Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4883

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
203123 / HA ZA 05-2242
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Benoeming arbeidsdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

203123 / HA ZA 05-224211 november 2009

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 203123 / HA ZA 05-2242

Vonnis van 11 november 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.J.M. Gussenhoven,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd en kantoorhoudende te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en Bovemij genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 21 november 2007

• de brief van 22 november 2007 van Bovemij, met het verzoek om een herstelvonnis

• de brief van 30 november 2007 van [eiser], inhoudende een reactie op voornoemde brief van Bovemij

• het tussenvonnis van 12 december 2007, inhoudende een afwijzing van voornoemd verzoek

• het deskundigenbericht

• de akte niet dienen, verleend aan [eiser]

• de conclusie na deskundigenbericht van Bovemij

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

2. De verdere beoordeling

2.1. Tussen partijen bestaat onduidelijkheid omtrent de datum van het ongeval dat ten grondslag ligt aan de voorliggende vordering. Gelet op het proces-verbaal van de politie gaat de rechtbank ervan uit dat het ongeval heeft plaatsgevonden op 28 september 2001.

2.2. Partijen zijn overeengekomen dat Bovemij 70% van de in deze procedure vast te stellen schade zal vergoeden.

2.3. [eiser] heeft bij conclusie van repliek gesteld de volgende schade te hebben geleden, dan wel in de toekomst (berekend tegen een contante waardefactor van 22,7) te zullen lijden:

- verlies van arbeidsvermogen EUR 441.837,74

- kosten huishoudelijke hulp EUR 98.820,00

- kosten verlies zelfredzaamheid EUR 27.450,00

- smartengeld EUR 40.000,00

- buitengerechtelijke incassokosten EUR 4.676,95

- kosten rapportages EUR 824,51

- ziekenhuisdaggeldvergoeding EUR 3.275,00

- reiskosten EUR 400,00

- extra telefoonkosten EUR 400,00

- schade kleding EUR 250,00

TOTAAL EUR 617.934,20

De tot 1 juli 2006 verschenen wettelijke rente bedraagt volgens [eiser] in totaal EUR 13.569,68. Na aftrek van het door Bovemij betaalde voorschot van EUR 5.000,00 resteert een schadebedrag inclusief voornoemde rente van EUR 626.503,88. [eiser] vordert betaling van EUR 624.096,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2006, alsmede de proceskosten.

Verlies van arbeidsvermogen

2.4. De gestelde schade als gevolg van het verlies van arbeidsvermogen is als volgt opgebouwd:

per 1 juli verschenen schade EUR 28.841,29

toekomstige schade vanaf 1 juli 2006 EUR 368.667,35

fiscale component EUR 44.329,10.

De tot 1 juli 2006 verschenen rente bedraagt volgens [eiser] EUR 768,48.

2.5. Ter onderbouwing heeft [eiser] een rapport in het geding gebracht van Laumen RE&O, rekenkundig expertisebureau, gedateerd 16 juni 2006. Met betrekking tot zijn arbeidsvermogen voor het ongeval heeft [eiser] gesteld dat hij de basisschool en de MAVO heeft afgerond. Vervolgens zou hij drie jaar een VMBO opleiding hebben gevolgd maar zijn gezakt voor het eindexamen. Ter comparitie en bij conclusie van repliek heeft [eiser] stukken overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij in de periode tussen mei 1997 en september 2001, meestal via uitzendbureaus, met tussenpozen in totaal ongeveer 17 maanden heeft gewerkt als voeger of als productiemedewerker.

2.6. [eiser] stelt voorts dat hij, indien het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, uiteindelijk het VMBO zou hebben afgemaakt en vanaf 2004 een inkomen op MBO niveau zou hebben kunnen realiseren. Bij de berekening van de schade is dit dan ook als uitgangspunt genomen. Verder is er daarbij van uitgegaan dat [eiser] geen recht heeft op enige uitkering, noch op bijstand in het geval hij schadeloos wordt gesteld.

