Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4671

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-08-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
16-600422-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Mede voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600422-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M.J. Nijenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 februari 2009 tot en met 14 april 2009 in harddrugs heeft gehandeld;

feit 2: op 15 april 2009 harddrugs aanwezig heeft gehad;

feit 3: op 15 april 2009 een politieagent heeft bedreigd;

feit 4: op 15 april 2009 een fiets en een fototoestel heeft geheeld.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 tot en met 4 wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daartoe op de bekennende verklaring van verdachte met betrekking tot de feiten 1 en 2 en op het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] ten aanzien van feit 3. Ten aanzien van feit 4 wijst zij op de aangiften van diefstal van het fototoestel en van de fiets en op de in dat verband op verdachte rustende maar door hem niet nageleefde onderzoeksplicht inzake de herkomst van die goederen.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat verdachte feit 1 en feit 2 bekent. Ten aanzien van het bewijs van feit 2 merkt de raadsman op dat het verpakkingsmateriaal is meegewogen en dat de te bewijzen hoeveelheden drugs dus niet zullen kloppen.

Feit 3 acht de raadsman niet bewezen omdat voor het bewijs uitsluitend een proces-verbaal van bevindingen met daarin opgenomen de aangifte van bedreiging in het dossier aanwezig is en verdachte de bedreiging van de verbalisant ontkent.

Feit 4 kan volgens de verdediging niet worden bewezen omdat verdachte de door de officier van justitie genoemde onderzoeksplicht niet heeft. Hij heeft aangegeven dat de goederen niet van hem waren, maar dat deze slechts bij hem gestald respectievelijk aan hem in onderpand waren gegeven.

3.3 Het oordeel van de rechtbank.

3.3.1 Vrijspraak van feit 4

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd.

Voor dit feit acht de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden. Niet is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling danwel schuldheling van zowel de Batavus fiets als het Sony fototoestel. De rechtbank spreekt verdachte om die reden vrij van feit 4.

3.3.2 Bewijsoverwegingen

De rechtbank heeft op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen de overtuiging verkregen dat verdachte de ten laste gelegde feiten onder 1, 2 en 3 heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 juli 2009.

- de verklaring van getuige [getuige] dat hij februari, maart en april 2009 diverse keren drugs van ene [verdachte] heeft afgenomen. Aan de getuige is een foto getoond en hij herkent daarop de [verdachte] die hij bedoelt. Hij nam ongever 2 à 3 keer per week drugs van hem af, altijd een bolletje wit en een bolletje bruin.

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] met bijhorende foto’s inhoudende dat verdachte op 3 februari 2009 tussen ongeveer 8.30 uur en 10.00 uur in de omgeving van het [adres] te Amersfoort in gesprek was met onder meer [getuige] terwijl hij vanuit een plastic zakje kleine witte bolletjes aan enkele personen gaf. Op de foto’s die van het overhandigen door verbalisanten zijn gemaakt is verdachte herkenbaar.

Ten aanzien van feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 20 juli 2009.

- de NFI rapporten met betrekking tot het testen van de aangetroffen drugs, , waarin wordt vastgesteld dat de monsters respectievelijk heroïne en cocaïne bevatten.

Ten aanzien van feit 3:

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], waarin het volgende is opgenomen. Ik ben aspirant van politie. Ik zag op 15 april 2009 in Amersfoort dat [verdachte] zich omkeerde en in mijn richting rende. De afstand tussen ons was ongeveer drie meter. Ik zag dat hij met zijn rechterhand naar de binnenzak van zijn jas greep. Ik hoorde [verdachte] roepen: “Ik schiet je dood.” Ik zag dat [verdachte] mij aankeek. Ik hoorde [verdachte] roepen: “Ik maak je af.” Door deze woorden, de dreigende toon waarop hij dat zei en het steken van zijn hand in zijn binnenzak, maakte ik op dat hij kennelijk de daad bij het woord wilde voegen. Ik hield serieus rekening met een situatie waarin de verdachte de bedreiging tot uiting zou brengen. Daarom voelde ik mij bedreigd met de dood.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2009 tot en met 14 april 2009 te Amersfoort opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 15 april 2009 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,12 gram van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 9,30 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op 15 april 2009 te Amersfoort [verbalisant 1] (zijnde aspirant van politie Utrecht) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl hij, verdachte, op die [verbalisant 1] af rende, met de rechterhand naar zijn, verdachtes, binnenzak gegrepen en daarbij voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd: "ik schiet je dood" en "ik maak je af";

