Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4414

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
SBR 08-2826 en SBR 08-2827
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemeentelijke belastingen. Hoogte bouwleges eerste en tweede fase. Raming bouwsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/86
FutD 2009-2577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 08/2826 en SBR 08/2827

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2009

in de zaken van

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

tegen

de heffings- en invorderingsambtenaar van de gemeente Vianen,

verweerder.

Inleiding

1.1 Het beroep in de zaak SBR 08/2827 heeft betrekking op de uitspraak op bezwaar van

18 augustus 2008, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de legesnota van 13 juli 2007, aanslagnummer [nummer], ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde beschikking heeft verweerder ten behoeve van de reguliere bouwvergunning eerste fase ([nummer]) aan eiseres een aanslag in de gemeentelijke leges opgelegd van € 50.025,58.

1.2 Het beroep in de zaak SBR 08/2826 heeft betrekking op de uitspraak op bezwaar van

18 augustus 2008, waarbij verweerder het namens eiseres gemaakt bezwaar tegen de legesnota van 17 oktober 2007, aanslagnummer [nummer], ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemde beschikking heeft verweerder ten behoeve van de reguliere bouwvergunning tweede fase ([nummer]) aan eiseres een aanslag in de gemeentelijke leges opgelegd van

€ 39.068,33.

1.3 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 17 april 2009, waar eiseres is verschenen bij gemachtigden mr. L.P.W. Mensink, werkzaam bij Allen & Overy LLP te Amsterdam en ing. R.W.A. van den Engel, werkzaam bij eiseres. Namens verweerder zijn verschenen [X] en [Y], beiden werkzaam bij de gemeente Vianen.

1.4 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld zijn overzicht van geraamde kosten en baten van de leges 2007 te completeren.

Verweerder heeft de rechtbank een gecorrigeerd overzicht doen toekomen. Partijen hebben de rechtbank hierop nadere reacties doen toekomen.

1.5 Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder nadere zitting, waarna de rechtbank het onderzoek op 3 november 2009 heeft gesloten.

Overwegingen

2.1 Eiseres betoogt dat de Legesverordening niet had mogen worden toegepast omdat deze wegens strijd met artikel 229b van de Gemeentewet onverbindend is en bovendien leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. De Legesverordening voorziet niet in een aflopend percentage naar gelang de hoogte van de bouwkosten (niet degressief) en evenmin geldt een maximumbedrag of een andere vorm van begrenzing van de hoogte van de te heffen leges voor één bouwvergunning. Nu die begrenzing ontbreekt leidt dit tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing. Eiseres verwijst voor haar standpunt naar de arresten van het gerechtshof Arnhem van 8 februari 2006, gepubliceerd op rechtspraak.nl LJN AV8597 en de uitspraak van 1 november 2007 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, LJN BC3161. Verder stijgen de baten voor de gemeente ver uit boven de lasten.

Naar aanleiding van het door verweerder gecorrigeerde overzicht kosten en baten leges 2007 betoogt eiseres dat verweerder nog immer niet op controleerbare wijze inzicht heeft gegeven in de kostendekkendheid van de leges voor het jaar 2007. Voorts kan, aldus eiseres, een in 2009 geproduceerd overzicht nimmer ten grondslag hebben gelegen aan de berekening voor de tarieven in 2007.

2.2 Op grond van artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet stelt de raad bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede die voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie, vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

Op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven.

Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van, door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan de hiervoor bedoelde rechten worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

Op grond van artikel 1 van de Verordening op de heffing en invordering van Leges 1998 van de gemeente Vianen (hierna: Legesverordening) worden onder de naam ‘leges’ rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de bijbehorende tarieventabel.

Op grond van artikel 2 van de Legesverordening is de aanvrager van de dienst, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend, belastingplichtig.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Legesverordening worden leges geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij de verordening behorende tarieventabel.

In de tarieventabel 2007 behorende bij de Legesverordening is onder 5.1.6 en 5.1.8 bepaald dat het tarief ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning eerste, respectievelijk tweede fase, als bedoeld in artikel 56a, tweede, respectievelijk derde lid, van de Woningwet, 13,5 ‰ bedraagt met een minimum van

€ 106,90.

2.3 In zijn arrest van 14 augustus 2009, LJN BI1943, heeft de Hoge Raad (HR) onder meer uitgesproken dat:

- gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling kunnen geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel;

- het bij toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet niet gaat om het kostendekkingspercentage per dienst of groep van diensten, maar om de kostendekking van alle in de Legesverordening opgenomen diensten;

- daarbij onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd zijn met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel;

- een motivering voor die verschillen niet vereist is;

- tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband vereist is;

- en dat een vast tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning berekend naar een vast, bescheiden percentage van de bouwkosten, niet kan worden gekenschetst als onredelijk of willekeurig.

2.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met zijn overzicht van kosten en baten van 16 december 2008, zoals aangevuld op 20 april 2009 en 24 juni 2009, genoegzaam heeft aangetoond dat de geraamde opbrengsten met betrekking tot alle in de Legesverordening opgenomen diensten gezamenlijk niet hoger zijn dan de met betrekking tot het verlenen van die diensten gepaard gaande kosten. De rechtbank onderschrijft de opvatting van eiseres dat in de raming moet worden uitgegaan van de tarieven die gelden voor het jaar waarop de raming betrekking heeft. Maar ook indien de rechtbank de raming op de door eiseres aangegeven onderdelen op dit punt corrigeert, blijven de geraamde baten onder de geraamde kosten. Onmiskenbaar heeft verweerder deze onderbouwing eerst in een laat stadium gegeven, maar nu het uiteindelijk gaat om de vraag of de norm van artikel 229 van de Gemeentewet wordt overschreden, vormt dit voor de rechtbank geen reden tot vernietiging van de uitspraak op het bezwaar.

