Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4486

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
256932 / HA ZA 08-2194 ; 262501 / HA ZA 09-403
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twee ongelukken, post whiplashklachten - vorderingen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 99
Burgerlijk Wetboek Boek 6 102
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/81 met annotatie van mw. mr. dr. M. de Tombe-Grootenhuis
TGMA 2010/3 met annotatie van mr. dr. E.H. Hulst
JA 2010/82 met annotatie van mw. mr. dr. M. de Tombe-Grootenhuis

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 25 november 2009

in de (hoofd)zaak met zaaknummer / rolnummer: 256932 / HA ZA 08-2194 van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.H. Ruijzendaal,

tegen

1. de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.H. de Jonge-Wiemans,

2. de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker,

en in de (vrijwarings)zaak met zaaknummer / rolnummer 262501 / HA ZA 09-403 van

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. E.H. de Jonge-Wiemans,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Franken-Schoemaker.

Partijen zullen hierna [eiser], Delta Lloyd en Allianz genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 maart 2009 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden op 29 juni 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 april 2009 waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen, gehouden tegelijk met de comparitie in de hoofdzaak, op 29 juni 2009.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [eiser], geboren op [1965], begon in 1986 een universitaire studie diergeneeskunde en in 1987 daarnaast een studie sociale wetenschappen, psychologie.

3.2. Op 14 september 1993 overkwam [eiser] een verkeersongeval. Hij werd, rijdend in een personenauto, van achteren aangereden door een vrachtauto, die bij Delta Lloyd tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd was. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van dat ongeval is door Delta Lloyd erkend.

3.3. [eiser] bezocht op 21 september 1993 zijn huisarts in verband met nekklachten na het eerste ongeval. De huisarts constateerde concrete afwijkingen aan de nekmusculatuur en verwees hem door naar de fysiotherapeut.

3.4. De fysiotherapeut berichtte in 1999 naar aanleiding van een verzoek om informatie dat zij [eiser] na het eerste ongeval zag en dat er toen sprake was van cervicale bewegingsbeperkingen, krachtvermindering en pijn. [eiser] bleek slaap- en concentratiestoornissen te hebben waardoor zijn studie diergeneeskunde moeizaam verliep. Zij schrijft dat [eiser] in 1999 weer in behandeling is gekomen na een tweede ongeval, met ernstige cervicale mobiliteitsbeperkingen en zeer veel pijn en krachtvermindering. Ook de concentratie- en slaapstoornissen leken toegenomen te zijn.

3.5. In mei 1994 bezocht [eiser] de polikliniek neurologie van het academisch ziekenhuis in Utrecht in verband met zijn nekklachten. Onderzoek leverde geen aanwijzingen voor neurologisch letsel op.

3.6. In 1996 is een neurologische en neuropsychologische expertise omtrent [eiser] uitgebracht door neuroloog dr. J.N. Berendes en klinisch psycholoog drs. W.A. Fonteyn.

In zijn rapport schrijft Berendes:

Conclusie:

Post whiplash syndroom in aansluiting aan auto-ongeval d.d. 14.9.1993. Nu geen objectieve neurologische bevindingen.

(…)

Ad 2:

A. 1. Moe zijn na lichte inspanning lichamelijk zowel als geestelijk.

2. Concentratieproblemen, kan hij niet goed opnemen, waardoor problemen met zijn studie.

3. Duizelig zijn alsook misselijk zijn.

4. Af en toe last van hoofdpijn hebben.

Op neurologisch gebied wat betreft de verschijnselen heb ik geen objectieve neurologische bevindingen kunnen vinden.

B. De klachten genoemd in Ad 2a bestonden niet voor het ongeval.

C. Andere factoren c.q. pre-existente ziekten of aandoeningen hebben hierop geen invloed gehad voor zover na te gaan.

D. De huidige klachten en/of verschijnselen zouden niet ook op enig moment ontstaan zijn als betrokkene het ongeval niet was overkomen.

E. De genoemde klachten in Ad 2a kunnen op medische gronden als ongevalsgevolg worden beschouwd.

Ad 3:

A. Naar mijn mening is er voor wat betreft de ongevalsgevolgen een medische eindtoestand bereikt.

B. De prognose zou wat mij betreft goed moeten zijn.

(…)

Ad 4:

A. Voor wat betreft de mate van functiestoornis om neurologisch gebied als gevolg van het ongeval uitgedrukt in het percentage ongeacht enig beroep en uitgaande van betrokkene voor het ongeval is 0%. Daarbij zij aangetekend dat betrokkene ook nog neuropsychologisch onderzocht dient te worden.

B. In principe is de functiestoornis niet van blijvende aard.

Ad 5:

A. Betrokkene stelt beperkingen te ondervinden bij zijn studie, vreest zijn studie dierengeneeskunde niet te kunnen afmaken, doet niet meer aan karate en yujitsu, wel nog aan gewichtsporten. Haakt naar zijn zeggen sowieso eerder af bij activiteiten in het dagelijks leven.

B. De door betrokkene aangegeven beperkingen kunnen verklaard worden op grond van mijn onderzoeksresultaten als gevolg van het ongeval.

Fonteyn schreef vervolgens in zijn rapport van september 1996:

CONCLUSIE

Premorbide functioneerde betrokkene, in intellectueel en cognitief opzicht, zeer adequaat. De premorbide persoonlijkheidsstructuur, stenisch met een open interesse voor de sociale omgeving. Het cognitieve functioneren na het ongeval is duidelijk verslechterd. De intelligentie is minder dan premorbide. Betrokkene heeft moeite de informatie adequaat te structureren en raakt snel vermoeid. Hij is geneigd dit te compenseren, door in te zetten op een hoog tempo, dit gaat ten koste van de nauwkeurigheid. Betrokkene heeft goede en slechte dagen. Er is geen sprake van voldoende evenwicht in deze dagen. Tijdens slechte dagen is er sprake van een ernstig dysfunctioneren. Betrokkene is duidelijk geremd in zijn carrièremogelijkheden. In termen van persoonlijkheid functioneert betrokkene minder optimaal. Hij is nu onzekerder en meer gespannen dan voorheen.

