Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK4396

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
619738 UC EXPL 09-3528 AC
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering oorspronkelijk gebaseerd op zowel arbeidsongeval (beroepsziekte) als kennelijk onredelijk ontslag. Schikkingsonderhandelingen met verzekeraar hebben geleid tot regeling tav (uitsluitend de) beroepsziekte, met uitdrukkelijk voorbehoud dat in deze schikking niet de vordering uit koo was begrepen. Toewijzend vonnis mbt de vordering uit koo om reden dat werkgever tekort is geschoten in reintegratieinspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0892

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Utrecht

zaaknummer: 619738 UC EXPL 09-3528 AC

vonnis d.d. 11 november 2009

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.J. Knotter,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Volker Rail Contracting B.V., voorheen

Volker Stevin Rail & Traffic Contracting B.V.,

gevestigd te Vianen,

verder ook te noemen Volker Rail,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. L.M. van der Sluis.

Verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 6 april 2005. De comparitie van partijen is gehouden op 27 mei 2005. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De zaak is vervolgens van de rol gehaald voor deskundigenonderzoek en overleg tussen partijen.

In 2009 is de zaak op verzoek van [eiser] weer op de rol geplaatst. [eiser] heeft op

8 april 2009 een conclusie na comparitie, tevens vermindering van eis ingediend.

Volker Rail heeft op 6 mei 2009 een antwoordconclusie na comparitie ingediend.

Hierna is opnieuw uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1. De kantonrechter gaat op basis van de processtukken en daarbij overgelegde producties uit van de volgende vaststaande feiten.

1.1. Conform de in 2005 ter comparitie gemaakte afspraken heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden, gevolgd door overleg over een minnelijke regeling. De heer M.J.H.M. Herpers, neurochirurg en verzekeringsarts, heeft op 16 januari 2006 een rapport uitgebracht. De heer H.M. van der Vegte, registerarbeidsdeskundige, heeft op 19 maart 2007 een rapport uitgebracht.

1.2. Het overleg tussen partijen heeft geleid tot de gezamenlijke vaststelling dat thans binnen Volker Rail geen passende functie te vinden is die Volker Rail aan [eiser] zou kunnen aanbieden.

1.3. Genoemd overleg heeft voorts geleid tot het sluiten van een op 14 november 2008 ondertekende vaststellingsovereenkomst tussen [eiser] en Allianz Nederland Schade-verzekering N.V., de schadeverzekeraar van Volker Rail. Daarin is onder meer het volgende overeengekomen:

“1. Allianz betaalt aan de betrokkene een bedrag van € 120.000,= (…), inclusief de kosten buiten rechte, als slotuitkering op de reeds betaalde voorschotten van € 5.000,=, waarna de betrokkene afziet van alle verdere vorderingen zowel materieel als immaterieel, zowel voor het verleden als voor de toekomst, uit welke hoofde of van welke aard ook, die betrokkene met betrekking tot het in deze overeenkomst bedoelde ongeval tegen Allianz en de verzekerde(n) van Allianz zou kunnen indienen.

2. De betrokkene verleent Allianz en de verzekerde(n) van Allianz algehele en finale kwijting (…).

4. Allianz verklaart dat het een regeling betreft exclusief een kennelijk onredelijk ontslag vergoeding. Eventuele aanspraken op deze vergoeding laat deze overeenkomst onaangetast. (…)”

De verdere beoordeling

2. [eiser] heeft aangevoerd dat hij om hem moverende redenen het ‘eindbod’ van verzekeraar Allianz heeft aanvaard, zulks ondanks dat daarmee zijn volledige schade niet is vergoed. De getroffen regeling heeft enkel betrekking op het deel van zijn vordering dat ziet op de aansprakelijkheid voor het ontstaan van een beroepsziekte ex artikel 7:658 BW en heeft geen betrekking op de vordering op basis van kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 BW. Hij heeft zijn vordering, voor zover gebaseerd op artikel 7:658 BW, ingetrokken en wenst voort te procederen ten aanzien van de vordering ex artikel 7:681 BW.

