Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4622

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-08-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
16-600401-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden. Dit voor primair: poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600401-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 augustus 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Soest

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 juli 2009, waarbij de officier van justitie, mr. M.J. Nijenhuis, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: heeft geprobeerd [benadeelde] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Subsidiair: [benadeelde] heeft mishandeld.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde begaan heeft en baseert zich daarbij op de aangifte, de bekennende verklaring van verdachte en de verklaring van [betrokkene 1].

De officier van justitie acht een schulduitsluitingsgrond niet van toepassing, omdat verdachte zelf heeft besloten te stoppen met het nemen van zijn medicijnen en hij, toen het slachtoffer zich bij de woning meldde waar verdachte aanwezig was, een mes heeft klaargelegd terwijl hij wist dat er een conflictsituatie zou kunnen ontstaan.

3.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte had niet het opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - aangeefster van het leven te beroven of (zwaar) te mishandelen en dient derhalve hiervan te worden vrijgesproken. De raadsman baseert zich hiervoor op de verklaring van verdachte, afgelegd d.d. 12 april 2009, waarin hij aangeeft niet te weten waarom hij aangeefster heeft gestoken en dat hij ook niet weet waar hij aangeefster heeft gestoken. Verdachte zou gehandeld hebben onder invloed van de opdrachten die hij in zijn hoofd ontvang van [naam], de duivel. De raadsman wijst erop dat verdachte zich bedreigd en opgejaagd voelde en dat het juist aangeefster was die de confrontatie met verdachte opzocht.Voorts voert hij in dit verband aan dat, gelet op de psychologische rapportage van drs. J. Heerschop en de psychiatrische rapportage van drs. M.L.I.M. van Thiel, verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het ten laste gelegde. Gezien deze feiten en omstandigheden kan het opzet niet worden bewezen en dient de rechtbank verdachte vrij te spreken.

Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt moet verdachte volgens de raadsman worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte gelet op artikel 39 Sr. niet strafbaar is.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 20 juli 2009;

- de aangifte van [benadeelde].

- de medische verklaring

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 20 juli 2009 verklaard dat hij al ruim een week uit eigen beweging zijn medicijnen niet meer had genomen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat het psychisch niet goed met hem ging. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte zich in voldoende mate bewust moet zijn geweest van de risico’s die hij nam door zijn medicijnen niet te nemen en van de kwetsbare psychotische toestand waarin hij hierdoor verkeerde. Verdachte heeft reeds twee maal eerder een persoon met een mes gestoken onder invloed van een psychose. Verdachte wist dat het niet innemen van zijn anti-psychotische medicatie kan leiden tot het steken van een ander. De rechtbank acht op grond daarvan het opzet op levensberoving bewezen. Verdachte heeft zich immers willens en wetens in de situatie gebracht dat hij een psychose kon krijgen en in een conflictsituatie tot levensgevaarlijk handelen kon overgaan. Toen verdachte op 11 april 2009 zijn woning verliet, heeft hij een beitel meegenomen. Deze is later aangetroffen in de plastic tas die hij achterliet in de woning van [betrokkene 2]. Verdachte heeft deze beitel niet gebruikt, maar heeft wel bij [betrokkene 2] een mes gepakt. Hij is vervolgens op de bank gaan zitten, terwijl hij dat mes achter zich of achter de bank verborg. Toen aangeefster voor hem stond, is hij naar haar toegelopen en heeft hij haar met dit mes in het gezicht gestoken. Uit de gedragingen van verdachte zoals hiervoor beschreven, leidt de rechtbank af, dat verdachte opzettelijk met voormeld mes het slachtoffer heeft gestoken.

Van het ontbreken van elk inzicht in zijn handelen waardoor het opzet zou hebben ontbroken is in casu geen sprake.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat verdachte zonder opzet (in voorwaardelijke vorm) zou hebben gehandeld.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 11 april 2009 te Zeist ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven met dat opzet met een mes in de linkerzijde van de wang van die [benadeelde] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: Poging tot doodslag.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is onderzocht door psychiater drs. M.L.I.M. van Thiel en door psycholoog

drs. J. Heerschop, die beiden hebben gerapporteerd dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. In beide rapporten is geconcludeerd dat – kort en zakelijk weergegeven – verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, in de zin van schizoaffectieve stoornis die gedeeltelijk in remissie is. Genoemde stoornis kenmerkt zich bij verdachte door de aanwezigheid van kernsymptomen van schizofrenie (wanen, hallucinaties, apathie of affectvervlakking) en depressieve of maniforme episodes. Tevens is verdachte lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van een borderlinepersoonlijkheidsstoornis, die tot uiting komt in een aanhoudend onstabiel zelfbeeld (identiteitsstoornis), instabiele intermenselijke relaties, automutilatief gedrag en een gebrekkig vermogen om woede te beheersen. Verdachte kan volgens beide deskundigen ten tijde van het ten laste gelegde sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte over.

De rechtbank stelt vast dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

Dit houdt tevens in dat het beroep op de schulduitsluitingsgrond dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar zou zijn wordt verworpen.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden (met aftrek) en terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

5.2. Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank niet tot een vrijspraak, danwel tot ontslag van rechtsvervolging komen, dan pleit de raadsman primair voor een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis en subsidiair voor terbeschikkingstelling met voorwaarden.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat verdachte bewust zijn medicijnen niet heeft ingenomen, terwijl hij weet wat dit voor zijn geestelijke gezondheid kan betekenen. Vervolgens heeft verdachte zich bewapend met een mes en heeft dit achter de bank waarop hij zat verborgen gehouden. Als het slachtoffer de kamer in komt steekt hij haar in de wang. Verdachte heeft het slachtoffer bewust op een zeer kwetsbare plek van het lichaam gestoken.

Dit strafbare feit vormt een ernstige inbreuk op de integriteit van het slachtoffer en heeft ook een schokkende uitwerking op de naaste omgeving van het slachtoffer en de verdachte en de verdere samenleving. De verdachte heeft met zijn handelwijze een bijzonder grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en er blijk van gegeven ernstig gewelddadig gedrag niet te schuwen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte overweegt de rechtbank dat zij, zoals aangegeven onder 4.2, de conclusie overneemt van psychiater drs. M.L.I.M. van Thiel en van psycholoog drs. J. Heerschop inhoudende dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, waardoor hij ten tijde van het ten laste gelegde sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Beide deskundigen achten de kans op herhaling groot en zijn van mening dat het noodzakelijk is verdachte in een dwingend kader te behandelen, zodat het recidiverisico substantieel kan worden verminderd.

Gelet op de inhoud van de forensische rapportage, de ernst van het feit, het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert alsmede zijn strafblad is de rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist deze maatregel.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Naast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden noodzakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst en de gevolgen van het gepleegde misdrijf een langdurige gevangenisstraf passend is. De rechtbank heeft hij bij de bepaling van de duur van de straf evenwel rekening gehouden met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en met de noodzaak om verdachte zo snel mogelijk te laten behandelen. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 juni 2009 reeds tweemaal eerder voor een soortgelijk geweldsdelict is veroordeeld.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.800,- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit ter zake van immateriële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7. Het beslag

7.1. De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat het feit is voorbereid met behulp van dit voorwerp.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 33, 33a, 37a, 37b, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar.

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Beslag

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een blauwe beitel;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 1.800,- terzake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], € 1.800,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 28 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mr. J.M. Bruins en

mr. M.P. Gerrits-Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 augustus 2009.