Berendes heeft vervolgens bij brief van 11 december 1996 bericht dat hij naar aanleiding van het rapport van Fonteyn tot de volgende correctie komt van hetgeen staat in ‘ad 4.a’ van zijn rapport en wel in die zin, dat de mate van functiestoornis uitgedrukt in een percentage wordt bepaald op 5%.

3.7. In oktober 1997 bezocht [eiser] opnieuw de polikliniek neurologie na een doorverwijzing door een internist. In het bericht aan de huisarts staat onder anamnese:

Patiënt is op 14-09-1993 van achteren aangereden door een vrachtauto. (…) Aansluitend kreeg patiënt pijn in de nek. Er zijn nekfoto’s gemaakt welke niet afwijkend waren. De nekklachten zijn in de loop van één jaar tijd heel langzaam verbeterd. Echter een half jaar na het ongeval vielen patiënt in toenemende mate concentratiestoornissen, een soort “verdoofd gevoel”, hoofdpijn en slikstoornissen op. Patiënt is enorm vermoeid als hij intensief heeft gewerkt. Patiënt volgt de studie diergeneeskunde en als hij bijvoorbeeld een operatie heeft uitgevoerd is hij overmatig vermoeid. Hij kan het normale programma van de studie momenteel niet volgen. Patiënt heeft ongeveer drie maal per twee weken hoofdpijn. (…) De hoofdpijn gaat vaak samen met een vermoeid gevoel. Af en toe heeft patiënt ook het gevoel dat er iets in zijn keel blijft hangen. (…) Dit treedt in verhevigde mate op momenten van spanning of stress maar is altijd latent aanwezig. Soms ervaart patiënt bij het draaien van het hoofd een knik of een tik. Dit is niet zeer pijnlijk. Patiënt heeft hierdoor wel het idee dat het “gewoon niet goed zit in de nek”. Patiënt geeft aan dat hij niet naar behoren kan functioneren, dat hij fouten gaat maken en dat hij flinke studie-achterstand heeft opgelopen door de klacht. Bovendien functioneert hij ook op sociaal vlak onvoldoende. Hij heeft het idee dat hij een kasplantje is geworden sinds het trauma in 1993.

Onder ‘conclusie en beleid’ staat vervolgens:

(…) Bij neurologisch onderzoek geen afwijkingen. Tijdens het gesprek vraagt patiënt zich meerdere malen af of zijn klachten mogelijk te wijten zijn aan een cervicale hernia of een ander organisch lijden. Wij hebben geen enkele aanwijzing hiervoor en dat hebben wij patiënt duidelijk uitgelegd.

3.8. [eiser] is in juli 1998 afgestudeerd als dierenarts.

3.9. Op 12 oktober 1998 overkwam [eiser] een tweede verkeersongeval. Hij werd toen, rijdend in een personenauto, van achteren aangereden door een andere personenauto, bestuurd door een verzekerde van Allianz. Allianz heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van dat tweede ongeval erkend.

3.10. Op 14 oktober 1998 bezocht [eiser] de afdeling spoedeisende hulp van het academische ziekenhuis Utrecht. Bij klinisch onderzoek op de afdeling heelkunde werd als diagnose gesteld: ‘contusio nek’.

3.11. Huisarts Sprengers berichtte naar aanleiding van een verzoek om medische informatie omtrent [eiser] in mei 1999:

(…) Op 12/10/’98 zag ik hem in consult nadat hij diezelfde dag opnieuw van achteren in de auto was aangereden. Bij lichamelijk onderzoek constateerde ik toen een forse spierhypertonie in de nekspieren met alzijdige bewegingsbeperking, mn de lateroflexie naar rechts was fors beperkt.

Ik adviseerde hem voor de zorgvuldigheid nekfoto’s te laten maken en fysiotherapie, hij koos toen voor een afwachtend beleid.

Op eigen initiatief bezocht hij op 14/10’98 de ehbo, zie copie brief.

Januari ’99 zag ik hem voor het laatst op het spreekuur. Hij vertelde toen veel concentratieproblemen te hebben, veel hoofd- en nekpijn, slaapstoornissen en problemen op het werk (hij werkt nu op free-lance basis als waarnemer). Bij l.o. opnieuw fors hypertone nekspieren met matige bewegingsbeperking alzijdig. Tevens maakte patiënt op mij een wat gedeprimeerde indruk. We hebben toen afgesproken dat hij weer met fysiotherapie zou beginnen, zich zou aanmelden voor een slaapcursus, op proef diazepam 5 mg 1 dd zou gaan gebruiken en zich opnieuw zou aanmelden voor revalidatiedagbehandeling. Ik heb hem sindsdien niet meer terug gezien op het spreekuur.

