Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4732

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
16-604026-09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens ontucht met iemand onder de 16 jaar, waarbij die ontuchtige handelingen bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte was destijds 37 jaar oud en het slachtoffer 13 jaar. In principe dient voor een dergelijk strafbaar feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te volgen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie, gelet op het tijdsverloop (13 jaar tussen delict en aangifte), geen strafblad verdachte (ook na het feit geen strafbare feiten meer) en de nog aanwezige contacten tussen verdachte en de familie van het slachtoffer. De rechtbank gaat wel over de eis van de officier van justitie heen en komt tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en de maximale werkstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604026-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres], [woonplaats],

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 november 2009, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

seks heeft gehad met een meisje onder de zestien, dan wel ontucht met dit meisje heeft gepleegd.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 12 november 2009;

- de aangifte van [slachtoffer] d.d. 22 augustus 2008.

3.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

omstreeks de periode van 24 augustus 1996 tot 1 september 1997 te Veenendaal, met [slachtoffer], geboren op [1984], die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft

hij zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

- een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

5.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft eenmalig met [slachtoffer] seks gehad. Hij is hierbij met zijn penis in haar vagina geweest. [slachtoffer] was destijds 12 of 13 jaar oud, verdachte was 34 of 35 jaar oud. Verdachte was een vriend van [slachtoffer] ouders. [slachtoffer] kwam met regelmaat bij verdachte thuis en logeerde ook bij hem, met name wanneer ze thuis problemen had.

Verdachte heeft door zo te handelen op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waarop ieder kind recht heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Daarnaast heeft hij het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem als volwassene mocht stellen, ernstig geschaad.

In deze zaak is gebleken dat [slachtoffer] ruim tien jaar later nog bijna dagelijks de gevolgen van verdachtes gedrag ondervindt. Zij heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven dat zij nog steeds nachtmerries heeft van hetgeen haar omstreeks 1996/1997 is aangedaan. Zij is na het gebeuren drugs gaan gebruiken en heeft mede daardoor geen normale jeugd gehad. Zij is hiervoor nu onder behandeling bij het RIAGG.

[slachtoffer] wordt nog steeds geconfronteerd met hetgeen gebeurd is, doordat verdachte bevriend is gebleven met haar ouders. Als zij op bezoek gaat bij haar ouders dan verlaat verdachte -die daar regelmatig verblijft- de woning. Zij wil hetgeen haar is aangedaan afsluiten en doorgaan met haar leven.

Bij de bestraffing van het hebben van seks van een volwassene met iemand van 12/13 jaar hanteert de rechtbank in beginsel als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Slechts in uitzonderingssituaties kan hiervan worden afgeweken, zodat alleen dan volstaan kan worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf, aangevuld met een werkstraf. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hieronder genoemde feiten en omstandigheden van zo’n uitzonderingssituatie sprake is.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. Het bewezen verklaarde strafbare feit heeft zich meer dan tien jaar geleden voorgedaan. [slachtoffer] heeft op 28 augustus 2008 aangifte gedaan van het strafbare feit. Zij heeft het feit al eerder bij de politie gemeld, maar zij heeft toen afgezien van het doen van aangifte. Voorts heeft verdachte zich op 13 januari 2009 gemeld op het politiebureau, waarna hij door de politie is aangehouden en verhoord. De politie heeft geen aanleiding gezien om verdachte in verzekering te stellen en heeft de verdachte -na overleg met de officier van justitie en nadat de verdachte een (bekennende) verklaring had afgelegd- heengezonden

Verdachte heeft bovendien een blanco strafblad. In de periode sedert het strafbare feit is verdachte niet meer met justitie in aanraking geweest. De kans op herhaling wordt derhalve niet groot geacht. Verdachte heeft voorts nog steeds contact met de ouders van [slachtoffer]; waarbij hij -zoals hij in zijn laatste woord heeft verklaard- ook zorgtaken op zich heeft genomen. Op verzoek van [slachtoffer] vader heeft verdachte aan [slachtoffer] een brief geschreven waarin hij zijn spijt betuigde. Ter zitting heeft verdachte dit nogmaals gedaan.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging tevens rekening gehouden met de inhoud van het voorlichtingsrapport van de reclassering .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer passend is.

De rechtbank is echter ook van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het strafbare feit. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. De rechtbank zal deze gevangenisstraf echter geheel voorwaardelijk opleggen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte een werkstraf dient te verrichten. De rechtbank zal hierbij de maximale werkstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren, opleggen om de ernst van het strafbare feit te benadrukken.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors , voorzitter, mr. J.W. Veenendaal en mr. M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.B. Spaargaren, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 november 2009.