2.7. De psychiater Koerselman heeft in zijn rapport van 5 maart 2009 de door de rechtbank voorgelegde vragen beantwoord. Samengevat concludeert de psychiater dat als gevolg van het ongeval een posttraumatische verscherping van reeds bestaande antisociale karaktertrekken is opgetreden en dat thans sprake is van een medische eindtoestand. Ten aanzien van het verrichten van arbeid door [eiser] zijn er volgens de psychiater beperkingen in het persoonlijk functioneren in die zin dat er binnen de werkomgeving tolerantie dient te bestaan voor vreemd of onvoorspelbaar gedrag. In het sociaal functioneren is eveneens sprake van beperkingen; [eiser] kan anderen door zijn uitingen in verwarring brengen en hij mag geen functies uitoefenen waarbij conflicthanterend vermogen een rol speelt. Het door de psychiater geconstateerde onaangepaste gedrag van [eiser] kan volgens hem deels worden verklaard door een postcontusionele persoonlijkheidsverandering. Hij schat dat het ongeval een functieverlies van 15% voor [eiser] tot gevolg heeft gehad. De psychiater ziet geen noodzaak voor een urenbeperking.

Omdat de vastgestelde beperkingen primair het gevolg zijn van gedragsstoornissen acht de psychiater ander medisch onderzoek niet noodzakelijk. Nader (betrouwbaar) neuropsychologisch onderzoek is volgens de psychiater niet goed mogelijk in verband met een gebrek aan medewerking door [eiser]. Er is geen specifieke behandeling beschikbaar; strikte begeleiding met gedragscorrigerende elementen acht de psychiater het meest geschikt. De psychiater verwacht in dit verband echter weinig medewerking van [eiser], hetgeen, schattend, in gelijke mate wordt veroorzaakt door de reeds voor het ongeval bestaande persoonlijkheid en de postcontusionele verergering.

2.8. [eiser] heeft niet inhoudelijk op het rapport gereageerd.

2.9. Bovemij heeft de psychiater laten weten dat haar medisch adviseur zich in het rapport kan vinden. Bij conclusie na deskundigenbericht heeft Bovemij betoogd dat het thans benoemen van een arbeidsdeskundige niet zinvol is omdat uit het psychiatrisch rapport geen door het ongeval veroorzaakte toename van beperkingen naar voren komt. [eiser] realiseerde volgens Bovemij voor het ongeval feitelijk ook geen inkomen en een toename van 15% in het onaangepaste gedrag is dan ook niet van invloed op het verdienvermogen. Volgens Bovemij was en blijft het verdienvermogen van [eiser] hetzelfde, namelijk op minimumniveau. Nu [eiser] op dit moment een uitkering geniet die hoger is dan hetgeen hij voor het ongeval aan inkomsten had, is volgens Bovemij bovendien van een financiële terugval geen sprake. Verder heeft Bovemij gesteld dat het bepalen van vóór het ongeval aanwezig onaangepast gedrag feitelijk niet mogelijk is, zodat het percentage van 15% niet meer dan een benadering kan zijn.

Subsidiair stelt Bovemij zich op het standpunt dat de kosten van het arbeidskundig onderzoek voor rekening van [eiser] dienen te komen.

2.10. De rechtbank leidt allereerst uit de stellingen en de overgelegde stukken, waaronder met name het stagecertificaat van het Neder-Veluwe college (een MBO- instelling), waaruit blijkt dat [eiser] in 1994 (hij is dan 18 jaar) een stage bij de SNS-bank heeft gelopen, af dat [eiser] na afronding van de MAVO bij genoemd college een opleiding op MBO-niveau is begonnen. De stelling van [eiser] dat dit een VMBO opleiding is geweest zal de rechtbank, mede bezien in het licht dat onaannemelijk is dat na de MAVO ook nog een VMBO opleiding wordt gevolgd, dan ook als een kennelijke vergissing beschouwen. Niettemin is de rechtbank, in lijn met hetgeen Bovemij bij conclusie van dupliek heeft aangevoerd, van oordeel dat [eiser] het bij de berekening van zijn verlies aan verdienvermogen gehanteerde uitgangspunt, dat hij zonder ongeval zijn MBO-opleiding alsnog zou hebben afgerond, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser], blijkens zijn verklaring ter comparitie, reeds in 1995 met de opleiding is gestopt. Daarna heeft hij tot 2001 onregelmatig als productiemedewerker en voeger gewerkt. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, dient de kans dat [eiser] daarna op 26 of 27-jarige leeftijd nog zijn opleiding zou hebben afgemaakt, naar het oordeel van de rechtbank als verwaarloosbaar klein te worden aangemerkt en derhalve buiten beschouwing te worden gelaten. Het in het rekenkundig rapport gehanteerde uitgangspunt, dat [eiser] zonder ongeval vanaf 2004 een inkomen op gemiddeld MBO-niveau zou hebben gerealiseerd, kan op grond daarvan geen stand houden. Hieruit volgt dat dit rapport niet kan worden gebruikt voor de vaststelling van het hypothetisch arbeidsinkomen.