3.12. In maart 1999 is omtrent [eiser] gerapporteerd door dr. W.H.J. Lancée, medisch psycholoog en drs. G. Kraaijenbrink, neuropsycholoog. In hun gezamenlijke rapport staat onder meer:

Betrokkene is een 33-jarige, gehuwde dierenarts die in september 1993, toen hij nog studeerde, slachtoffer werd van een achteraanrijding. (…) Hij kreeg (…) direct pijn in de nek die later overging in hoofdpijn. Verder kon hij zich slecht concentreren. Volgens de huisarts en een neuroloog had hij een whiplash. Met behulp van fysiotherapie nam de nekpijn af, maar de hoofdpijn bleef, evenals de vermoeibaarheid en het slechte concentreren. Daardoor liep betrokkene ook de nodige studievertraging op en in verband met zijn afstuderen heeft betrokkene een revalidatiebehandeling op de Hoogstraat uitgesteld. Kort nadien (september 1998) overkwam hem een tweede achteraanrijding, waardoor de hoofdpijn weer toenam. (…)

Momenteel heeft hij eigenlijk continu last van hoofdpijn en een verstoord slaapritme, duizelingen, dufheid, vergeetachtigheid en concentratieverlies. Hij is ernstig vermoeid en heeft moeite twee dingen tegelijk te doen. Het is hem niet gelukt om als dierenarts aan het werk te komen. Bij een invalbaan ontstond zelfs een ernstig conflict omtrent zijn dysfunctioneren en sollicitaties hebben niets opgeleverd. (….)

Bij ¬onderzoek zien we een vrij ernstig klachtenbeeld, bij een man wies klachtenpresentatie betrouwbaar en ongecharcheerd aandoet, maar die tevens een vrij depressieve indruk wekt, hetgeen bij het verdere onderzoek ook naar voren komt. In de cognitieve sfeer zien we vooral verschijnselen van traagheid, een zwakke verbale inprenting, een niet optimale alertheid en een sterk verminderde duurbelastbaarheid, fenomenen die bepaald niet ongewoon zijn na dit type letsel van de nek. Overigens betekent dat niet dat er sprake zou zijn van structurele beschadigingen van het cerebrum. Vermoedelijk spelen de vermoeidheid, pijn en de vegetatieve ontregeling een belangrijke rol bij het in stand blijven van deze verschijnselen, daarnaast kan ook de emotionele gesteldheid inmiddels aan invloed hebben gewonnen. Duidelijk is dat betrokkene door het geheel nogal geïnvalideerd is geraakt, hetgeen zijn kansen op de arbeidsmarkt, maar ook de kwaliteit van zijn huiselijke en sociale leven reduceert. Het ligt voor de hand dat het tweede ongeval zijn conditie niet heeft verbeterd, maar het is onmogelijk uit te maken welk aandeel ieder ongeval afzonderlijk in het klachtenbeeld heeft. (…)

Gezien bovenstaande overwegingen kan de vraagstelling als volgt worden beantwoord:

Ad 1

In strikte zin kan bij betrokkene niet worden gesproken van intellectverval (…), hooguit zijn er indirecte invloeden, zoals vermoeidheid en pijn, die het rendement van zijn intellectuele prestaties negatief kunnen beïnvloeden. Het lijkt waarschijnlijk dat betrokkenes intelligentieniveau zich nog steeds op academisch niveau bevindt.

(…)

Ad 3 Voorzover dat betrouwbaar valt vast te stellen komt de schatting van de prétraumatische intellectuele capaciteiten overeen met een gemiddeld tot wellicht iets bovengemiddeld academisch niveau. Dat heeft overigens geen lineair verband met een eventuele maatschappelijke ontwikkeling, hooguit mag men een correlatie veronderstellen tussen de beide variabelen. Met andere woorden: intelligentie is geen garantie voor maatschappelijk succes, maar in sommige opzichten wel een ‘conditio sine qua non’.

Ad 4 Als restverschijnselen op ons vakgebieden van beide ongevallen (zoals gezegd is in dit opzicht een onderscheid tussen beide ongevallen niet mogelijk) nemen we het volgende waar: een pijnsyndroom met een verhoogde vermoeibaarheid, depressieve klachten, tekorten in de verbale inprenting, traagheid en een verminderde mentale spankracht en duurbelastbaarheid. (…)

3.13. Professor dr. M. Kuilman, psychiater, heeft [eiser] onderzocht in 2001 en een rapport uitgebracht op 5 juli 2001. In zijn rapport staat onder ‘samenvattende beschouwing en conclusie’ onder meer:

Bij het psychiatrisch onderzoek ontmoet ik een man die in zijn presentatie lauw is, weinig inzet aan de dag legt. Hij is moeilijk toegankelijk, karig met het verschaffen van informatie vooral wanneer persoonlijke aangelegenheden en knelpunten in het leven aan de orde komen. Hij imponeert door zijn afweer. Afgezien daarvan maakt hij op het ogenblik een nogal desolate en ongelukkige indruk, wat wel begrijpelijk is: verstoten uit het gezin, de contacten met zijn zoon gelimiteerd en door zijn vrouw gereglementeerd, vrienden die uit het beeld verdwijnen. Het ontbreekt onderzochte op dit moment aan strijdvaardigheid en een toekomstperspectief. Zijn leven en het optreden tijdens dit onderzoek worden daardoor duidelijk beheerst.

De gegevens tot dusver samengevat: Het is begrijpelijk dat onderzochte na het eerste – en tweede – ongeval problemen heeft ondervonden en een achterstand opliep bij zijn studie, maar het is me toch niet geheel duidelijk geworden waarom het vijf jaar heeft geduurd voordat hij de afstand tussen zijn doctoraal examen en het behalen van het dierenartsdiploma heeft weten te overbruggen. Verder heb ik mij geen helder beeld kunnen vormen over de precieze aard van de spanningen in de relatie tussen onderzochte en zijn (blijkens de autoanamnese) nogal dominante partner. Mijn hypothese luidt dat onderzochte uit hoofde van zijn karakterstructuur (wellicht geworteld in zijn milieu van herkomst en opvoeding) is toegerust met een hoog streefniveau en een narcistische prestatiebehoefte. De angst na het eerste ongeluk dat hij aan zijn eigen en (geïntrojiceerde) verwachtingen niet kon voldoen, hebben bijgedragen tot zijn overspanning en psychisch decompenseren. Zo is hij in de loop der jaren steeds verder afgegleden. In hoeverre daarbij het thuisfront en zijn echtgenote een faciliterende rol hebben gespeeld, valt moeilijk uit de onvolledige en tamelijk slordige autoanamnese af te leiden. Er is dan ook dringend behoefte aan een betrouwbare heteroanamnese. Voor de diagnose posttraumatische stressstoornis bestaan thans in elk geval onvoldoende aanknopingspunten. (…)