[eiser] legt aan zijn vordering op basis van kennelijk onredelijk ontslag ten grondslag dat het hem op 31 augustus 2001 gegeven ontslag, zonder vergoeding, kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen daarvan te ernstig zijn in vergelijk met het belang van Volker Rail bij dit ontslag. Zoals in het tussenvonnis van 19 november 2003 reeds is vermeld maakt [eiser] in dit verband aanspraak op betaling van een bedrag van € 94.116,= bruto, berekend op basis van de (toenmalige) kantonrechtersformule met een correctiefactor van 1,5.

3. Volker Rail voert allereerst als verweer dat zij door de getroffen regeling door [eiser] finaal is gekweten voor de gestelde verwijtbaarheid en het gestelde oorzakelijk verband tussen de rugklachten en de uitgevoerde werkzaamheden. Daarmee is zij ook gekweten voor de door [eiser] gestelde schade. Volgens Volker Rail is de vordering ter zake van kennelijk onredelijk ontslag, zo [eiser] daar al aanspraak op zou hebben, reeds vergoed in het kader van artikel 7:658 BW en dient de vordering aanstonds te worden afgewezen.

4. De kantonrechter overweegt met betrekking tot dit verweer dat blijkens de vaststellingsovereenkomst een eventuele vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag expliciet buiten de getroffen regeling is gehouden. [eiser] heeft zijn vordering ter zake van kennelijk onredelijk ontslag niet prijsgegeven. De kantonrechter kan en zal derhalve, anders dan Volker Rail betoogt, de vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag inhoudelijk beoordelen. Daarbij is echter wel van belang dat in de onder 1.3 geciteerde vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat [eiser] afziet ‘van alle verdere vorderingen, zowel voor het verleden als voor de toekomst, uit welke hoofde of van welke aard ook, die hij met betrekking tot het in de overeenkomst bedoelde ongeval (de kantonrechter begrijpt: beroepsziekte) tegen Allianz en de verzekerde van Allianz - Volker Rail - zou kunnen indienen’. In dit verband is een algehele en finale kwijting verleend.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat hetgeen is overeengekomen eraan in de weg dat de beroepsziekte van [eiser] nog mede ten grondslag wordt gelegd aan de mogelijke kennelijke onredelijkheid van het ontslag. Een eventueel verwijt dat Volker Rail kan worden gemaakt van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid moet geacht worden in de getroffen regeling te zijn verdisconteerd en kan thans geen verdere rol meer spelen. Dat betekent echter niet dat de gestelde kennelijke onredelijkheid van het ontslag niet nog getoetst kan worden aan de overig nog aangevoerde omstandigheden. De vordering op basis van kennelijk onredelijk ontslag zal derhalve niet langer mede worden beoordeeld op basis van stellingen en verweren die betrekking hebben op, kort gezegd, het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, maar nog slechts op basis van de overige omstandigheden, waarbij, voor alle duidelijkheid, dus ook de getroffen regeling voor de verdere beoordeling buiten beschouwing blijft. Een en ander vloeit voort uit de keuze van partijen om een regeling te treffen zoals zij dat gedaan hebben. De door Volker Rail nog bij akte genoemde jurisprudentie ziet op gevallen die niet althans onvoldoende met onderhavige zaak vergelijkbaar zijn om de kantonrechter tot een ander oordeel te brengen.

5. Voor de verdere beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat in artikel 7:681 lid 1 BW is bepaald dat indien een van partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen. Eerst dient de vraag te worden beantwoord of de opzegging kennelijk onredelijk is. Indien het antwoord bevestigend is, komt de schadevergoeding aan de orde. [eiser] doet een beroep op het gevolgencriterium als bedoeld in artikel 7:681 lid 2 sub b BW. Bij de beoordeling van de vraag of conform dit wettelijk criterium de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter volgens vaste rechtspraak (o.a. HR 15 februari 2008 NJ 2008,111) alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen.

6. [eiser] heeft in het kader van deze toetsing het standpunt ingenomen dat Volker Rail verwijtbaar heeft gehandeld, waartoe hij twee argumenten heeft aangevoerd: ten eerste dat sprake is van oorzakelijk verband tussen de uitgeoefende werkzaamheden en de arbeidsongeschiktheid (de rugklachten) en ten tweede dat Volker Rail haar re-integratieverplichtingen heeft verzaakt. Zoals onder punt 4 reeds is overwogen, kan het eerste argument thans geen rol meer spelen. Met betrekking tot het verzaken van de re-integratieverplichtingen overweegt de kantonrechter als volgt.