2.11. De rechtbank stelt voorts vast dat zowel het door de psychiater geconstateerde functieverlies van 15% als de door hem vastgestelde beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van [eiser] onweersproken zijn gebleven. De rechtbank leidt, in tegenstelling tot Bovemij, uit deze conclusies van de psychiater af dat er sinds het ongeval sprake is van een toename van (blijvende) beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Niet gesteld, noch gebleken is dat de pre-existentiële verschijnselen met betrekking tot het gedrag van [eiser] ook zonder ongeval zouden zijn verslechterd. Evenmin gesteld of gebleken is dat [eiser] voor het ongeval in enige mate arbeidsongeschikt was. Dat zijn arbeidsverleden (op 25-jarige leeftijd) weinig consistent is, is daarvoor niet maatgevend. Voorts kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de arbeidssituatie van iemand op die leeftijd onveranderlijk is. Het verweer van Bovemij dat [eiser] voor het ongeval geen verdienvermogen had, of dat hij zonder ongeval thans geen arbeidsinkomen zou hebben, wijst de rechtbank dan ook voorshands als onjuist van de hand. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het feit dat de 15% slechts een benadering is en geen zekerheid biedt, inherent is aan de onderhavige situatie en niet voor rekening van [eiser] dient te komen.

2.12. De stelling die Bovemij bij conclusie van dupliek heeft aangevoerd, te weten dat [eiser] na 1 april 2006 geen schade als gevolg van het ongeval heeft geleden of zal lijden omdat hij toen op basis van een re-integratietraject bij Groen-UZB werk had gevonden en dus kennelijk arbeid kan verrichten op zijn oorspronkelijk niveau, acht de rechtbank voorbarig. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit feit op zichzelf niet voldoende is om aan te nemen dat [eiser] toen, of nu, een zelfde inkomen kan verwerven als voor het ongeval, noch dat het uitsluitend aan andere factoren dan het ongeval te wijten is dat hij sindsdien geen werk behouden heeft. Ten aanzien van het verweer van Bovemij dat [eiser], nu hij thans een bijstandsuitkering ontvangt, in financieel opzicht niet is achteruit gegaan, overweegt de rechtbank ten slotte dat met deze uitkering, gelet op het recht op terugvordering door de uitkerende instantie, bij de schadevaststelling geen rekening kan worden gehouden.

2.13. Nu partijen de door de psychiater vastgestelde beperkingen inhoudelijk niet hebben betwist en niet is gebleken van fysieke beperkingen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een nader onderzoek naar de beperkingen in de belastbaarheid van [eiser] door een (andere) medisch deskundige. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] zijn standpunt, dat een arbeidsdeskundige dient te worden benoemd, handhaaft. Omdat partijen van mening verschillen over de mogelijkheden van [eiser] om arbeid te verrichten, althans over de vraag of deze zijn afgenomen sinds het ongeval, acht de rechtbank benoeming van een arbeidsdeskundige noodzakelijk. De door de psychiater vastgestelde functionele beperkingen dienen bij het door de arbeidsdeskundige te verrichten onderzoek als uitgangspunt te worden genomen. Ten aanzien van de situatie voor het ongeval dient te worden uitgegaan van de door [eiser] verrichte arbeid als voeger en/of productiemedewerker, rekening houdend met het verloop van zijn arbeidsverleden, zoals blijkt uit het door hem overgelegde document “Arbeidsverleden voor het ongeval d.d. 28 september 2001”.