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, te weten de feiten 1 tot en met 4, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met aftrek van de voorlopige hechtenis en een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht ook indien dat inhoudt een ambulante behandeling bij Centrum Maliebaan voor het drugsprobleem van verdachte.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak gevraagd voor de feiten 3 en 4 en hij heeft aangevoerd dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van ten hoogste 4,5 maanden passend is voor de feiten 1 en 2.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee en een halve maand schuldig gemaakt aan het dealen in harddrugs. De gebruikers en dealers, waaronder verdachte, veroorzaakten onder meer overlast in en om [adres], de centrale ontvangsthal voor burgers in Amersfoort. Daarnaast is verdachte medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne en heroïne stoffen zijn die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank voorts gelet op het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van een verbalisant. Door deze bedreiging heeft verdachte de gevoelens van veiligheid van deze verbalisant ernstig aangetast. De verklaring van de verbalisant laat zien dat bij hem de angst bestond dat verdachte zijn bedreigingen daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen. Daarmee is verdachte respectloos omgegaan met het gezag van degenen die de orde moeten handhaven in de maatschappij. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 5 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en voor het aanwezig hebben van softdrugs.

- de inhoud van een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, opgemaakt

d.d. 16 juli 2009, door M.S.F. Ramdhani, reclasseringswerker, inhoudende onder meer dat verdachte verslaafd is aan harddrugs De kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten wordt hoog geacht. Verdachte kampt met problematisch middelengebruik en is daardoor in een sterk neerwaartse spiraal beland

Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact uit te voeren door Centrum Maliebaan, ook indien dat inhoudt dat betrokkene klinische behandeling moet ondergaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 juli 2009 verklaard dat hij zich ervan bewust is dat hij ook een probleem heeft met alcohol en dat hij gemotiveerd is om zich te laten behandelen. . De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte gelet op het bovenstaande gebaat is bij een verplicht reclasseringscontact om zijn problemen met alcohol en drugs onder controle te krijgen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel , te weten drie maanden, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk.

Dit betekent dat aan verdachte, ondanks de omstandigheid dat verdachte van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, een hogere straf wordt opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. Met een lagere straf kan niet worden volstaan.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [verbalisant 1] vordert een schadevergoeding van € 125,- voor feit 3.

De officier van justitie acht de schade van de benadeelde partij in het geheel toewijsbaar..

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7. Het beslag

Verbeurdverklaring

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, te weten, nummers 1, 2, 4 en 12, van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, zullen worden verbeurd verklaard, aangezien met met behulp van deze voorwerpen het onder 1 bewezenverklaarde is begaan en voorbereid.

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, te weten nummers 3 en 14 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, zullen worden verbeurd verklaard, aangezien deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 1 bewezenverklaarde zijn verkregen.

Onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten nummers 6 en 7 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, zullen onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten nummers 5, 8, 9 en 13 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, zullen onttrokken worden verklaard aan het verkeer, aangezien deze aan verdachte toebehorende voorwerpen, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Teruggave in beslag genomen goederen

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten nummer 15 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, acht de rechtbank [betrokkene] (wonende te [adres] [woonplaats]) degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp aan genoemd persoon wordt teruggegeven.

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten nummer 10 en 11 van de beslaglijst die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De officier van justitie heeft gevorderd de nummers 10 en 11 verbeurd te verklaren nu deze goederen hoogst waarschijnlijk betaalmiddelen in natura voor drugs geweest zijn. De rechtbank is van oordeel dat voor deze bewering geen bewijsmiddel in het dossier aanwezig is en zal om die reden, zoals door de raadsman bepleit, teruggave aan verdachte gelasten.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, als hierboven onder 3.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt een ambulante verslavingsbehandeling bij Centrum Maliebaan;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 3, 4, 12 en 14;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 5, 6, 7, 8, 9 en 13;

- gelast de teruggave aan [betrokkene] van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd 15;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 10 en 11;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1] van € 125,-, ter zake immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1], € 125,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Gerrits-Janssens, voorzitter, mr. A.J.P. Schotman en mr. J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 augustus 2009.