7. [eiser] voert ten aanzien van de re-integratie aan dat hij, nadat hij ongeschikt was bevonden als spoorlegger en na een korte omscholing, vanaf eind 1990 is gere-integreerd in de functie van uitvoerder. De taakstelling bij deze functie was op papier voornamelijk organisatorisch en dus rugsparend, maar in de praktijk is daar door grote tijdsdruk in combinatie met gebrek aan mankracht weinig van terecht gekomen. Hij heeft ook als uitvoerder zware, rugbelastende arbeid moeten verrichten. Dat dit te zwaar voor hem was blijkt volgens [eiser] uit het feit dat hij jaarlijks één à twee maanden is uitgevallen wegens rugklachten. Voorts stelt [eiser] dat hij zijn leidinggevende hier meerdere keren op heeft aangesproken, echter zonder resultaat. Nadat hij in januari 1999 opnieuw, nu definitief was uitgevallen heeft [eiser] in maart 1999 hervat als planner/ loonverwerker. Dit betrof administratieve werkzaamheden en het werk verliep goed. Tijdens de zomervakantie ging hij echter weer ‘door zijn rug’, met als gevolg dat hij medio juli 1999, vanwege naar later bleek een recidief-hernia, het werk heeft moeten staken. Per medio november 1999 is hij weer voor enkele uren per dag met administratief werk begonnen, echter ditmaal in een magazijn. Nadat hij enkele dagen gegevens had ingevoerd in de computer, viel het softwaresysteem uit en werd hem opgedragen het magazijn handmatig te ordenen. Daarbij was het nodig onderdelen te verplaatsen, met veel sjouwen en tillen, hetgeen [eiser] gedurende vier weken heeft volgehouden. Op 21 januari 2000 is hem, zo stelt hij, in een gesprek met de bedrijfsleider en het hoofd personeelszaken meegedeeld dat er onvoldoende vertrouwen bestond in herstel van de rugklachten en dat vanwege de hoge werkgeverslasten niet verder zou worden meegewerkt aan re-integratie.

8. Volker Rail betwist het standpunt van [eiser]. Zij stelt dat [eiser] zijn werkzaamheden als uitvoerder onder normale omstandigheden heeft kunnen uitvoeren, nu een uitvoerder in beginsel géén meewerkende taken heeft. Als een uitvoerder toch meewerkende taken verricht, ligt dat aan zijn eigen planning en instelling en moet hij dat de werkgever niet verwijten, aldus Volker Rail. Voorts heeft zij, toen in januari 1999 opnieuw een langdurige periode van verzuim wegens rugklachten aanbrak, binnen twee maanden getracht [eiser] om te scholen tot personeelsplanner. Dit verliep positief. [eiser] heeft deze werkzaamheden echter moeten staken toen in juli 1999 een recidief hernia werd vastgesteld. In het najaar van 1999 heeft Volker Rail hem aangepaste computerwerkzaamheden aangeboden in een magazijn. [eiser] is daar niet verzocht of verplicht weer rugbelastende (til)werkzaamheden te verrichten. Volgens Volker Rail heeft [eiser] zelf besloten deze werkzaamheden te staken, om voor haar onduidelijke redenen. Kort nadien, in januari 2000 werd [eiser] een WAO-uitkering toegekend in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Het ontgaat Volker Rail welk verwijt haar nadien kan worden gemaakt over inspanningsverplichtingen om voor [eiser] passend werk te vinden. [eiser] was volledig arbeidsongeschikt. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid is een ontslagvergunning gevraagd en verleend.

9. De kantonrechter stelt vast dat Volker Rail [eiser], nadat hij in 1989 was uitgevallen wegens rugklachten en een hernia-operatie heeft ondergaan, in 1990 heeft omgeschoold naar de functie van uitvoerder. [eiser] erkent met zoveel woorden dat dit op papier een passende functie zou kunnen zijn, maar heeft bezwaren tegen de concrete invulling en uitvoering van deze functie. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag in welke mate voor een uitvoerder onontkoombaar is fysiek mee te werken met zijn ploeg en de vraag voor wiens risico het komt als de uitvoerder dat doet.