De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten van het arbeidskundig onderzoek op voorhand voor rekening van [eiser] te laten komen maar zal bepalen dat het voorschot door Bovemij dient te worden voldaan.

Huishoudelijke hulp

2.14. [eiser] stelt als gevolg van het ongeval niet in staat te zijn om volledig zelfstandig te wonen. Hij heeft een rapport Indicatiestelling doen opstellen door het Indicatie- en Adviesbureau Zeeman waaruit volgens hem blijkt dat hij 7 uur en 30 minuten per week begeleiding nodig heeft. Hierdoor lijdt hij een totale schade (uitgaande van EUR 3.600,- per jaar) tot 1 juli 2006 van EUR 17.100,- en daarna, tot de leeftijd van 70 jaar, EUR 81.720,-. De tot 1 juli 2006 verschenen rente bedraagt volgens [eiser] EUR 1.283,01.

2.15. Volgens Bovemij blijkt uit het door [eiser] overgelegde indicatierapport van Zeeman dat niet is komen vast te staan dat [eiser] permanente begeleiding nodig heeft. Bovendien acht Bovemij het niet aannemelijk dat [eiser] ooit zelfstandig zou zijn gaan wonen; voor het ongeval woonde hij immers bij zijn broer of leefde hij op straat. In dit verband is er volgens Bovemij geen schade.

2.16. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat het door [eiser] overgelegde rapport onvoldoende onderbouwing biedt voor hetgeen hij thans vordert. Allereerst valt daaruit niet af te leiden of [eiser] voordat het ongeval plaatsvond in staat was volledig zelfstandig te wonen zodat nog onvoldoende zicht bestaat op het oorzakelijk verband. In de tweede plaats is het aantal door het Indicatiebureau geadviseerde uren slechts bedoeld om vast te stellen wat de behoefte is, zodat van een permanente indicatie geen sprake is. Pas nadat de arbeidsdeskundige de door de rechtbank te stellen vragen zal hebben beantwoord zal nadere beoordeling van deze behoefte plaats kunnen vinden. De rechtbank merkt thans reeds op dat het feit dat [eiser] tot zijn 25e levensjaar niet zelfstandig heeft gewoond, op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat zijn behoefte aan huishoudelijke hulp door het ongeval niet is toegenomen.

Verlies zelfredzaamheid

2.17. Omdat hij ten gevolge van het ongeval zijn hobby's niet meer kan uitoefenen of dagelijkse klusjes kan doen, vordert [eiser] een schadevergoeding, uitgaande van EUR 1.000,- per jaar tot de leeftijd van 75 jaar, ter hoogte van EUR 4.750,- (de rechtbank gaat hierbij uit van het onder punt 36 van de conclusie van repliek vermelde bedrag en beschouwt het onder punt 44 opgenomen bedrag (EUR 4.650,-) als een kennelijke vergissing) tot 1 juli 2006 en EUR 22.700,- voor de periode daarna. De tot 1 juli 2006 verschenen rente bedraagt volgens [eiser] EUR 356,39.

2.18. Voor de beoordeling van gestelde schade, geleden en te lijden als gevolg van verlies aan zelfredzaamheid, geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat hiervoor het deskundigenbericht dient te worden afgewacht.

Smartengeld

2.19. Nu hij zijn hobby's niet meer kan uitoefenen en niet meer kan werken en ook dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van de hersenbeschadiging is de kwaliteit van zijn leven volgens [eiser] aanzienlijk beperkt. Hij vordert op grond daarvan een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van EUR 40.000,-, alsmede de hierover tot 1 juli 2006 verschenen rente ter hoogte van EUR 11.161,80

2.20. Bovemij heeft ten aanzien van dit deel van de vordering aangevoerd dat de situatie van [eiser] door het ongeval niet is verslechterd. Vanwege het door [eiser] geleden zwaar en ook blijvend letsel, acht Bovemij een aanspraak op smartengeld echter terecht. Bovemij wil op die basis tijdens een nadere comparitie van partijen nogmaals een schikking beproeven. Bij conclusie van dupliek heeft Bovemij aangegeven een vergoeding tussen de EUR 20.000,- en EUR 25.000,- passend te vinden.