We lezen in het dossier dat onderzochte in aansluiting aan het ongeluk nek/rugklachten ontwikkelde, een (post)whiplash-achtig beeld. Daarnaast concentratiestoornissen als gevolg waarvan een ernstige vertraging in de studie. In 1994 wordt daarvan twee keer melding gemaakt. Geen berichten in het dossier uit het jaar 1995. Het eerste verslag stamt uit september 1996, een neurologische expertise. De pijn in de nek en in de rug zijn inmiddels verdwenen maar de hoofdpijn is toegenomen en bezorgen onderzochte veel last in combinatie met duizeligheid. Slikstoornissen die zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld imponeren als functioneel. (…) De rapporterend neuroloog besluit tot een postwhiplashsyndroom en naar aanleiding van de nog in deze samenvatting te noemen resultaten van het psychologisch onderzoek wordt de algemene functionele invaliditeit op neurologische gronden vastgesteld op 5%. Dat psychologische onderzoek vindt plaats in september 1996. Bij die gelegenheid worden bij de afname van een cognitieve test te lage scores vastgesteld bij een man die de indruk wekt zijn problemen te camoufleren en gebukt gaat onder het feit dat hij faalt. Vanaf september 1996 tot maart 1999 in het dossier geen informatie. Dan worden we geconfronteerd met het psychologisch rapport van Lancee. De anamnese is in overeenstemming met de bekende gegevens en consistent: pijnklachten na het eerste ongeluk, afnemend c.q. verdwijnend met uitzondering van toenemende hoofdpijn vergezeld van concentratiestoornissen. Uit het verhaal blijkt dat vooral na het tweede ongeval het beeld wordt gecompliceerd door een depressief gekleurd hyperesthetisch-emotioneel syndroom (in DSM-IV termen zou men mogen spreken van een angstig en depressief gekleurde aanpassingsstoornis). Ook Lancee signaleert falende cognitieve prestaties. Het wordt voor onderzochte moeilijk om in zijn vak aan de bak te komen en het is duidelijk dat hij in de loop der jaren steeds verder is afgegleden bij een vergelijking met zijn leeftijd/studiegenoten. Opvallend zijn de geringe belastbaarheid en het trage tempo. Opmerkelijk is overigens dat in het rapport van Lancee op geen enkele wijze wordt gezinspeeld op problemen tussen onderzochte en zijn echtgenote. Integendeel, onderzochte geeft aan dat hij veel steun van zijn partner ondervindt. (…)

De samenvatting samengevat: Ik ga uit van een postwhiplashsyndroom zoals door de neurologisch rapporteur is vastgesteld. Daarnaast cognitieve stoornissen die in het kader van zo’n syndroom veelvuldig voorkomen, vaak causaal samenhangend met pijn, vermoeidheid, preoccupatie/moedeloosheid en gedeprimeerdheid. Wat dat betreft dus geen probleem. Ook kan ik nog wel begrijpen dat de studie als gevolg van de postwhiplashklachten werd vertraagd. Maar waarom een en ander tot een zó volledig echec van zijn beroepsmatige toekomst en zijn huwelijksrelatie heeft geleid, is op grond van door onderzochte verschafte anamnese en de beschikbare informatie toch moeilijk begrijpelijk te maken. Naar mijn mening zijn daarbij andere factoren dan de loutere ongevalsgevolgen in het geding. Ik heb ze echter bij mijn onderzoek niet boven tafel kunnen krijgen. Wat mij betreft is er behoefte aan een betrouwbare heteroanamnese en eventueel een hernieuwd psychologisch onderzoek dat vooral gericht is op de beschrijving en analyse van de persoonlijkheid van betrokkene.

3.14. Psycholoog drs. R.S. Treffers berichtte de advocaat van [eiser] bij brief van 11 februari 2007 als volgt:

Mijn bevindingen:

Dhr. [eiser] bevindt zich momenteel in een zeer verontrustende situatie. De fysieke klachten na een auto ongeval, de daarop volgende scheiding en geen omgang mogen hebben met zijn zoon, zijn de bron van een neerwaartse spiraal, zowel fysiek als geestelijk.

(…)

Op dit moment heeft dhr. [eiser] ernstige concentratie moeilijkheden, extreme vermoeidheid en een zwaar verminderd energie niveau. Dit alles voortkomend uit een depressie welke chronisch is geworden en van ernstige aard.

(…)

Daar de klachten van dhr. [eiser] opvallend interfereren met het beroepsmatig functioneren en met zijn sociale activiteiten, lijkt het mij duidelijk dat er op dit moment geen sprake kan zijn van enige ontplooiing op de arbeidsmarkt.

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank (I)

(a) voor recht verklaart dat Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn alle materiële en immateriële schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de verkeersongevallen die op 14 september 1993 en 12 oktober 1998 hebben plaatsgevonden, waarbij als uitgangspunt wordt genomen dat de aanwezige gezondheidsklachten, blijvende invaliditeit en beperkingen bij ongevalsgevolg zijn en dat er geen sprake is van een predispostitie die tot een beperking van de mate van toerekening van de geleden of toekomstige schadeposten aanleiding geeft;

(b) Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000,00 aan vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van de beide verkeersongevallen;

(c) Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.018.800,00 ter vergoeding van in de periode van 1996 tot 1 januari 2009 verschenen schade aan verlies verdienvermogen;

(d) Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 90.756,00 ter vergoeding van de tijdens de varkenspestperiode van februari 1997 tot april 1998 verschenen schade aan verlies verdienvermogen;

(e) Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] alle (overige) materiële schade te vergoeden, waaronder het reeds verschenen en toekomstige verlies aan verdienvermogen vanaf het moment dat [eiser] als zelfstandig dierenarts/specialist een orthopediekliniek voor gezelschapsdieren zou hebben geëxploiteerd;

(f) Delta Lloyd en Allianz ieder te veroordelen om aan [eiser] een belastinggarantie te verstrekken zodat het risico van een eventuele belastingaanslag in verband met een vergoeding van het verlies aan verdienvermogen op Delta Lloyd en Allianz kan worden afgewenteld;

(g) vermeerderd met rente en kosten.