[eiser] heeft gemotiveerd uiteengezet dat de tijdsdruk hoog was (het treinverkeer wordt zelden en in ieder geval zo kort mogelijk stil gelegd) en dat er regelmatig gebrek was aan mankracht en middelen. Zo was bij Volker Rail geen vliegende keep beschikbaar en werd bij ziekte de ploeg niet aangevuld, terwijl ook de planning niet werd bijgesteld. [eiser] had slechts beperkte invloed op de inzet van materieel. Dan had hij twee kranen besteld en was er slechts één beschikbaar, of er was slechts één chauffeur beschikbaar voor én het rijden van de vrachtwagen én het bedienen van de kraan. Als de vrachtwagen dan weg was, was de kraan onbemand en moesten werkzaamheden die normaliter met de kraan worden gedaan, handmatig worden verricht. De door dit soort omstandigheden veroorzaakte tijdsdruk noodzaakte de uitvoerder in de praktijk om ook met fysiek zware klussen bij te springen.

10. Volker Rail heeft de stellingen en de specifieke voorbeelden van [eiser] slechts weersproken met de algemene opmerking dat indien de planning correct is, de uitvoerder in beginsel geen meewerkende taken heeft. Daarmee heeft zij een en ander naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende weersproken. Daarbij komt dat ter comparitie van 27 mei 2005 door [X], hoofd P&O van Volker Rail is erkend “dat het wel kan kloppen dat de uitvoerdersfunctie destijds zo was dat moest worden meegewerkt”. “De herplaatsing als uitvoerder was op zich heel begrijpelijk, maar ik begrijp ook dat er in verband met het meewerken wel een risico aan zat. De uitvoerdersfunctie is nu veel meer organisatorisch geworden. Het meewerken vindt nog slechts incidenteel plaats”, aldus [X]. Tot slot heeft Volker Rail ook niet weersproken dat [eiser] een à twee maanden per jaar uitviel wegens rugklachten en dat hij zich over de fysieke belasting heeft beklaagd bij zijn leidinggevende.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat, gelet op de wijze waarop daaraan door Volker Rail in ieder geval destijds vorm werd gegeven, de functie van uitvoerder geen passende functie was waarin Volker Rail [eiser] kon laten re-integreren. Haar verweer dat het in het karakter van [eiser] zit om ‘aan te pakken’ en dat hij dit de werkgever niet kan verwijten, kan niet worden gevolgd. Temeer waar van een werknemer bekend is dat hij zelf moeilijk maat kan houden, dient deze tegen zichzelf te worden beschermd. Niet gesteld of gebleken is echter dat Volker Rail ook maar één keer met [eiser] heeft besproken dat fysiek meewerken niet de bedoeling was, of dat hij hiervoor gewaarschuwd is. Integendeel, de kantonrechter moet het ervoor houden dat het [eiser] was die zich tegen zijn leidinggevende over de fysieke belasting heeft beklaagd. Dergelijke signalen, waaronder ook de genoemde ziekmeldingen wegens rugklachten, behoren door een werkgever te worden opgepikt en niet te worden genegeerd.

11. Naar het oordeel van de kantonrechter is Volker Rail eerst begin 1999 ertoe over gegaan [eiser] om te scholen en te laten re-integreren in een voor hem passende functie, te weten die van personeelsplanner. De uitval in deze functie in de zomer van 1999, tijdens privé-activiteiten van [eiser], valt Volker Rail op geen enkele wijze te verwijten. Het is de kantonrechter echter niet duidelijk geworden waarom [eiser] eind 1999, toen hij weer kon herstarten, niet in de functie van planner heeft kunnen hervatten. [eiser] merkt in de stukken op dat hem dit nooit duidelijk is gemaakt. Volker Rail heeft hierop niet gereageerd, noch heeft zij anderszins uiteengezet waarom [eiser] niet in de functie van personeelsplanner heeft hervat. Juist nu de reïntegratie in deze functie goed verliep, was een dergelijke toelichting op zijn plaats geweest. Bij gebreke daarvan moet de kantonrechter het ervoor houden dat niet aan [eiser] is te wijten dat hij niet als personeelsplanner heeft kunnen hervatten. Voor wat betreft de vier weken dat [eiser] eind 1999 nog heeft gere-integreerd in de functie van magazijnmedewerker verschillen partijen van mening over de precieze werkzaamheden die [eiser] heeft moeten verrichten. Gelet op na te noemen oordeel over de re-integratie over een periode van ruim 9 jaar acht de kantonrechter deze vier weken, kort voor de toekenning van de WAO-uitkering, van ondergeschikt belang, zodat de kantonrechter daaraan verder voorbij gaat.

