is, omdat aan haar zijde sprake is van overmacht. Daartoe dient de rechtbank vast te stellen of [gedaagde] rechtens gezien enig verwijt valt te maken omtrent de wijze waarop zij aan het verkeer heeft deelgenomen. Uitgangspunt daarbij is dat men er in het verkeer in het algemeen niet op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich nauwgezet aan de regels houdt en dat men zich in redelijkheid zodanig dient te gedragen dat een adequate reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft. Volgens vaste jurisprudentie is het enkele negeren van een rood licht door een fietser niet zo onwaarschijnlijk dat een automobilist daarmee in redelijkheid geen rekening hoeft te houden.

4.3. De rechtbank dient nu eerst vast te stellen wat de feitelijke gang van zaken rondom het ongeval is geweest. [eiseres] heeft gesteld dat zij geen rood licht heeft genegeerd. Die stelling heeft zij niet verder onderbouwd. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist. Zij verwijst daarbij naar het proces verbaal (zie overweging 2.2), de schriftelijke getuigenverklaring van de heer [getuige 2] (zie overweging 2.3) en haar eigen verklaring. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daarmee voldoende heeft aangetoond dat [eiseres] wel degelijk het voor haar bestemde rode licht heeft genegeerd. De rechtbank zal ook voor het vaststellen van de overige relevante feiten en omstandigheden uitgaan van het ambtsedig proces-verbaal en de verklaring van getuige [getuige 2]. Deze zijn door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank acht van belang dat [gedaagde] bij daglicht met ongeveer 30 km per uur (waar 80 km per uur was toegestaan) over een kruising reed. Zij had groen licht. Er stond een aantal fietsers voor een verkeerslicht te wachten op het punt waar [eiseres] even later het rode licht zou negeren. [eiseres] fietste kort voor de botsing voor Getuige [getuige 2] langs. Uitgaande van de verklaring van deze getuige, de door hem gemaakte schets en de luchtfoto opgenomen in overweging 2.1, gebeurde dat tussen de 7 en 10 meter voor de plaats van het ongeval. Hieruit concludeert de rechtbank dat [eiseres] zonder in te houden is doorgefietst. Dat strookt ook met haar eigen verklaring. De getuige zegt dat hij een tel nadat de fietser hem passeerde een klap hoorde. [eiseres] is tegen de rechterachterzijde van de auto waarin [gedaagde] reed, gebotst. Dit gebeurde op zeer korte afstand van het voor [eiseres] bestemde verkeerslicht. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] de weg moet zijn opgereden op een moment waarop de auto van [gedaagde] de plaats van het ongeval reeds zo dicht was genaderd, of mogelijk reeds gedeeltelijk was gepasseerd, dat [gedaagde] redelijkerwijs een aanrijding niet meer kon vermijden. [gedaagde] kan voorts niet verweten worden dat zij zodanig verkeersgedrag vertoonde dat zij niet adequaat op onvoorzichtig gedrag van anderen kon reageren. Haar snelheid was fors lager dan ter plekke toegestaan en zij heeft gekeken of het overige verkeer (inclusief de fietsers) de weg voor haar vrij hielden. Zij heeft gezien dat fietsers bij het voor hen bestemde verkeerslicht stonden te wachten. Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zich kan beroepen op overmacht en dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van het ongeval.

4.4. Hetgeen partijen anders of meer hebben aangevoerd behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

4.5. [eiseres] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten x factor 1,0 x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

4.6. De rechter die de comparitiezitting heeft gehouden is om organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen.

5. De beslissing De rechtbank,

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.158,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2009.

JvdB/SH