[eiser] vordert voorts dat de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding (II):

(h) Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] als voorschot op de volledige materiële schade een bedrag te betalen van € 500.000,00;

(i) Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] als voorschot op de volledige immateriële schade een bedrag te betalen van € 500.000,00;

(j) Delta Lloyd en Allianz veroordeelt in de kosten van de procedure.

4.2. Delta Lloyd en Allianz voeren ieder voor zich verweer, zowel tegen de incidentele vordering als tegen de vordering in de hoofdzaak. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.3. Delta Lloyd vordert – samengevat – dat Allianz wordt veroordeeld om aan Delta Lloyd te betalen al hetgeen waartoe Delta Lloyd jegens [eiser] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van Allianz in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.4. Allianz voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

het beroep op rechtsverwerking van Allianz

5.1. In de hoofdzaak is het verweer van Allianz dat [eiser] zijn rechten jegens haar heeft verwerkt het verst strekkend, zodat allereerst aan de orde zal komen of dat beroep slaagt. Daarbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

5.2. Allianz was de (rechtsvoorganger van) de WAM-verzekeraar van de auto(mobilist) die op 12 oktober 1998 een ongeval veroorzaakte waarbij [eiser] betrokken was. Het ongeval werd Allianz gemeld bij brief van 16 oktober 1998 door (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eiser]. Bij brief van 23 oktober 1998 is vervolgens opgave gedaan van de voertuigschade. Allianz erkende, na onderzoek naar de toedracht van het ongeval, aansprakelijkheid en vergoedde op 2 november 1998 de voertuigschade.

Op 1 december 1998 werd nog een bedrag uitgekeerd ter zake kosten van een huurauto.

5.3. Daarna was er voor het eerst weer contact toen mr. Mol Allianz namens [eiser] op 2 maart 1999 een brief schreef met de volgende inhoud:

Cliënt (…) verzocht mij om zijn belangen te behartigen bij het afwikkelen van zijn letselschadezaak. (…)

Van de VVAA begreep ik dat door u inmiddels de aansprakelijkheid werd erkend en dat u de schade van cliënt, voorzover het de autoschade betreft, al dan niet gedeeltelijk, zou hebben betaald. (…) Zoudt u mij nader willen berichten dat inmiddels de aansprakelijkheid werd erkend en welke bedragen u als schadevergoeding aan cliënt heeft overgemaakt. Ook zou ik u willen verzoeken om mij schriftelijk te berichten of u de materiële en immateriële schade aanvaard die cliënt lijdt, en heeft gelden en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval op 12 oktober 1998.

Eventuele aan u danwel aan door u ingeschakelde derden verleende medische machtigingen worden bij deze ingetrokken.

Voor verdere informatie kunt u ondergetekende danwel haar medisch adviseur benaderen.

5.4. In reactie daarop bevestigde Allianz bij brief van 15 maart 1999 dat aansprakelijkheid voor het ontstaan van de aanrijding door haar werd erkend en berichtte daarbij dat zij de medische informatie met betrekking tot het door [eiser] opgelopen letsel graag tegemoet zag. Toen zij vervolgens niets van de kant van [eiser] vernam, berichtte zij mr. Mol bij brief van 28 oktober 1999 dat zij, behoudens tegenbericht, het dossier over 4 weken zou sluiten. Daarop schreef de advocaat van [eiser] op 1 november 1999 dat het de vraag is in hoeverre [eiser] ten gevolge van het ongeval van 12 oktober 1998 blijvend letsel heeft en dat hij Allianz daarover nog zal berichten. Allianz drong er vervolgens bij brief van 3 november 1999 op aan dat zij werd geïnformeerd over de aard en de ernst van het letsel en de daaruit eventueel voortvloeiende schade. In reactie daarop berichtte de advocaat van [eiser] dat het hem niet verstandig leek als Allianz rechtstreeks contact zou opnemen met [eiser], dat de schade van de eerste aanrijding wordt behandeld door de heer [X] voor Delta Lloyd en dat hij de heer [X] ervan op de hoogte heeft gebracht dat er een tweede aanrijding heeft plaatsgevonden.

Allianz bericht op 11 november 1999 dat zij, indien zij niet binnen de gestelde termijn wordt geïnformeerd, zelf rechtstreeks contact zal opnemen met [eiser]. De advocaat van [eiser] reageert daarop bij brief van 15 november 1999 dat het Allianz niet vrij staat om rechtstreeks contact op te nemen en dat hij haar zal melden als er wat te melden is. Allianz bevestigt vervolgens dat zij verwacht binnen drie maanden bericht te ontvangen.

5.5. Bij brief van 29 november 1999 schrijft de advocaat van [eiser] aan Allianz:

Ingesloten zend ik u een kopie van een brief van mijn medisch adviseur (…). Uit deze stukken blijkt dat het ongeval van 12 oktober 1998 heeft gezorgd voor een behoorlijke toename van de klachten. Ik houd u verder op de hoogte. Ik correspondeer echter in eerste instantie met de WA-assuradeur Delta Lloyd die optreedt voor het eerste ongeval.