2.21. De rechtbank overweegt dat het voor de beoordeling van de vordering tot betaling van smartengeld onder meer noodzakelijk is de (blijvende) gevolgen te kennen die [eiser] ondervindt bij het verrichten van arbeid, huishoudelijk werk en het persoonlijk-sociaal functioneren. Daartoe acht de rechtbank het wenselijk dat eerst het arbeidskundig onderzoek is afgerond.

Overige vorderingen

2.22. De rechtbank zal de beoordeling van de overige vorderingen, waaronder ook de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van EUR 4.676,95, aanhouden.

Benoeming deskundige

2.23. Voordat tot het inwinnen van een deskundigenbericht wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Ook kunnen partijen reageren op de hieronder door de rechtbank voorgestelde vragen. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. Gelet op het verzoek van Bovemij tot het houden van een nadere comparitie van partijen, zal de rechtbank partijen tevens in de gelegenheid stellen zich hieromtrent uit te laten. Indien beide hieraan de voorkeur geven, zal de rechtbank een comparitie gelasten, welke mogelijk meervoudig zal plaatsvinden. Indien geen comparitie plaatsvindt, dan wel indien tijdens de comparitie geen schikking tot stand komt, zal het deskundigenbericht worden ingewonnen.

2.24. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige zal worden verzocht voor zover nodig een belastbaarheids- en beperkingenprofiel op te stellen, dan wel te doen opstellen. De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat aan de arbeidsdeskundige de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Gegeven de werkervaring, het arbeidsverloop, het opleidingsniveau en de leeftijd van [eiser], alsmede de conclusie van de psychiater dat de geconstateerde functionele beperkingen voor 15% het gevolg zijn van het ongeval, kunt u een indicatie geven van de te verwachten loopbaan van [eiser] in het geval geen ongeval zou hebben plaatsgevonden? Wat is het hiermee samenhangende te verwachten bruto-inkomen?

2. Betekenen de functiebeperkingen, zoals deze zijn beschreven in het rapport van de psychiater, dat [eiser] arbeidskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid, huishoudelijk werk en/of andere werkzaamheden?

3. Gelet op de (eventuele) beperkingen, de opleiding en de werkervaring van [eiser], welke werkzaamheden zijn voor hem als passend te duiden? Kan een praktische bij- en/of omscholing in dit opzicht een positieve bijdrage leveren?

4. Indien sprake is van passende werkzaamheden, al dan niet na bij- of omscholing:

• hoeveel uur per week zou [eiser] met deze arbeid belast kunnen worden?

• welk bruto-inkomen kan [eiser] met deze arbeid verdienen?

• welke opleidingen zou [eiser] eventueel moeten volgen, hoe lang duren deze opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden?

• hoe groot zijn de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt voor dit soort werk bij bedrijven/instellingen in de omgeving van [eiser]?

5. Kunt u, uitgaande van de veronderstelling dat passende arbeid beschikbaar is, aangeven wat, in vergelijking met hetgeen u in antwoord op vraag 1 heeft bepaald, het (netto) op geld waardeerbare verlies aan arbeidsvermogen is?

6. Hoe groot is de behoefte aan hulp per week als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van huishoudelijk werk? Welk soort hulp betreft dit? Welke kosten zijn hiermee gemoeid? In hoeverre is het door de psychiater vastgestelde 15% functieverlies bepalend voor deze behoefte?

7. Hoe groot is de behoefte aan hulp bij andere werkzaamheden (in het kader van zelfredzaamheid) als gevolg van de beperkingen? Om welke hulp gaat het? In welke mate is het door de psychiater vastgestelde 15% functieverlies hiervoor bepalend?

8. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.25. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door Bovemij moet worden gedeponeerd.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 november 2009 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over hetgeen onder 2.23 is overwogen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.

FC/AvM