12. De kantonrechter is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat Volker Rail weliswaar pogingen heeft gedaan [eiser] te laten re-integreren, maar dat zij door de wijze waarop daaraan inhoud is gegeven tekort is geschoten in het nakomen van haar re-integratieverplichtingen. Zij heeft [eiser] van 1990 tot begin 1999 laten re-integreren in een functie die voor hem in de uitwerking geenszins passend was. Toen zij in 1999 eindelijk [eiser] liet re-integreren in een wél passende functie, is dit na zijn uitval en terugkeer in datzelfde jaar niet gecontinueerd. Na de vier weken magazijnwerk - wat daarvan ook precies de inhoud is geweest - is iedere poging tot re-integratie gestaakt. Volker Rail wijst erop dat zij geen mogelijkheden meer zag. Waar zij echter tevens aanvoert dat de re-integratie als planner goed is verlopen, valt dit zonder nadere toelichting niet in te zien. Los daarvan gaat zij niet in op de stelling van [eiser] dat voor hem na omscholing passende functies als netwerkbeheerder/ applicatiebeheerder in de vestiging Eindhoven tot circa 2004 (anders dan nu) nog voorhanden waren.

13. De kantonrechter komt al met al tot de conclusie dat indien [eiser] in de gelegenheid was gesteld direct vanaf 1990 te re-integreren in een voor hem passende functie, in de lijn der verwachting ligt dat hij geheel, althans gedeeltelijk werkzaam had kunnen blijven, dat hij niet althans in mindere mate arbeidsongeschikt was verklaard en dat er geen aanleiding was geweest zijn arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid te beëindigen. [eiser] maakt Volker Rail derhalve terecht een verwijt ter zake de wijze waarop de re-integratie is ingevuld. De noodzaak het dienstverband te beëindigen en de opzeggingsgrond zijn aldus (mede) in de risicosfeer van de werkgever komen te liggen.

14. Voor het overige acht de kantonrechter voor de beoordeling de volgende omstandigheden van belang. [eiser] is 17 jaar bij Volker Rail in dienst geweest, waarvan hij circa 15 jaar, blijkens de stukken altijd tot volle tevredenheid van Volker Rail, werkzaamheden voor Volker Rail heeft verricht. Bij het einde van het dienstverband was [eiser] 44 jaar oud. Hij heeft, zo kan uit de stukken worden afgeleid, nog geen pogingen tot werkhervatting gedaan. Zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn gelet op zijn belastbaarheid niet groot. Blijkens het onder 1.1. genoemde deskundigenrapport heeft de registerarbeidsdeskundige enkele functies geduid die [eiser] zou kunnen vervullen, mits vacatures kunnen worden gevonden binnen beperkte reisafstand.