In de ingesloten brief van de medisch adviseur staat:

Bijgaand gelieve u een afschrift aan te treffen van de inmiddels in ons bezit gekomen informatie van fysiotherapeute Dieleman d.d. 15 november j.l. (…)

Na bestudering van deze medische informatie komt de heer Hagen (de rechtbank begrijpt: de medisch adviseur) uit eigen beweging bij u op deze aangelegenheid terug.

5.6. Bij brief van 19 januari 2001 bericht Allianz de advocaat van [eiser] als volgt:

Na uw schrijven van 29 november 1999 mochten wij niets meer van u vernemen. Gezien de hierna verstreken termijn, vernemen wij graag of wij in deze nog een taak hebben.

De advocaat bericht dan dat hij de zaak heeft overgedragen aan de heer Pals, met opgave van contactgegevens.

5.7. Een opvolgend advocaat van [eiser] bericht Allianz bij brief van 22 juli 2008 dat [eiser] het niet zinvol acht om mee te werken aan nog meer medische expertises en dat binnenkort een dagvaarding zal worden uitgebracht.

5.8. Allianz meent dat [eiser], met name door in de periode na de brief van 19 januari 2001 niets meer te berichten, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij zijn eventuele aanspraken niet meer geldend zou maken. Allianz hoefde, zo stelt zij, geen rekening te houden met de mogelijkheid dat er een (omvangrijke) letselschadeclaim zou volgen uit het ongeval van 1998. Zij stelt ook in een nadelige positie te zijn geraakt doordat [eiser] pas bij dagvaarding zijn aanzienlijke vordering jegens haar kenbaar heeft gemaakt, omdat zij geen adequate schadereservering heeft kunnen doen, geen mogelijkheid heeft gehad om in overleg met [eiser] tot een schadevaststelling te komen en ook geen mogelijkheid heeft gehad om deugdelijk medisch te onderzoeken of er sprake is van ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen en eventueel [eiser] te begeleiden bij reintegratie.

5.9. Een beroep op rechtsverwerking, met als gevolg dat een partij een vordering niet meer geldend kan maken, slaagt niet als er alleen sprake is geweest van een periode van ‘stilzitten’ van de vorderende partij; uit hetgeen hij heeft gedaan of nagelaten moet ondubbelzinnig blijken dat hij zijn aanspraken prijsgeeft. Van een dergelijk doen – of, in dit geval nalaten – is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. [eiser] heeft Allianz voorafgaand aan deze procedure niet geïnformeerd over de schade die hij meent te hebben geleden en nog te zullen lijden ten gevolge van het tweede ongeval, hoewel Allianz hem daar bij herhaling naar heeft gevraagd. Hij heeft in de periode van 1999 tot en met januari 2001 nadere berichten daarover in het vooruitzicht gesteld, maar vervolgens niets meer bericht. Dit stilzwijgen is ook in het licht van de daaraanvoorafgaande correspondentie naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een gedraging waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] eventuele aanspraken – die hij gelet op de eerdere brieven meende te hebben – niet geldend zou maken. Dit betekent dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt en [eiser] kan worden ontvangen in zijn vordering jegens Allianz.

hoofdelijkheid

5.10. [eiser] heeft naar aanleiding van het verweer van met name Allianz ten aanzien van de hoofdelijkheid, tijdens de comparitie doen aanvoeren dat alleen Delta Lloyd aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan in de periode tussen het eerste en het tweede ongeval en dat Allianz en Delta Lloyd elk in evenredigheid met de mate waarin het eerste, respectievelijk het tweede ongeval aan het ontstaan daarvan heeft bijgedragen, aansprakelijk zijn voor de schade die na het tweede ongeval is ontstaan. Volgens [eiser] zijn Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die is ontstaan na het tweede ongeval, omdat niet kan worden vastgesteld in welke mate de schade het gevolg is van het eerste of het tweede ongeval. De rechtbank gaat er gelet op deze toelichting bij de verdere beoordeling van uit dat [eiser] niet langer vordert dat voor recht wordt verklaard dat Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van beide ongevallen en hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de volledige schade.

schade door het eerste ongeval, in de periode van 14 september 1993 tot 12 oktober 1998

5.11. Partijen zijn het erover eens dat Delta Lloyd gehouden is de schade te vergoeden die het gevolg is van het eerste ongeval. Delta Lloyd betwist dat die schade hoger is dan het bedrag dat zij [eiser] reeds heeft uitgekeerd, te weten € 135.000,00. Zij stelt daartoe dat veruit het grootste deel van de vorderingen van [eiser] voortvloeit uit de gestelde blijvende arbeidsongeschiktheid, en dat die pas na en ten gevolge van het tweede ongeval is ontstaan. Delta Lloyd betwist de arbeidsongeschiktheid en betwist (subsidiair) dat die het gevolg is van het eerste ongeval.

5.12. [eiser] heeft zijn vordering niet onderbouwd op een wijze dat daaruit af te leiden valt welke schade hij meent geleden te hebben in de periode van 14 september 1993 tot 12 oktober 1998. Gelet op het verweer van Delta Lloyd zal beoordeeld worden of aangenomen kan worden dat met de reeds betaalde bedragen de in die periode geleden schade reeds geheel is vergoed.

5.13. Uit de door [eiser] overgelegde medische informatie komt naar voren dat de verschillende artsen die hem in de periode na het eerste ongeval (en ook na het tweede ongeval) hebben onderzocht, allen aannemen dat er sprake is van postwhiplash(achtige) klachten. Dat geldt niet alleen voor de behandelaars tot wie [eiser] zich wendde, maar ook voor de in overleg met Delta Lloyd ingeschakelde onafhankelijke deskundigen. Delta Lloyd zet, onder verwijzing naar het standpunt van haar medisch adviseur, vraagtekens bij die diagnose. Daaraan gaat de rechtbank voorbij. Op grond van de beschikbare informatie is zeker sprake van ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen die tot schade hebben geleid.