2.5 Verweerder dient weliswaar op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven hij in welke mate door elk van de heffingen in een verordening beoogt te dekken, maar zoals de HR heeft overwogen komen onderlinge verschillen in kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel en is een motivering voor die verschillen niet vereist.

2.6 Als aangegeven in het genoemde arrest van de HR kan het ontbreken van een degressief tarief of een tariefplafond ten aanzien van de bouwleges niet leiden tot de conclusie dat de Legesverordening en de bijbehorende Tarieventabel onverbindend zijn. De rechtbank is van oordeel dat het gehanteerde vaste percentage van de bouwkosten (13,5 ‰ voor bouwvergunningen eerste en tweede fase) niet kan worden gekenschetst als onredelijk of willekeurig. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de hoogte van de geheven bouwvergunningsleges in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.7 Subsidiair heeft eiseres betoogd dat de grondslag voor de heffing van de leges onjuist is. De heffingsambtenaar heeft voor de bouwvergunning eerste en tweede fase voor hetzelfde bouwplan verschillende bedragen gehanteerd. Verder had verweerder, nu ten tijde van de legesheffing een aannemingssom ontbrak, een raming van de bouwkosten als bedoeld in normblad NEN 2631 moeten hanteren. In plaats daarvan heeft verweerder een collegebesluit van 25 november 2003 als uitgangspunt genomen.

Eiseres stelt, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem van 25 juni 2004, LJN AQ8931, dat verweerder uit had moeten gaan van de door haar bij brief van 13 juni 2007 gemaakte raming van de bouwkosten ad € 2.893.950,00.

2.8 Voor het in behandeling nemen van de aanvraag van de bouwvergunning eerste fase heeft verweerder aan eiseres leges in rekening gebracht voor een bedrag van € 50.025,58. Daarbij is verweerder uitgegaan van een heffingsgrondslag (bouwkosten) van

€ 3.585.750,00. Deze heffingsgrondslag is gebaseerd op een door verweerder gemaakte raming van de bouwkosten, welke raming is berekend door de inhoud van de opstallen (10.245 m³) te vermenigvuldigen met een door de gemeente in 2007 bepaalde standaardwaarde van bouwkosten per m³ voor woningen van € 350,00. Deze € 350,00 is, aldus verweerder, een invulling van de NEN-norm 2631 en is vastgesteld in een collegebesluit van 25 november 2003. Er wordt een vast bedrag van € 350,00 gehanteerd waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen goedkope (bijvoorbeeld berging en zolder) en duurdere (bijvoorbeeld sanitaire ruimten) bouwonderdelen van een woning. Het bedrag is een gemiddeld bedrag bij een gemiddeld uitrustingsniveau.

2.9 In hoofdstuk 5 van de Tarieventabel is het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning eerste en tweede fase gerelateerd aan de bouwkosten.

Uit de tekst van artikel 5.1.1 van de bij de Legesverordening behorende tarieventabel volgt dat onder het begrip bouwkosten als bedoeld in hoofdstuk 5 van die tabel moet worden verstaan (kort gezegd) de aannemingssom voor het uit te voeren werk, en dat bij het ontbreken van een zodanige som moet worden uitgegaan van een raming van de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in het normblad NEN 2631.

2.10 Tussen partijen is niet in geschil dat voor het vaststellen van de heffingsgrondslag bij het ontbreken van een aanneemsom ten tijde van de legesheffing, dient te worden uitgegaan van een raming van de bouwkosten van de woningen.

2.11 Het objectieve karakter van de legesheffing brengt met zich dat onder bouwkosten moet worden verstaan de prijs (aannemingssom en/of raming van de bouwkosten) die aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voor het tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd verleend.

De bouwkosten dienen dan ook te worden geraamd op de kosten die in het economische verkeer, tussen onafhankelijke partijen, tot stand komen.

2.12 De rechtbank overweegt dat de verwijzing naar het begrip bouwkosten zoals bedoeld in de NEN 2631 norm slechts bedoeld kan zijn als een wijze waarop, ten behoeve van de heffing van de verschuldigde leges, de kosten van werkzaamheden moeten worden vastgesteld, respectievelijk in redelijkheid kunnen worden geraamd. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten om de door verweerder gehanteerde berekeningswijze zoals door hem toegelicht in het verweerschrift en ter zitting onredelijk of onjuist te achten. In hetgeen eiseres in haar brief van 13 juni 2007 ter onderbouwing van haar raming heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Immers, eiseres heeft volstaan met het noemen van een bedrag, zonder daaraan enige onderbouwing, bijvoorbeeld in de vorm van een aannemingsovereenkomst, toe te voegen. Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een lagere aannemingssom of van een lagere raming van de bouwkosten.

2.13 Hetgeen door eiseres in beroep in zoverre is aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert als voorzitter en mr. M.N. Noorman en mr. S. Wijna als leden en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2009.

De griffier: De voorzitter:

mr. J.J.A.G. van der Bruggen mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.