Daarnaast acht de kantonrechter van belang de financiële compensatie die tijdens de arbeidsongeschiktheid en in het kader van het ontslag is geboden. [eiser] stelt dat het ontslag is gegeven zonder adequate compensatie, maar Volker Rail heeft aangevoerd dat, los van het schikkingsbedrag en de € 5.000,= die beschikbaar is gesteld voor onderzoek door de verzekerings- en arbeidsgeneeskundige, reeds het nodige voor [eiser] is geregeld. Volker Rail stelt dat [eiser] gedurende de eerste 52 weken van zijn arbeidsongeschiktheid 100% van zijn salaris doorbetaald heeft gekregen, gedurende het eerste en tweede WAO-jaar aanvullingen tot 90% en 80% van het pensioengevend inkomen heeft ontvangen en dat hij van het pensioenfonds Volker Stevin vanaf het derde WAO-jaar een aanvulling tot 70% van het voormalig pensioengevend loon heeft ontvangen én ontvangt, zijnde een aanvullende uitkering van circa € 1.125,= netto per maand op de ook nog steeds voor hem lopende WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Ook worden alle jaren waarin de arbeidsongeschiktheid voortduurt, uiterlijk tot [eiser] 65 jaar wordt, voor [eiser] premievrij meegeteld als pensioenjaren voor zijn pensioenverzekering. Nu deze stellingen van Volker Rail door [eiser] niet althans onvoldoende zijn weersproken gaat de kantonrechter van de juistheid hiervan uit. Volker Rail, althans het pensioenfonds Volker Stevin, biedt [eiser] derhalve reeds een doorlopende compensatie voor het verlies van zijn inkomen.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat Volker Rail zich ter comparitie coöperatief heeft opgesteld door aan te bieden op haar kosten deskundigenonderzoek te doen plaatsvinden en te bezien of alsnog voor [eiser] een passende functie binnen Volker Rail zou kunnen worden gevonden. De onmogelijkheid daartoe wordt veroorzaakt door een voor [eiser] fysiek te belastende reisafstand tot de dichtstbijzijnde vestiging van Volker Rail, niet door onwil aan de zijde van één van partijen.

15. Alle bovengenoemde omstandigheden in aanmerking genomen komt de kantonrechter tot de slotsom dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] kennelijk onredelijk moet worden geoordeeld. Bij dit oordeel kent de kantonrechter vooral betekenis toe aan het feit dat Volker Rail tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen, met alle gevolgen van dien.

16. Gelet op voornoemd oordeel komt de schadevergoeding aan de orde. Daarbij wordt

-mede uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid - aansluiting gezocht bij de

vergoeding zoals die wordt toegekend bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst. De

wezenlijke verschillen in karakter tussen de procedures op grond van de artikelen 7:681 en

7:685 BW staan daaraan niet in de weg op grond van het volgende. In wezen behelst de

gebruikelijke wijze van berekening van een ontbindingsvergoeding (“kantonrechtersformule”)

een - deels - uniforme weging van factoren die er toe leidt dat in vergelijkbare zaken een

vergelijkbare uitkomst wordt bewerkstelligd. In de formule wordt rekening gehouden met

elementen die ook voor toekenning van de onderhavige vergoeding van belang zijn (leeftijd

en diensttijd, die mede de gevolgen voor de werknemer bepalen en die van invloed zijn op de

kansen op de arbeidsmarkt, en genoten inkomen) terwijl in de zogenoemde c-factor de

overige omstandigheden van het geval ten volle kunnen meewegen. Deze weging komt ook

tot uiting in in de x-, y- en z-factoren zoals deze worden gehanteerd in het arrest van het

Gerechtshof te Arnhem d.d. 7 juli 2009 (LJN: BJ1688).

17. De door de kantonrechter van belang geachte omstandigheden worden meegewogen in het kader van de vaststelling van de hoogte van de correctiefactor c van de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters, zoals deze vóór 1 januari 2009 hebben gegolden. De beschreven omstandigheden, in het bijzonder de verwijtbaarheid ter zake de re-integratie aan de zijde van Volker Rail moeten enerzijds leiden tot een verhoging van de c-factor, terwijl er anderzijds redenen zijn deze naar beneden bij te stellen, in het bijzonder gelet op hetgeen Volker Rail reeds in financieel opzicht voor [eiser] heeft gedaan en doet. Alle omstandigheden afwegende acht de kantonrechter het juist de c-factor te stellen op 0,7.

18. [eiser] maakt aanspraak op een schadevergoeding berekend op basis van een laatstverdiend salaris van fl. 7.277,35 bruto per maand. Dit bedrag is door Volker Rail niet weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid daarvan zal uitgaan. Omgerekend in euro’s bedraagt dit € 3.302,32 bruto. Het gewogen aantal dienstjaren is 19. Bij toepassing van een c-factor van 0,7 komt de toe te wijzen schadevergoeding uit op (afgerond)

€ 44.000,= bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van ontslag wordt afgewezen, nu geen sprake is van een opeisbare vordering.

19. Volker Rail wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Volker Rail om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 44.000,= bruto;

veroordeelt Volker Rail tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.859,56, waarin begrepen € 2.700,= aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 november 2009.