5.14. De aard en de omvang van die schade is lastig vast te stellen. Delta Lloyd heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat uit de door [eiser] daartoe aangevoerde gegevens niet kan worden afgeleid dat hij ten gevolge van het eerste ongeval niet in staat was (en is) om zich als dierenarts, al dan niet gespecialiseerd, een inkomen te verwerven. Hij is immers na het eerste ongeval alsnog afgestudeerd in de diergeneeskunde en is ook als dierenarts gaan werken. Het is duidelijk dat hij in die periode problemen heeft ondervonden bij het werk die ertoe hebben geleid dat hij al snel met die waarneming stopte. [eiser] stelt zelf dat die problemen hun oorzaak vonden in de klachten die hij door het ongeval ondervond, maar daarvoor is geen steun te vinden in de stukken. Alleen is duidelijk dat de arts voor wie hij de praktijk waarnam zeer ontevreden was over zijn werk en de bejegening. Kort daarna is hem het tweede ongeval overkomen en naar moet worden aangenomen heeft [eiser] daarna niet meer als (waarnemend) dierenarts gewerkt. Dat [eiser] door het eerste ongeval niet in meer in staat was als dierenarts te werken is in deze procedure niet komen vast te staan. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en de stellingen van partijen kan wel aangenomen worden dat de studie is vertraagd en dat [eiser] later is afgestudeerd dan het geval zou zijn geweest zonder dat eerste ongeval. Door Delta Lloyd is ook niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken dat [eiser] zonder ongeval in 1996 zou zijn afgestudeerd, terwijl hij nu pas in 1998 afstudeerde. Dat hij, zoals hij stelt, zonder ongeval zich gespecialiseerd zou hebben en zich direct na zijn afstuderen als zelfstandig en gespecialiseerd dierenarts gevestigd zou hebben, is echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden om als redelijk uitgangspunt bij het berekenen van de schade te kunnen gelden. Voor wat betreft de omvang van de schade door studievertraging kan in grote lijnen aansluiting worden gezocht bij de berekening van de schade zoals in opdracht van [eiser] uitgevoerd door bureau Pals in 2002. In dat rapport is er vanuit gegaan dat [eiser] de eerste vijf jaren na zijn afstuderen als dierenarts in loondienst zou hebben gewerkt en aldus is het verlies aan verdienvermogen over de periode van 1996 tot 2000 begroot op € 101.169,00.

5.15. Delta Lloyd is gehouden een bedrag aan schadevergoeding te betalen waarin de een vergoeding voor studievertraging, eventuele andere materiële schade uit die periode en immateriële schade zijn vervat. Dat er naast het verlies aan verdienvermogen nog andere (significante) schadeposten zijn is door [eiser] niet gesteld. Naar het zich laat aanzien beloopt het totale bedrag aan schade dan ook – mede in acht genomen de berekening door bureau Pals – niet meer dan € 135.000,00, welk bedrag al door Delta Lloyd is uitgekeerd. Alleen als aangenomen moet worden dat ook na 2000 nog (materiële) schade is en/of wordt geleden ten gevolge van het eerste ongeval, kan Delta Lloyd gehouden zijn nog nadere bedragen te vergoeden. Voor die conclusie is echter niet voldoende steun te vinden in de overgelegde stukken en de in de medische rapportages over [eiser].

Daarbij is van belang dat de door [eiser] gestelde schade vrijwel geheel bestaat uit arbeidsvermogensschade, waarbij hij er vanuit gaat dat hij – in ieder geval na het tweede ongeval – ten gevolge van beide ongevallen blijvend volledig arbeidsongeschikt is. Dat is gemotiveerd betwist en kan op grond van hetgeen [eiser] daartoe heeft aangevoerd niet aangenomen worden.

schade ten gevolge van de aanrijding op 12 oktober 1998

5.16. [eiser] stelt zelf dat zijn belastbaarheid reeds door het eerste ongeval slecht was, en verder is verslechterd door het tweede ongeval waardoor thans sprake is van blijvende volledige arbeidsongeschiktheid. Dat [eiser] (volledig) arbeidsongeschikt is, is door Delta Lloyd en Allianz betwist. In hun verweer wordt er op gewezen dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat [eiser] na de ongevallen tot meer in staat was of is dan uit de onderzoeken op basis van zijn anamnese en uit zijn stellingen naar voren komt. Zo is onder meer gewezen op activiteiten van [eiser] binnen de gemeenteraad en op hetgeen hij heeft aangevoerd over zijn inkomen en toekomstplannen in andere, familierechtelijke, procedures. Daaruit komt naar voren dat [eiser] in staat was te werken en zich een inkomen te verwerven. [eiser] heeft tijdens de comparitie van partijen verklaard dat de informatie over zijn werk in de gemeenteraad een te positief beeld geeft en dat hij in de andere procedures een positief beeld over zijn mogelijkheden wilde schetsen om aan te tonen dat hij voor zijn zoon zou kunnen zorgen. Dat hetgeen hij zowel in het kader van zijn werk in de gemeenteraad als in de andere procedures naar voren heeft gebracht en verklaard heeft over zijn werk, zijn activiteiten en zijn mogelijkheden om een inkomen te verwerven onjuist was, is niet komen vast te staan en kan niet op grond van zijn verklaring hierover in deze procedure worden aangenomen. Delta Lloyd en Allianz voeren terecht aan dat evenzeer aangenomen zou kunnen worden dat [eiser] in deze procedure en tegenover de in het kader van dit geschil benaderde deskundigen een onjuist beeld schetst over zijn mogelijkheden om zo in een voor hem gunstigere positie te geraken.

5.17. Dat [eiser] inmiddels, in ieder geval sedert 2007, niet in staat is om te werken komt uit de recente medische informatie voldoende duidelijk naar voren. Zijn huidige problemen zijn met name psychisch van aard. Dat die problemen geheel of gedeeltelijk door (een van) beide ongevallen zijn veroorzaakt kan op grond van de beschikbare medische informatie niet worden aangenomen. Het is duidelijk dat [eiser] in de periode na 1998 grote teleurstellingen te verwerken heeft gekregen in zijn huwelijk en ook ten aanzien van activiteiten die hij ontplooide. Uit de informatie van de behandelaars en het rapport van Kuilman komt naar voren dat die teleurstellingen en zijn mogelijkheden om daarmee om te gaan een grote, zo niet een doorslaggevende, rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de depressieve klachten en de decompensatie. Dat daarvan geen sprake zou zijn geweest als [eiser] het eerste en/of het tweede ongeval niet zou zijn overkomen is niet komen vast te staan zodat de huidige arbeidsongeschikheid niet als een gevolg van (een van) de ongevallen kan worden aangemerkt.

5.18. Voor de periode daarvóór geldt dat weliswaar kan worden aangenomen dat [eiser] klachten had die in verband kunnen worden gebracht met (een van) de ongevallen, maar dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van ongevalsgerelateerde beperkingen ten gevolge waarvan hij niet kon werken. Daarvoor bieden de stukken uit de periode na 1998 onvoldoende aanknopingspunten. Voor nader onderzoek naar de aard en omvang van de (arbeidsvermogens)schade ten gevolge van het tweede ongeval ziet de rechtbank in deze procedure geen aanleiding. Daarvoor is mede van belang dat [eiser] er voor heeft gekozen om niet mee te werken aan nader medisch onderzoek waarmee de vraag of en in hoeverre er sprake is van ongevalsgerelateerde beperkingen die tot vermogensschade leiden beter zou kunnen worden beantwoord. Dat klemt te meer nu duidelijk is dat Allianz – die aansprakelijk is voor de schade die aan het tweede ongeval kan worden toegerekend – in het geheel niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de rapportages waar [eiser] zich in deze procedure op beroept en [eiser] ook niet bereid is geweest om in het kader van zijn vordering op Allianz aan nader onderzoek mee te werken. Hij stelt voorop dat uit de reeds opgemaakte rapporten de blijvende volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van beide ongevallen reeds genoegzaam blijkt. Zoals hiervoor is overwogen kan hij daarin niet worden gevolgd.

5.19. Het voorgaande betekent dat de schadeposten die bestaan uit of verband houden met het gestelde verschil in inkomen, niet voor toewijzing in aanmerking komen. Er is evenmin aanleiding die schade nader op te laten maken bij staat.

5.20. Dat er in die periode sprake was van andere materiële schade waarvoor Delta Lloyd en Allianz aansprakelijk zijn is voorts niet aannemelijk geworden. [eiser] heeft gevorderd dat Delta Lloyd en Allianz hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de totale materiële schade waarvan de omvang zou moeten worden vastgesteld in een schadestaatprocedure en in dat verband zijn de behoefte aan huishoudelijke hulp en de schade in verband met het verlies aan zelfwerkzaamheid genoemd als schadeposten. [eiser] heeft echter niet gesteld of onderbouwd dat hij door (een van) de ongevallen niet meer in staat is om zelf de nodige huishoudelijke werkzaamheden en grotere werkzaamheden in en rond het huis te verrichten en uit de overgelegde stukken blijkt dit ook niet. Voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure is dan ook voor wat betreft deze posten geen aanleiding.

5.21. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat Delta Lloyd voldoende belang had bij het instellen van de vordering in vrijwaring, dient [eiser] ook te worden veroordeeld in de kosten van het vrijwaringsincident en de kosten waarin Delta Lloyd in de zaak in vrijwaring zal worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van zowel Delta Lloyd als Allianz in de hoofdzaak worden begroot op:

- vast recht € 4.784,00

- salaris procureur 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.206,00

de incidentele vordering

5.22. Omdat er in deze zaak nu een eindvonnis zal worden gewezen, komt ook de incidentele vordering – tot betaling van een voorschot op de uiteindelijk te betalen schadevergoeding – niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van de incidentele vordering een afzonderlijke kostenveroordeling uit te spreken of een bedrag (aan salaris voor de beide advocaten) te betrekken in de hiervoor beschreven proceskostenveroordeling in de hoofdzaak. Daartoe wordt overwogen dat [eiser] bij dagvaarding een voorschot heeft gevorderd en dat Delta Lloyd en Allianz daarop hebben kunnen reageren bij conclusie van antwoord en dat een en ander ook inhoudelijk in het verlengde lag van de vordering en de verweren in de hoofdzaak.

in de vrijwaringszaak

5.23. Delta Lloyd heeft, voor het geval zij (met Allianz hoofdelijk) zou worden veroordeeld tot vergoeding van schade aan [eiser], in vrijwaring gevorderd dat Allianz wordt veroordeeld haar de door haar te betalen bedragen te voldoen. Nu de vorderingen in de hoofdzaak worden afgewezen is niet aan de orde of Allianz ten opzichte van Delta Lloyd gehouden is de schade voor haar rekening te nemen, zodat die vordering zal worden afgewezen.

5.24. Omdat aan de beoordeling van de stellingen van Delta Lloyd en Allianz in het kader van hun onderlinge draagplicht niet is toegekomen en niet kan worden gezegd dat één van partijen te dien aanzien in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank de kosten in vrijwaring compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Delta Lloyd en Allianz ieder tot op heden begroot op EUR 11.206,00,

6.3. verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak in vrijwaring

6.4. wijst de vorderingen af,

6.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2009.

PD/MR